beslissing RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Meervoudige kamer Zittingsplaats Leeuwarden Parketnummer: 18-152258-20 Rekestnummer: C/18/208312 / PR RK 21-287 Beslissing van 5 oktober 2021 op het verzoek van [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] , wonende [woonplaats] , verzoeker. 1De procedure 1.1 Bij de afdeling strafrecht van deze rechtbank, locatie Assen, is een strafzaak, met parketnummer 18-152258-20, aanhangig. In die procedure is [verzoeker] (verzoeker) de verdachte. 1.2 Op 15 september 2021 dient de strafzaak tegen [verzoeker] als verdachte. mr. E. Läkamp is de behandeld politierechter. Ter zitting heeft [verzoeker] de politierechter gewraakt. Hierop is de behandeling geschorst en is een proces-verbaal van de zitting en van wraking opgesteld. 2Het standpunt van verzoeker 2.1 [verzoeker] heeft blijkens het proces-verbaal een tweetal gronden aangevoerd. 2.2 Ten eerste is er bij het instellen van verzet door [verzoeker] iets fout gegaan, waarna de fout is hersteld. Het Openbaar Ministerie heeft daarop een brief aan verdachte gestuurd waarin staat dat dit de rechtsgang in Nederland is, hetgeen discriminerend is opgevat. Deze brief bevindt zich niet in het dossier, waardoor hij geen vertrouwen heeft in een goede afloop van de zitting. 2.3 Ten tweede heeft de politierechter opgemerkt dat zij zich niet kan voorstellen dat deze gang van zaken expres is gegaan, maar de politierechter kan helemaal niet bewijzen of dit expres of per ongeluk is gebeurd. 3Het standpunt van mr. E. Läkamp 3.1 .1 De politierechter heeft per e-mail van 28 september 2021 aangegeven niet in de wraking te berusten. 4Beoordeling 4.1 De wrakingskamer overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 512 Wetboek van Strafverordening (Sv) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria. 4.2 Artikel 512 Sv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 512 Sv /artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van haar/zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend. 4.3 De rechtbank overweegt dat aan het onderhavige verzoek tot wraking van de behandelend rechter geen concrete feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd waaruit vooringenomenheid van die rechter of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid. 4.4 De enkele opmerking van de politierechter dat zij zich niet kan voorstellen dat het Openbaar Ministerie expres een brief zou weglaten, is geen omstandigheid waaruit (de vrees voor) vooringenomenheid kan worden afgeleid. 4.5 Het verzoek tot wraking zal dan ook kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking kan daarom achterwege blijven. 5De beslissing De rechtbank - verklaart het verzoek tot wraking ongegrond; - bepaalt dat de hoofdzaak (met parketnummer 18-152258-20) wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking; - beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, mr. E. Läkamp (politierechter) en de officier van justitie mr. D.F. Osinga. Deze beschikking is gegeven door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. C.W. Couperus-van Kooten in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2021.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.