RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 21/3408 uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 december 2021 in de zaak tussen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , te [plaats 1] , verzoekers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ameland, verweerder (gemachtigde: C.M. Smid). Als derde-partij neemt aan het geding deel: [vergunninghouder], te [plaats 2] , de vergunninghouder. Procesverloop In het besluit van 10 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de vergunninghouder op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een erfafscheidingsmuur op het perceel [adres 1] te [plaats 1] (het perceel). Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft gedingstukken ingediend. Bij brief van 23 november 2021 heeft de rechtbank de vergunninghouder gevraagd om mee te delen of hij bereid is om te wachten met het gebruiken van de omgevingsvergunning tot verweerder een besluit op het bezwaar van verzoekers heeft genomen. De vergunninghouder heeft telefonisch aan de griffier meegedeeld daartoe niet bereid te zijn. Overwegingen
- De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
- De voorzieningenrechter ziet aanleiding om op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting te doen op het verzoek, omdat hij van oordeel is dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. 2.
- De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval niet is voldaan aan het vereiste van onverwijlde spoed. Het vergunde bouwplan behelst het bouwen van een erfafscheidingsmuur en een bloembak op het perceel. Uit de aanvraag volgt dat het perceel, ook het gedeelte waarop het bouwplan is geprojecteerd, in eigendom is van de vergunninghouder. De vraag van verzoekers of de aanvraag een juiste weergave van de eigendomssituatie ter plaatse bevat, levert geen spoedeisend belang op. Die vraag kan in de bezwaarfase worden beantwoord. Voorts is van belang dat de vragen van verzoekers over wijziging van het beschermd dorpsgezicht door de vergunde bouw- en gebruiksactiviteiten niet zien op onomkeerbare gevolgen. Vaststaat dat de vergunninghouder voor eigen rekening en risico bouwt, als hij daartoe overgaat voordat de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden. Als het bouwplan in de bezwaarfase onrechtmatig blijkt te zijn, kan verweerder de vergunninghouder opdragen de erfafscheiding en bloembak weer af te breken. De bestaande invulling van de planlocatie, te weten een heg en gras, kan dan gemakkelijk hersteld worden. Daarbij acht de voorzieningenrechter ook van belang dat de vergunde bouwwerken beperkt van hoogte en omvang zijn en aansluiten bij een reeds bestaande erfafscheidingsmuur op het perceel. Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat een rechtmatigheidsoordeel in de bezwaarfase kan worden afgewacht. Het onderhavige verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier, op 14 december
- De uitspraak is openbaargemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: typ: SCHA Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.