Uitspraak RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18/014580-21 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 augustus 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 juli
- Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.R. Menso, advocaat te Alkmaar. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. de Graaf. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: primair hij op of omstreeks 30 november 2017 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, immers heeft verdachte meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] - terwijl deze op de grond lag- (hard) tegen het hoofd en/of in het gezicht geschopt en/of getrapt en/of (vervolgens) (hard) tegen het hoofd en/of het gezicht geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair hij op of omstreeks 30 november 2017 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen immers heeft verdachte die [slachtoffer] - terwijl deze op de grond lag meermalen, althans eenmaal (hard) tegen het hoofd en/of in het gezicht getrapt en/of geschopt en/of (vervolgens) tegen het hoofd en/of in het gezicht gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; meer subsidiair hij op of omstreeks 30 november 2017 te Leeuwarden, [slachtoffer] - terwijl deze op de grond lagheeft mishandeld door deze meermalen, althans eenmaal (hard) tegen het hoofd en/of in het gezicht te schoppen en/of tetrappen en/of (vervolgens) tegen het hoofd en/of in het gezicht te stompen en/of te slaan. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft de feitelijke gang van zaken niet weersproken, maar wel betoogd dat er geen sprake is van opzet op de dood en geen sprake van poging tot doodslag. Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbel- zinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Deze opgave luidt als volgt: de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 juli 2021; een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 20 maart 2018, opgenomen op pagina115 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017314901 d.d. 29 november 2018, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] . Bewijsoverweging Ten aanzien van de vraag of bij verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Op grond van het procesdossier en hetgeen ter zitting is besproken, stelt de rechtbank het volgende vast. Er ontstaat ruzie tussen aangever en zijn vrienden en verdachte en zijn vrienden. Aangever geeft verdachte een klap tegen zijn hoofd. Aangever wordt daarna door een derde persoon weggetrokken door middel van een nekklem en op de grond gegooid. Als aangever op de grond ligt, loopt verdachte in de richting van aangever waarna hij aangever met geschoeide voet tegen het hoofd schopt. Aangever is na de eerste schop op zijn knieën gaan zitten. Als aangever op zijn knieën op de grond zit en zich dus niet kan verdedigen, schopt verdachte een tweede keer met geschoeide voet tegen het hoofd van aangever. Deze tweede schop gaat met zoveel kracht gepaard dat aangever ongecontroleerd voorover met zijn hoofd op de straat valt. Als aangever voorover op straat ligt, geeft verdachte aangever nog drie stompen tegen het hoofd met gebalde vuist. Naar algemene ervaringsregels brengt het meermalen met kracht schoppen en slaan tegen het hoofd, verricht op de wijze zoals verdachte heeft gedaan, een aanmerkelijke kans met zich dat het slachtoffer ten gevolge daarvan komt te overlijden. Het hoofd is een kwetsbaar en vitaal onderdeel van het lichaam. Een verwonding aan het hoofd of de hersenen kan snel tot de dood leiden. Dit is een feit van algemene bekendheid en verdachte moet zich daarvan bewust zijn geweest. De kans dat het door verdachte toegepaste geweld tot de dood van aangever had kunnen leiden, acht de rechtbank in dit geval aanmerkelijk, gelet op de grote kracht waarmee het hoofd van aangever meerdere malen door verdachte is geraakt. Dat in het onderhavige geval het letsel beperkt is gebleven, is naar het oordeel van de rechtbank niet aan verdachte te danken geweest en min of meer toevallig. De verrichte geweldshandelingen kunnen, gelet op de wijze waarop deze zijn verricht, naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de dood van het slachtoffer dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg ook bewust heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht dan ook het primair ten laste gelegde, poging tot doodslag, wettig en overtuigend bewezen. Bewezenverklaring De rechtbank acht het primaire feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: primair hij op 30 november 2017 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] - terwijl deze op de grond lag- tegen het hoofd heeft geschopt en vervolgens tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: primair Poging tot doodslag. Vervolgens is de vraag aan de orde of sprake is van een strafuitsluitingsgrond. Standpunt van de verdediging Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsmand heeft daartoe gesteld dat verdachte naar aanleiding van een forse klap die hij van aangever kreeg, vanuit zijn emotie heeft gereageerd. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft gemotiveerd gevorderd het beroep op noodweer te verwerpen. Oordeel rechtbank Voor een geslaagd beroep op noodweer moet ten eerste sprake zijn van een ogenblikkelijke, wederrechtelijk aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, dan wel van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Daarnaast moet sprake zijn van een geboden en noodzakelijke verdediging. De rechtbank overweegt dat uit het dossier en de behandeling ter zitting kan worden vastgesteld dat verdachte, nadat hij door aangever werd geslagen, een klap terug heeft gegeven. Aangever is vervolgens door een derde persoon naar de grond gebracht. Op dat moment was geen sprake meer van een wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich moest verdedigen. Verdachte had op dat moment weg moeten gaan. Verdachte heeft vervolgens echter nog meerdere malen met geschoeide voet tegen het hoofd van aangever geschopt, terwijl hij op de grond lag. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer. Aangezien er geen sprake was van een noodweersituatie behoeft het beroep op noodweerexces geen nadere bespreking. De rechtbank verwerpt daarom ook het beroep op noodweerexces. De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Bij de formulering van de strafeis heeft de officier van justitie aangevoerd dat hij gelet op de ernst van het feit een gevangenisstraf een passende reactie zou zijn. Omdat er echter sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, is oplegging van een gevangenisstraf niet meer aan de orde. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat aangever behalve een bult op het voorhoofd en een afgebroken tand, verder geen letsel heeft opgelopen. Ook heeft de raadsman aangegeven dat de onderhavige zaak bijna viereneenhalf jaar oud is. Tot slot heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportage van Reclassering Nederland van 16 juli 2021, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een poging tot doodslag. Hij heeft. terwijl het slachtoffer op de grond lag, meermalen tegen zijn hoofd geschopt en geslagen. Verdachte heeft door dit feit een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank weegt in het nadeel van verdachte mee dat het feit heeft plaatsgevonden in een uitgaansgebied, waardoor veel mensen getuige zijn geweest van het geweld. Daardoor heeft verdachte het gevoel van veiligheid van het uitgaanspubliek ernstig aangetast. De rechtbank is van oordeel dat voor dergelijke feiten een gevangenisstraf het uitgangspunt dient te zijn. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat gedragsinterventies en behandeling niet geïndiceerd zijn, omdat de kans op recidive laag wordt ingeschat. De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld. Redelijke termijn De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden. Wel dient de inverzekeringstelling van de verdachte als een zodanige handeling te worden aangemerkt. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. Het strafbare feit heeft op 30 november 2017 plaats gevonden. Verdachte is op 17 april 2018 aangehouden, verhoord en in verzekering gesteld. Het proces-verbaal van politie is op 29 november 2018 gesloten. Op 18 januari 2021 is verdachte geïnformeerd over zijn vervolging. Daarmee is de redelijke termijn in ernstige mate overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding een matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf van geruime tijd in dit geval niet aangewezen is. De rechtbank acht de oplegging van de gevorderde taakstraf van 240 uren passend en geboden. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van twee dagen. Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht. een taakstraf voor de duur van 240 uren. Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast. Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. B.F. Hammerle en mr. J.A.P. Senior, rechters, bijgestaan door D.P. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 augustus
- Mr. Hammerle is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.