vonnis RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling privaatrecht Locatie Groningen zaaknummer / rolnummer: C/18/200449 / HA ZA 20-164 Vonnis van 29 december 2021 in de zaak van 1 [eiser 1] , 2. [eiser 2], beiden wonende te [plaatsnaam 1] , eisers in conventie, verweerders in reconventie, advocaat mr. J. Hielkema te Leek, tegen 1 [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2], beiden wonende te [plaatsnaam 1] , gedaagden in conventie, eisers in reconventie, advocaat mr. J.M.E. Hamming te Drachten. Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 7 april 2021; de conclusie van antwoord in reconventie; de akte van [gedaagden] ; het proces-verbaal van comparitie van 26 augustus 2021. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eisers] zijn vanaf 4 december 2015 de eigenaars van de woning met bijbehorende bebouwing en grond, staande en gelegen aan de [adres 1] te [plaatsnaam 1] , kadastraal bekend als Gemeente Marum, [sectieletter 1] nummer [sectienummer 1] . [eisers] hebben het perceel gekocht van mevrouw [naam 1] , die daar vanaf 22 januari 1976 (samen met haar man) heeft gewoond. Op de reed die langs de woning loopt van [eisers] en die in hun eigendom is, rust een erfdienstbaarheid ten behoeve van [gedaagden] 2.2. [gedaagden] zijn vanaf 14 november 2016 de eigenaars van de woning met bijbehorende bebouwing en grond, staande en gelegen aan de [adres 2] te [plaatsnaam 1] , kadastraal bekend Gemeente Marum, [sectieletter 1] nummer [sectienummer 2] . Voorheen was de familie [naam 2] eigenaar van dit perceel. 2.3. De kadastrale grens tussen de percelen loopt op 35 cm links van de schuur van [eisers] evenwijdig met de schuurmuur. Over een strook grond, die vanaf de kadastrale grens 1.90 m in de richting van het perceel van [gedaagden] is gelegen langs de gehele breedte van het perceel van [eisers] , is tussen partijen een geschil ontstaan. 2.4. In juli 2018 hebben partijen afgesproken dat er een nieuwe erfafscheiding zou worden geplaatst, op kosten van [eisers] 2.5. In augustus 2018 zijn de grondwerkzaamheden, die in opdracht van [eisers] hebben plaatsgevonden, afgerond en is het gras gezaaid op de bewuste strook grond. 2.6. Op 18 september 2019 hebben [gedaagden] aan [eisers] aangegeven dat zij het Kadaster willen inschakelen voor het inmeten van de erfgrens. 2.7. Het Kadaster heeft vervolgens op 9 oktober 2019 de erfgrens tussen de beide percelen aangegeven op 35 cm uit de gevel van de schuur van [eisers] , zijnde in overeenstemming met de positie van de erfgrens blijkens de oude kadastrale kaarten. 2.8. [gedaagden] hebben bij brief van 14 mei 2020 aan [eisers] onder meer kenbaar gemaakt dat in de tuin van [eisers] bomen en struiken staan die wellicht te dicht op de erfgrens staan en waar zij last van hebben. [gedaagden] hebben [eisers] verzocht deze bomen en struiken te verwijderen en de overhangende takken te verwijderen van enkele bomen die wegens verjaring kunnen blijven staan. 2.9. In reactie hierop heeft de advocaat van [eisers] aan [gedaagden] aangegeven dat [eisers] niet aan het verzoek zullen voldoen. De beplanting staat er volgens [eisers] al meer dan 20 jaar en mag daar krachtens verjaring blijven staan. Verder zullen de overhangende takken niet worden gesnoeid, omdat eerst duidelijk moet worden waar de erfgrens precies loopt. Daarnaast hebben [eisers] aangegeven dat zij een niet afsluitbaar hek over de reed zullen plaatsen, zodat hun hond niet langer op het perceel van [gedaagden] kan komen. 2.10. Vervolgens heeft er correspondentie tussen (de advocaten van) [eisers] en [gedaagden] plaatsgevonden over - onder meer - de plaats van de erfgrens, het al dan niet mogen overhangen van takken en het bevinden van begroeiing in de verboden zone, en het al dan niet mogen plaatsen van een hek over de reed. [eisers] hebben zich daarbij bij brief van 17 juni 2020 op het standpunt gesteld dat de strook grond al meer dan 40 jaar onafgebroken en te goeder trouw in het bezit is van (de rechtsvoorgangers van) [eisers] [gedaagden] hebben zich op het standpunt gesteld dat er van een verjaringssituatie geen sprake is. 3. Het geschil in conventie 3.1. [eisers] vorderen, na wijziging van eis, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te verklaren voor recht dat [eisers] rechthebbenden zijn aangaande de strook grond die, gemeten vanaf 35 cm uit de muur van de garage/schuur van [eisers] , een breedte heeft van 1.90 meter over de gehele breedte van het perceel van [eisers] inclusief de reed, grenzend aan het perceel van [gedaagden] ; II. te verklaren voor recht dat [eisers] de hier aldus te geven uitspraak mogen doen inschrijven in het Kadaster en het Kadaster mogen verzoeken de nieuwe grens uit te zetten conform de uitspraak; III. te verklaren voor recht en tevens [eisers] toe te staan dat zij een (normaal gebruikelijke) afrastering mogen doen plaatsen ter afscheiding van de grens met [gedaagden] op hun eigen kosten, dat wil zeggen op kosten van [eisers] ; IV. te verklaren voor recht dat het [eisers] is toegestaan om een niet afsluitbaar hek over de reed te plaatsen ter voorkoming dat de hond en bezoekers van [eisers] op het erf komen van [gedaagden] ; V. te verklaren voor recht dat het [eisers] is toegestaan om vier verkeersdrempels te plaatsen op de reed ter voorkoming van het harder dan 15 km per uur rijden door [gedaagden] ; VI. [gedaagden] te veroordelen tot betaling van vermogensschade op de voet van artikel 6:96 sub c BW ten bedrage van € 667,01 inclusief btw; VII. met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure; 3.2. [gedaagden] voeren verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.4. [gedaagden] vorderen, voor zoveel mogelijk wettelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. voor recht te verklaren dat: a. [gedaagden] eigenaar zijn van het gehele kadastrale perceel gemeente Marum [sectieletter 1] nummer [sectienummer 2] , inclusief de litigieuze door [eisers] geclaimde strook en dat de kadastrale grens tussen de percelen van partijen ook de juridische grens is; Subsidiair: voor zover de rechtbank oordeelt dat [eisers] door bevrijdende of verkrijgende verjaring eigenaar zouden zijn geworden van de litigieuze strook van het kadastrale perceel gemeente Marum [sectieletter 1] nummer [sectienummer 2] , een beroep op verjaring door [eisers] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, althans dat [eisers] door gedurende 7 maanden geen actie na de kadastrale uitmeting hebben genomen, voldaan hebben aan hun natuurlijke verbintenis tot teruglevering van de litigieuze strook en dat [eisers] binnen 10 dagen na onherroepelijk worden van dit vonnis, indien uw rechtbank zo nodig oordeelt, dienen mee te werken aan inschrijving van dit vonnis in de daartoe bestemde registers van het kadaster op straffe van verbeurte van € 250,00 aan dwangsommen per dag dat [eisers] hiermee in gebreke blijven, zulks met een maximum van € 10.000,00, en met hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de kosten van het opmaken van de eventueel benodigde notariële akte; Meer subsidiair: voor zover de rechtbank oordeelt dat [eisers] door verkrijgende verjaring eigenaar zouden zijn geworden van de litigieuze strook van het kadastrale gemeente Marum [sectieletter 1] nummer [sectienummer 2] , uw rechtbank verklaart voor recht dat een beroep hierop door [eisers] een onrechtmatige daad jegens [gedaagden] oplevert en dat [eisers] , indien uw rechtbank zo nodig oordeelt, binnen 10 dagen na onherroepelijk worden van dit vonnis dienen mee te werken aan inschrijving van dit vonnis in de daartoe bestemde registers van het kadaster op straffe van verbeurte van € 250,00 aan dwangsommen per dag dat [eisers] hiermee in gebreke blijven, zulks met een maximum van € 10.000,00, en met hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de kosten van het opmaken van de eventueel benodigde notariële akte; 2. dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, gebiedt/bepaalt dat: het [eisers] binnen 10 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis verboden wordt een hek of een ander obstakel op of nabij de grens van hun huisperceel met het kadastrale perceel gemeente Marum [sectieletter 1] nummer [sectienummer 2] te plaatsen, althans dat [eisers] geboden worden een tijdens deze procedure geplaatst hek of obstakel te verwijderen en verwijderd te houden, alles voor zover dit hek zich op het tracé van de erfdienstbaarheid van weg bevindt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per overtreding, althans per dag dat de overtreding voortduurt, zulks met een maximum van € 10.000,00; [eisers] het binnen 10 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis geboden wordt dusdanige maatregelen te nemen, bijvoorbeeld door het plaatsen van een zwakstroomdraad conform de rode lijnen op onderstaande foto of door het al dan niet permanent aangelijnd houden van hun hond, althans dat [eisers] door UEA in goede Justitie te bepalen maatregelen dienen te nemen, wel zodanig dat hun hond [gedaagden] en diens bezoekers niet meer op het tracé van de erfdienstbaarheid van weg lastig kan vallen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per overtreding, althans per dag dat de overtreding voortduurt, zulks met een maximum van € 10.000,00; [eisers] binnen 10 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis alle struiken welke zich op het perceel van [eisers] op 50 cm afstand van de grens met het kadastrale perceel van [gedaagden] (gemeente Marum [sectieletter 1] nummer [sectienummer 2] ) en alle bomen, welke zich binnen 2 meter van de voornoemde erfgrens op het perceel van [eisers] bevinden (behalve een drietal verjaarde grote bomen) dienen te verwijderen en voortaan verwijderd moeten houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per overtreding, althans per dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 10.000,00; [eisers] binnen 10 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, alle over de erfgrens met het kadastrale perceel gemeente Marum [sectieletter 1] nummer [sectienummer 2] overhangende takken (ook die van de verjaarde bomen) moeten verwijderen en verwijderd moeten houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per overtreding, althans per dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 10.000,00; [eisers] binnen 10 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de overhangende takken op het tracé van de erfdienstbaarheid moeten snoeien en deze jaarlijks, althans binnen telkens een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, dienen bij te snoeien, dusdanig dat er een breedte van 4 meter en een hoogte van 3 meter van het tracé vrij blijft, althans een tracé volgens de rechtbank in goede justitie te bepalen dimensies, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per overtreding, althans per dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 10.000,00; 3. [eisers] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 657,03 inclusief btw ter zake van aan [gedaagden] verschuldigde buitengerechtelijke incassokosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis en (voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening; 4. [eisers] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de proceskosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis en (voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de nakosten van € 131,00 dan wel, indien betekening van het in dezen te wijzen vonnis plaatsvindt van € 199,00. 3.5. [eisers] voeren verweer. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. De in conventie en reconventie door partijen ingenomen stellingen en de daarop gebaseerde vorderingen lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling. De strook grond 4.2. [eisers] hebben gesteld dat zij door verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring rechthebbende zijn geworden van de strook grond die, gerekend vanaf 35 cm uit de gevel van de schuur van [eisers] , 1.90 m over de gehele breedte van het perceel van [eisers] in de richting van het perceel van [gedaagden] is gelegen, met inbegrip van de reed. 4.3. Op grond van artikel 3:99 BW wordt een eigendomsrecht op een onroerend goed door een bezitter te goeder trouw verkregen door een onafgebroken bezit van tien jaren. Daarnaast kan de bezitter die niet te goeder trouw is op grond van artikel 3:105 BW na verloop van twintig jaren de eigendom verkrijgen, door verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit. 4.4. Voor de beoordeling of er sprake is van verjaring moet, zowel bij verkrijgende als bevrijdende verjaring, allereerst worden beoordeeld of er sprake is van bezit. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 3:107 e.v. BW. Op grond van artikel 3:113 lid 3 BW wordt een goed in bezit genomen als iemand zich daar de feitelijke macht over heeft verschaft. Er moet sprake zijn van een naar buiten kenbaar ondubbelzinnig hebben gehouden voor zichzelf, dat wil zeggen het uitoefenen van de feitelijke macht over dat goed, met de pretentie daarvan eigenaar te zijn. De intentie om het goed voor zichzelf te houden en het bezit daarvan aan de eigenaar te onttrekken, moet blijken uit uiterlijk waarneembare feiten waaruit naar verkeersopvattingen die intentie kan worden afgeleid. Het gaat om de feitelijke situatie en om wat er allemaal is gedaan en gebeurd. 4.5. Op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rusten op de partij die zich erop beroept dat een goed door verjaring is verkregen, de stelplicht en bewijslast van de stelling dat aan de vereisten voor verjaring is voldaan. In dit geval zijn dat [eisers] 4.6. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eisers] onvoldoende gesteld dat er sprake is van inbezitneming. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. 4.7. [eisers] hebben gesteld dat op het moment dat zij het perceel hebben gekocht, er een erfafscheiding stond op 2.25 m van de schuur van [eisers] Deze erfafscheiding stond er volgens hen al vanaf de eerste jaren nadat [naam 1] aan de [adres 1] woonde. De erfafscheiding kon volgens [eisers] ook niet verder richting het perceel van [eisers] worden geplaatst omdat de grond daar hoger lag dan het perceel van [gedaagden] Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee echter geen sprake van inbezitneming van de strook grond. [gedaagden] hebben namelijk onweersproken gesteld dat zij, dan wel hun rechtsvoorganger deze afscheiding hebben geplaatst. Op de mondelinge behandeling hebben [eisers] dit erkend. Het plaatsen van de afscheiding kan naar het oordeel van de rechtbank daarom niet als bezitsdaad van (de rechtsvoorganger van) [eisers] worden gekwalificeerd. Daar komt bij dat de afscheiding volgens [gedaagden] slechts bedoeld was als veekering en niet als erfafscheiding. 4.8. Verder hebben [eisers] betoogd dat [naam 1] de bomen die op de bewuste strook grond stonden hebben verzorgd en hebben verwijderd. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee echter geen sprake van inbezitneming van de strook grond. Het onderhouden van de bomen is geen voortdurende en ondubbelzinnige bezitsdaad. Het onderhoud zal immers met tussenpozen hebben plaatsgevonden. Ook de omstandigheid dat [eisers] de grond hebben afgraven, doorgefreesd en ingezaaid met gras kan niet worden gezien als een daad van inbezitneming. [eisers] hebben op de mondelinge behandeling verklaard dat zij deze handelingen ook hebben verricht ten aanzien van een stuk grond van [gedaagden] dat naast de bewuste strook grond ligt, omdat de gebruikte machines over de grond van [gedaagden] moesten voor het realiseren van de nieuwe schuur. Bovendien is er bij deze handelingen geen sprake van voortdurende en ondubbelzinnige bezitsdaden omdat dit eenmalig heeft plaatsgevonden en vrij recent is uitgevoerd (in 2018). Daar komt bij dat deze handelingen als zodanig niet hoeven te duiden op een bezitspretentie als eigenaar van [eisers] Het bewerken van de grond betreft handelingen die ook door bijvoorbeeld een bruiklener kunnen worden verricht en hoeven dan ook niet te duiden op het gebruik van de grond in de hoedanigheid van eigenaar. [gedaagden] hoefden naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet op te maken dat [eisers] pretendeerde eigenaar van de strook grond te zijn. Ditzelfde geldt voor de houtopslag die volgens [eisers] (gedeeltelijk) op de strook grond was geplaats en het op de strook grond geplaatste materiaal van [naam 1] . 4.9. Naar het oordeel van de rechtbank is er met het vorenstaande geen sprake van zodanige machtsuitoefening dat deze naar verkeersopvatting het bezit [gedaagden] teniet doet. De slotsom is dat [eisers] niet (door verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring) rechthebbende zijn geworden van de strook grond 4.10. De vorderingen van [eisers] onder I en II zullen gezien het voorgaande worden afgewezen. Dit betekent ook dat de reconventionele vordering van [gedaagden] onder 1.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.