← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2021:5753

Uitspraak RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18/097069-20 ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18/270325-19, 18/059787-20, 18/094203-20, 18/09657120 en 18/199367-20 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 februari 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , thans gedetineerd in de [instelling] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 februari 2021. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.R. Logemann, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. Hertogs. Tenlastelegging Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: parketnummer 18/097069-20 hij op of omstreeks 24 maart 2020 te Heerenveen, (althans) in de gemeente Heerenveen, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] (meermalen en/of met kracht) (, ook nadat die [slachtoffer 1] ten val en/of naar de grond was gebracht) tegen het hoofd, en/of (elders) op en/of tegen het lichaam, (met geschoeide voet/voeten) heeft/hebben geschopt/getrapt en/of (meermalen en/of met kracht) tegen het hoofd, en/of (elders) op en/of tegen het lichaam, heeft/hebben geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; parketnummer 18/270325-19 hij op of omstreeks 11 november 2019 te Heerenveen, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een (verkeers)bord (staande aan het [adres] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de gemeente Heerenveen toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt; parketnummer 18/059787-20 primair hij op of omstreeks 5 december 2019 te Heerenveen ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten door vuurwerk in de hal van [bedrijf 1] ( [adres] ) te gooien, met dat opzet dat vuurwerk, in elk geval met dat opzet open vuur in aanraking heeft gebracht met goederen in de hal van [bedrijf 1] , althans met een brandbare stof, en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair hij op of omstreeks 5 december 2019 te Heerenveen op of aan de openbare weg, [adres] , althans op enige voor het publiek toegankelijke plaats, tegen goederen baldadigheid heeft gepleegd, waardoor gevaar of nadeel kon worden teweeggebracht, bestaande die baldadigheid uit het gooien van vuurwerk tegen het gebouw en/of in de hal (van het gebouw) [bedrijf 1] ; parketnummer 18/094203-20 primair hij op of omstreeks 9 en/of 10 oktober 2019 te Heerenveen en/of te [adres] openlijk, te weten, op of aan [adres] te Heerenveen en/of op of aan de [adres] te [adres] , in elk geval op of aan (een) openbare weg(

  1. en)en/of op (een) voor het publiek toegankelijke plaats(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed te weten een of meer (te weten 3) bushokje(
  2. s)door (zwaar) vuurwerk aan te steken en (vervolgens) dat vuurwerk in dat / die bushokje(
  3. s)te leggen en/of te gooien; subsidiair hij op of omstreeks 9 oktober 2019 te Heerenveen en/of te [adres] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een of meer bushokje(s), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), te weten aan [bedrijf 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt; parketnummer 18/096571-20 primair hij in of omstreeks de periode (nacht) van 24 en 25 oktober 2019 te Heerenveen openlijk, te weten, aan of bij diverse openbare weg(
  4. en)aldaar, in elk geval op of aan een of meer openbare weg(
  5. en)en/of op (een) voor het publiek toegankelijke plaats(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer goed(eren) te weten aan of bij de [adres] aldaar tegen een personenauto (Daihatsu Cuore, rood) toebehorende aan [benadeelde partij 1] (aangifte 2/zaak 8, pag. 99 in
  6. pv)en/of tegen een personenauto (Mini, wit) toebehorende aan [benadeelde partij 2] e/o [benadeelde partij 2] (aangifte 6/zaak 16, pag. 118 in
  7. pv)en/of tegen een personenauto (Kia Sportage, zwart) toebehorende aan [benadeelde partij 3] (aangifte 9/zaak 19, pag. 138 in
  8. pv)en/of tegen de ruiten en/of een deur van een of meer gebouw(
  9. en)van de [benadeelde partij 4] toebehorende aan de [benadeelde partij 4] (aangifte 12/zaak 22, pag. 153 in
  10. pv)door een of meer ruit(
  11. en)van die personenauto('
  12. s)en/of een of meer spiegel(
  13. s)van die personenauto('
  14. s)- al dan niet met een voorwerp - in te gooien/slaan en/of te schoppen en/of de ruit(en)/deur van die [benadeelde partij 4] instelling - al dan niet met een voorwerp - in te gooien en/of te schoppen/slaan en/of aan of bij de [adres] aldaar tegen de ruit(
  15. en)van een schoolgebouw toebehorende aan het [benadeelde partij 5] (aangifte 3/zaak 12, pag. 103 in
  16. pv)en/of tegen een personenauto (Peugeot 108, grijs) toebehorende aan [benadeelde partij 6] en/of [benadeelde partij 6] (aangifte 13/zaak 23, pag. 162 in
  17. pv)en/of tegen een bedrijfsbus (Renault Traffic) toebehorende aan [benadeelde partij 7] en/of [benadeelde partij 7] (aangifte 10/zaak 20, pag. 143 in
  18. pv)door de ruit(
  19. en)van dat schoolgebouw - al dan niet met een voorwerp - in te gooien en/of te schoppen/slaan en/of door die auto en/of bedrijfsbus - al dan niet met een (scherp) voorwerp - te bekrassen en/of aan of bij de [adres] aldaar tegen een personenauto (Daihatsu Cuore, grijs) toebehorende aan [benadeelde partij 8] (aangifte 4/zaak 14, pag. 108 in
  20. pv)door over deze personenauto een blik met (zwarte)verf te gooien en/of aan of bij de [adres] aldaar tegen een (houten) bankje toebehorende aan [benadeelde partij 9] " en/of [benadeelde partij 9] (aangifte 5/zaak 15, pag. 113 in
  21. pv)door dit bankje meermalen omver te trappen en/of te gooien en/of aan of bij de [adres] aldaar tegen een of meer ruit(
  22. en)van een schoolgebouw toebehorende aan [benadeelde partij 10] (aangifte 7/zaak 17, pag. 124 in
  23. pv)door met (een) voorwerp(
  24. en)tegen die ruit(
  25. en)te slaan en/of door de ruit(
  26. en)heen te gooien en/of aan of bij de [adres] aldaar tegen de (voor)ruit van een woning toebehorende aan [benadeelde partij 11] (aangifte 8/zaak 18, pag. 130 in
  27. pv)door (een) ste(e)n(
  28. en)tegen de ruit te gooien / slaan en/of aan of bij de [adres] aldaar tegen een personenauto (Alfa Romeo, wit) toebehorende aan [benadeelde partij 12] (aangifte 11/zaak 21, pag. 148 in
  29. pv)door tegen de (buiten)spiegel(
  30. s)van die personenauto te slaan/schoppen; subsidiair hij in of omstreeks de periode van 24 / 25 oktober 2019 te Heerenveen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Daihatsu Cuore, rood) toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of een of meer ruit(
  31. en)van de van Maasdijkschool toebehorende aan [benadeelde partij 5] en/of een personenauto (Daihatsu Cuore, grijs) toebehorende aan [benadeelde partij 8] en/of een (houten) bankje toebehorende aan [benadeelde partij 9] " en/of een personenauto (Mini, wit) toebehorende aan [benadeelde partij 2] en/of een of meer ruit(
  32. en)van het schoolgebouw [benadeelde partij 10] en/of de (voor)ruit van een woning toebehorende aan [benadeelde partij 11] en/of een personenauto (Kia Sportage, zwart) toebehorende aan [benadeelde partij 3] en/of een bedrijfsbus (Renault Traffic) toebehorende aan [benadeelde partij 7] en/of een personenauto (Alfa Romeo, wit) toebehorende aan [benadeelde partij 12] en/of een of meer ruit(
  33. en)en/of een deur van de [benadeelde partij 4] instelling toebehorende aan [benadeelde partij 4] en/of een personenauto (Peugeot 108, grijs)toebehorende aan [benadeelde partij 6] e/o [benadeelde partij 6] in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
  34. s)heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt; parketnummer 18/199367-20 hij op of omstreeks 29 april 2020 te Nijmegen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem (met kracht en/of de elleboog) in/op en/of tegen het gezicht te slaan. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie Ten aanzien van parketnummer 18/059787-20 De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het in de zaak met parketnummer 18/059787-20 primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft bekend dat hij vuurwerk naar binnen heeft gegooid, maar dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om vast te kunnen stellen dat verdachte zijn opzet (ook in voorwaardelijke zin) was gericht op het stichten van brand. Uit het dossier blijkt evenmin dat er gevaar voor goederen is geweest. De subsidiair ten laste gelegde baldadigheid kan wel wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, aldus de officier van justitie. Ten aanzien van parketnummer 18/097069-20 De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd van de in de zaak met parketnummer 18/09706920 primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Zij heeft daartoe aangevoerd dat diverse getuigen een verklaring hebben afgelegd. Hoewel die verklaringen op detail kunnen verschillen, zijn ze in de kern voldoende om te kunnen spreken van betrouwbare verklaringen. Alle verklaringen samen spreken steeds over twee personen die geweld hebben gebruikt. Daarbij is aangever geslagen en gestompt. Hij heeft een high kick gekregen en is later, toen hij op de grond lag, tegen zijn hoofd getrapt. Het hoofd is een kwetsbaar en vitaal lichaamsdeel en trappen tegen het hoofd levert naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijk kans op de dood op. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben deze kans aanvaard. Nu zij beiden geweld op aangever hebben uitgeoefend, kan een bewezenverklaring voor het primair ten laste gelegde volgen. De verklaring van verdachte dat hij niet betrokken is geweest bij de poging doodslag omdat hij niet op de plek is geweest waar dit plaats vond, past niet bij de verklaringen van de getuigen die verdachte hebben gezien op die plek en de verklaringen van getuigen die hebben gezien dat hij aangever op die plek heeft getrapt tegen het hoofd. Voorts heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd van het in de zaken met parketnummer 18/270325-20, parketnummer 18/094203-20 primair, parketnummer 18/096571-20 primair en parketnummer 18/199367-20 ten laste gelegde. Standpunt van de verdediging Ten aanzien van parketnummer 18/097069-20 De raadsman heeft gemotiveerd een algehele vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat sprake is geweest van twee momenten. Tijdens het eerste moment heeft verdachte aangever bij de voordeur van de woning een high kick gegeven. Mede gelet op de aangifte, heeft die trap niet een dusdanig effect gehad dat gesproken kan worden van een zware mishandeling of een poging tot doodslag. Tijdens het tweede moment lag aangever op de grond en werd hij vol op zijn gezicht getrapt. Verdachte heeft ontkend dat hij aangever heeft geschopt terwijl deze op de grond lag. Er zijn diverse getuigen gehoord. Hoewel op grond van de verklaringen van neutrale getuigen en getuigen van de zijde van aangever voldoende wettig bewijs kan worden vastgesteld, ontbreekt de overtuiging dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een poging tot doodslag. De raadsman heeft daarbij verwezen naar de aangifte en de verklaring van de getuige [getuige] . Bovendien sluit de verklaring van verdachte dat hij door de pepperspray in zijn gezicht niet meer in staat was om te schoppen, aan bij de verklaring van de getuige [getuige] . Nu de overtuiging ontbreekt dient verdachte te worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde, aldus de raadsman. Ten aanzien van parketnummer 18/059787-20 De raadsman is van oordeel dat verdachte ten aanzien het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Het subsidiair ten laste gelegde feit kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de ten laste gelegde feiten in de zaken met parketnummer 18/270325-19, parketnummer 18/094203-20 primair, parketnummer 18/096571-20 primair en parketnummer 18/1999367-20 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Oordeel van de rechtbank Ten aanzien van parketnummer 18/059787-20 Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de primair ten laste gelegde poging tot brandstichting niet bewezen kan worden verklaard. Verdachte zal daarom van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken. Ten aanzien van parketnummer 18/097069-20 De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. 1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 maart 2020,opgenomen op pagina 91 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2020074788/2020079541 d.d. 8 juli 2020, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] : Ik doe aangifte van openlijke geweldpleging, gepleegd op 24 maart 2020 te Heerenveen. Ik sprak via WhatsApp met [medeverdachte 2] af om hem te ontmoeten. Ik zou voor zijn huis zijn voor de afspraak. Ik was samen met anderen. Ik parkeerde de auto aan het einde van de straat, naast de school. Ik liep eerst alleen in de richting van de woning van [medeverdachte 2] . Bij zijn woning kwam [medeverdachte 2] niet alleen naar buiten. Er kwamen meerdere personen naar buiten die ik allemaal niet ken. Ik was in gesprek met [medeverdachte 2] toen ik plotseling voelde en zag dat iemand uit de groep van [medeverdachte 2] een trappende beweging maakte naar mijn hoofd. Ik zag en voelde dat ik daadwerkelijk tegen mijn hoofd werd geschopt. Ik zag dat deze trap werd gegeven door een jongen, waarvan ik vermoed dat hij [verdachte] heette. Deze trap deed pijn. Ik riep dat hij normaal moest doen. Gelijk daarop voelde en zag ik dat ik een vuistslag met opzet en met kracht op mijn gezicht kreeg van [medeverdachte 2] . Deze klap deed niet veel pijn. Toen ik in de gaten had dat ze begonnen te slaan, stapten wij achteruit en wilden wij in de richting gaan van mijn auto. Terwijl wij van de woning van [medeverdachte 2] liepen in de richting van mijn auto bij de school werd ik onderweg meerdere keren geschopt en geslagen door meerdere personen. Toen ik eenmaal dicht bij mijn auto kwam, kwam ik ten val naar aanleiding van één van de trappen die ik kreeg. Ik kwam op de grond te liggen en op dat moment voelde ik dat ik door meerdere personen tegen mijn hoofd werd geschopt. Ik kreeg alleen trappen op mijn hoofd. 2. Een schriftelijk bescheid d.d. 1 april 2020, te weten een Forensisch Geneeskundig Letselverslag vanforensisch arts R. Noordbruis van GGD Fryslân, opgenomen op pagina 110 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend: Datum onderzoek: 26 maart 2020 Betrokkene: [slachtoffer 1] Datum onderzoek: 26 maart 2020 Letselbeschrijving rechteroog één verwonding bloeding in de huid. neus drie verwondingen: 1 op neusrug en 2 aan buitenzijde links en rechts, schuurwond linkeroog één verwonding onderhuidse bloeding Vermoeden van inwendig letsel: er is sprake van een breuk van de neus De geconstateerde letsels kunnen zijn ontstaan op het moment zoals betr. heeft verklaard. Mate van overeenkomst tussen opgegeven toedracht en verwonding: Schaal: geheel overeenkomstig. 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 25 maart 2020,opgenomen op pagina 42 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 1] : Op dinsdag 24 maart 2020 zat ik met mijn vrouw in de tuin. Vanuit onze tuin hebben wij rechtstreeks zicht op de [adres] en de daaraan liggende school. Ik zag dat er een jongen op de grond viel. Het is moeilijk in te schatten, maar volgens mij waren er 2 personen die de jongen schopten, die op de grond lag. Ik kon niet goed zien waar ze deze jongen precies raakten. Ik zag dat de jongen die op de grond lag ineen kroop om zichzelf kennelijk te beschermen. Voor zover ik mij kan herinneren werd deze jongen zo’n twee keer geschopt. Elke persoon schopte naar mijns inziens een keer. De personen die er omheen stonden deden geen handelingen 4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 20 april 2020,opgenomen op pagina 81 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam 2] : Op 24 maart 2020 was ik met [naam 4] . We kwamen [verdachte] tegen. We zijn naar [medeverdachte 1] zijn huis gegaan. We wisten dat die [slachtoffer 1] daar zou komen. Dat hij wilde praten. [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn naar buiten gelopen. [medeverdachte 1] zijn moeder, [naam 3] , [naam 4] en ik liepen ook mee. Ze stonden voor de woning eerst gewoon te praten. Het ging er dus over dat [medeverdachte 1] werd beschuldigd van iets en toen zei [medeverdachte 1] dat het niet zo was. [slachtoffer 1] bleef maar volhouden dat zij het wel waren geweest. Toen is de eerste trap uitgedeeld door [verdachte] . Toen trok [slachtoffer 1] pepperspray. Hij begon in het rond te sprayen. Hij heeft [verdachte] ook geraakt. Toen werden [medeverdachte 1] en [verdachte] boos en die begonnen tegen [slachtoffer 1] te schreeuwen. [slachtoffer 1] en die andere jongens bij [slachtoffer 1] renden weg. Toen zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] er ook achteraan gerend. Ze renden naar de hoek van de straat. Daar zijn ook een paar klappen uitgedeeld. [slachtoffer 1] stond daar een beetje voor over gebogen en toen begonnen [verdachte] en [medeverdachte 1] hem in zijn buik en op zijn gezicht te slaan. Toen lag [slachtoffer 1] op de grond. Wij dachten toen het is wel klaar. Maar toen is er ook nog een paar keer kopgeschopt. Terwijl hij op de grond lag werd hij een paar keer tegen de achterkant van zijn hoofd geschopt. Dat deed [verdachte] . is begonnen met trappen. Hij raakte [slachtoffer 1] op zijn kaak. Op het hoekje sloegen [verdachte] en [medeverdachte 1] beide. Ik denk drie stoten ieder. [slachtoffer 1] werd geraakt op zijn neus. Ik heb niet gezien dat hij naar de grond is getrapt. [verdachte] en [medeverdachte 1] trapten hem toen in zijn rug en tegen zijn hoofd. Niet tegen de voorkant van zijn hoofd. 5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 25 maart 2020,opgenomen op pagina 51 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] : Nadat [slachtoffer 1] op de grond kwam te liggen, zag ik dat [medeverdachte 2] met kracht meerdere trappen gaf op het gezicht van [slachtoffer 1] . Volgens mij waren het sportschoenen die [medeverdachte 2] droeg. 6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 april 2020,opgenomen op pagina 184 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [verdachte] : V: Wat voor schoenen droeg jij op dat moment? A: Of die Cruijff of die witte Nikes. Bewijsoverweging Naar aanleiding van de vechtpartij zijn aangever, verdachte en diverse getuigen gehoord. Aangever heeft verklaard dat hij door meerdere personen tegen zijn hoofd werd getrapt, terwijl hij op de grond lag. De getuige [naam 2] heeft onder meer verklaard dat verdachte en [medeverdachte 1] aangever meerdere keren in zijn rug en tegen zijn hoofd hebben getrapt toen hij op de grond lag. De rechtbank begrijpt dat met [medeverdachte 1] medeverdachte [medeverdachte 1] wordt bedoeld. De onafhankelijke getuige [naam 1] heeft onder meer verklaard dat hij heeft gezien dat een jongen op de grond viel en dat er twee personen waren die de jongen die op de grond lag, schopten. Nu overigens uit het procesdossier niet blijkt dat anderen dan verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] geweld jegens aangever hebben toegepast, acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij niet betrokken is geweest bij dat geweld, niet aannemelijk. De rechtbank is op grond van voornoemde bewijsmiddelen van oordeel dat er voldoende wettige bewijsmiddelen zijn op grond waarvan de rechtbank ook de overtuiging heeft dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] geweld hebben verricht jegens aangever [slachtoffer 1] . Dat geweld heeft bestaan uit het slaan/stompen en het met kracht schoppen tegen het hoofd van aangever. Voorts stelt de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] samen naar buiten zijn gegaan, dat zij samen geweldshandelingen jegens aangever hebben verricht en dat zij daarna achter hem aan zijn gegaan en opnieuw geweld hebben gepleegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] , en dus van medeplegen. De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is hoe het handelen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] moet worden gekwalificeerd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] meermalen heeft geslagen en met geschoeide voet heeft geschopt tegen het hoofd van aangever, ook toen hij op de grond lag. Gelet op de verklaring van getuige [getuige] en het letsel dat aangever heeft opgelopen, een gebroken neus, gaat de rechtbank ervan uit dat dit met kracht is gebeurd. Naar algemene ervaringsregels kan het meermalen met geschoeide voet en met kracht schoppen tegen het hoofd leiden tot de dood, omdat het schedel- en hersenletsel met dodelijke afloop tot gevolg kan hebben. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang en verband beschouwd, moet de kans op de dood als gevolg van de gedragingen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] in deze zaak als aanmerkelijk worden aangemerkt. Uit de aard van die gedragingen blijkt ook dat deze kans bewust is aanvaard. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat zij door hun handelen aangever dodelijk hebben kunnen verwonden, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever. Op grond van het voorgaande kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op aangever. De rechtbank acht de feiten inzake parketnummer 18/270325-19, parketnummer 18/059787-20 subsidiair, parketnummer 18/094203-20 primair, parketnummer 18/096571-20 primair en parketnummer 18/199367-20 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Deze opgave luidt als volgt: 1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 februari 2021; Ten aanzien van parketnummer 18/270325-19 2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 12 november 2019, opgenomen op pagina 25 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019300259 d.d. 17 november 2019, inhoudende de verklaring van [naam 5] . Ten aanzien van parketnummer 18/059787-20 3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 februari 2020, opgenomen op pagina 10 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2020051895 d.d. 11 maart 2020, inhoudende de verklaring van [naam 6] . Ten aanzien van parketnummer 18/094203-20 4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 november 2019, opgenomen op pagina 16 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 201926791 d.d. 5 december 2019, inhoudende de verklaring van [naam 7] . Ten aanzien van parketnummer 18/096571-20 5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlage, d.d. 7 november 2019, opgenomen op pagina 91 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019313311 d.d. 21 december 2019, inhoudende de verklaring van [benadeelde partij 1] ; 6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlage, d.d. 27 oktober2019, opgenomen op pagina 110 e.v. van voornoemd proces-verbaal, inhoudende de verklaring van [benadeelde partij 2] ; 7. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlage, d.d. 16 november2019, opgenomen op pagina 130 e.v. van voornoemd proces-verbaal, inhoudende de verklaring van [benadeelde partij 3] ; 8. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlage, d.d. 29 oktober2019, opgenomen op pagina 145 e.v. van voornoemd proces-verbaal, inhoudende de verklaring van [naam 8] ; 9. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlage, d.d. 14 november2019, opgenomen op pagina 95 e.v. van voornoemd proces-verbaal, inhoudende de verklaring van [naam 9] ; 10. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 november 2019,opgenomen op pagina 153 e.v. van voornoemd proces-verbaal, inhoudende de verklaring van [benadeelde partij 6] ; 11. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlage, d.d. 16 november 2019, opgenomen op pagina 135 e.v. van voornoemd proces-verbaal, inhoudende de verklaring van [benadeelde partij 6] ; 12. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlage, d.d. 25 oktober2019, opgenomen op pagina 100 e.v. van voornoemd proces-verbaal, inhoudende de verklaring van [benadeelde partij 8] ; 13. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlage, d.d. 26 oktober2019, opgenomen op pagina 105 e.v. van voornoemd proces-verbaal, inhoudende de verklaring van [benadeelde partij 9] ; 14. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlage, d.d. 28 oktober2019, opgenomen op pagina 116 e.v. van voornoemd proces-verbaal, inhoudende de verklaring van [naam 10] ; 15. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 oktober 2019,opgenomen op pagina 122 e.v. van voornoemd proces-verbaal, inhoudende de verklaring van [benadeelde partij 11] ; 16. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlage, d.d. 16 november 2019, opgenomen op pagina 140 e.v. van voornoemd proces-verbaal, inhoudende de verklaring van [benadeelde partij 12] . Ten aanzien van parketnummer 18/199367-20 17. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte, d.d. 20 mei 2020, opgenomen op pagina 211 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2020074788/ 2020079541 d.d. 8 juli 2020, inhoudende de verklaring van [naam 11] . Bewezenverklaring De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/097069-20, parketnummer 18/270325-19, parketnummer 18/059787-20 subsidiair, parketnummer 18/094203-20 primair, parketnummer 18/096571-20 primair en parketnummer 18/199367-20 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: parketnummer 18/097069-20 hij op 24 maart 2020 te Heerenveen, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen en met kracht, nadat die [slachtoffer 1] ten val was gebracht met geschoeide voeten tegen het hoofd heeft geschopt en tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; parketnummer 18/270325-19 hij op 11 november 2019 te Heerenveen, opzettelijk en wederrechtelijk een verkeersbord staande aan het [adres] , dat aan de gemeente Heerenveen toebehoorde, heeft vernield; parketnummer 18/059787-20 subsidiair hij op 5 december 2019 te Heerenveen op de openbare weg, [adres] tegen goederen baldadigheid heeft gepleegd, waardoor gevaar of nadeel kon worden teweeggebracht, bestaande die baldadigheid uit het gooien van vuurwerk tegen het gebouw en in de hal van het gebouw [bedrijf 1] ; parketnummer 18/094203-20 primair hij op 9 oktober 2019 te Heerenveen en [adres] openlijk, te weten aan [adres] te Heerenveen en op de [adres] te [adres] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen 3 bushokjes door zwaar vuurwerk aan te steken en vervolgens dat vuurwerk in die bushokjes te gooien; parketnummer 18/096571-20 primair hij in de periode van 24 en 25 oktober 2019 te Heerenveen openlijk, te weten aan diverse openbare wegen aldaar, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen, te weten aan de [adres] aldaar tegen een personenauto (Daihatsu Cuore, rood) toebehorende aan [benadeelde partij 1] en tegen een personenauto (Mini, wit) toebehorende aan [benadeelde partij 2] e/o [benadeelde partij 2] en tegen een personenauto (Kia Sportage, zwart) toebehorende aan [benadeelde partij 3] en tegen de ruiten en een deur van gebouwen van de [benadeelde partij 4] toebehorende aan de [benadeelde partij 4] door een ruit en spiegels van die personenauto's - al dan niet met een voorwerp - in te slaan en/of te schoppen en de ruiten/deur van die [benadeelde partij 4] instelling - al dan niet met een voorwerp - in te gooien en aan de [adres] aldaar tegen de ruiten van een schoolgebouw toebehorende aan het [benadeelde partij 5] en tegen een personenauto (Peugeot 108, grijs) toebehorende aan [benadeelde partij 6] en tegen een bedrijfsbus (Renault Traffic) toebehorende aan [benadeelde partij 7] door de ruiten van dat schoolgebouw - al dan niet met een voorwerp - in te gooien en door die auto en bedrijfsbus - al dan niet met een (scherp) voorwerp - te bekrassen en aan de [adres] aldaar tegen een personenauto (Daihatsu Cuore, grijs) toebehorende aan [benadeelde partij 8] door over deze personenauto zwarte verf te gooien en aan de [adres] aldaar tegen een houten bankje toebehorende aan [benadeelde partij 9] " door dit bankje omver te trappen en te gooien en aan de [adres] aldaar tegen ruiten van een schoolgebouw toebehorende aan [benadeelde partij 10] door met voorwerpen tegen die ruiten te slaan en door de ruiten heen te gooien en aan de [adres] aldaar tegen de voorruit van een woning toebehorende aan [benadeelde partij 11] door een steen tegen de ruit te gooien en aan de [adres] aldaar tegen een personenauto (Alfa Romeo, wit) toebehorende aan [benadeelde partij 12] door tegen de buitenspiegel van die personenauto te slaan/schoppen; parketnummer 18/199367-20 hij op 29 april 2020 te Nijmegen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem met de elleboog in het gezicht te slaan. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: parketnummer 18/097069-20 Medeplegen van poging tot doodslag. parketnummer 18/270325-19 Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen. parketnummer 18/059787-20 subsidiair Straatschenderij parketnummer 18/094203-20 primair Openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen, terwijl de schuldige opzettelijk goederen vernielt, meermalen gepleegd. parketnummer 18/096571-20 primair Openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen, terwijl de schuldige opzettelijk goederen vernielt, meermalen gepleegd. parketnummer 18/199367-20 Mishandeling. Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het in de zaken met parketnummer 18/097069-20 primair, parketnummer 18/270325-19, parketnummer 18/059787-20 subsidiair, parketnummer 18/094203-20 primair, parketnummer 18/096571-20 primair en parketnummer 18/199367-20 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 213 dagen met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie de maatregel tot Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) gevorderd. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 213 dagen en oplegging van de PIJ-maatregel gelet op de door hem bepleite vrijspraak in de zaak met parketnummer 18/097069-20, niet aan de orde is. Voorts heeft de raadsman aangegeven dat het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdreclassering met betrekking tot de PIJmaatregel onvoldoende is onderbouwd en onvoldoende aansluit op verdachte zijn beperkingen. De raadsman heeft verzocht het kader na de stabilisatieperiode te onderzoeken alvorens de rechtbank overgaat tot het opleggen van de PIJ-maatregel. Tot slot heeft de raadsman aangegeven dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel en andere mogelijkheden zoals residentiële zorg vanuit een kliniek met medicatie, niet of onvoldoende zijn onderzocht. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Aard en ernst van het bewezenverklaarde Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een groot aantal strafbare feiten, waaronder het medeplegen van een poging tot doodslag. Verdachte heeft daarbij samen met een ander aangever meermalen met kracht tegen zijn hoofd geschopt en geslagen. Aangever heeft daarbij een gebroken neus opgelopen waarvoor hij is geopereerd. De lichamelijke integriteit is voor iedereen een groot goed en de rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij hier een inbreuk op heeft gemaakt door aangever aanzienlijk letsel toe te brengen. Uit de toelichting op het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat het handelen van verdachte en de ander een grote impact op hem heeft gehad. Niet alleen ervaart aangever nog steeds lichamelijke klachten, ook voelt hij zich onveilig en slaapt nog steeds slecht. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een mishandeling. Ook met dit feit heeft verdachte laten zien geen respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van een ander. Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een vernieling, openlijk geweld tegen goederen en baldadigheid. Verdachte heeft hiermee laten zien geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Strafblad en rapportages Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor meerdere geweldsmisdrijven, waaronder een poging tot zware mishandeling en openlijk geweld. Over verdachte zijn verschillende rapportages opgemaakt. De rechtbank heeft met name gelet op de volgende rapportages: het trajectconsult door mevr. [naam 12] , van 14 mei 2020; de rapportage negatieve terugmelding van de Jeugd- en Gezinsbescherming, van 15 juli 2020; het klinisch multidisciplinaire onderzoek van het forensisch centrum Teylingereind van 25 januari 2021, inhoudende de rapportages van B.G.J. Gunnewijk, kinder- en jeugdpsychiater en A.J. van den Dorpel, GZ-psycholoog; - de rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming, van 5 februari 2021 en 12 februari 2021. Ter terechtzitting van 11 februari 2021 hebben mevrouw [naam 13] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), en de heer [naam 13] , namens de Jeugd- en Gezinsbescherming (hierna: de jeugdreclassering), een toelichting gegeven op de rapportages. PIJ-maatregel De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat het noodzakelijk is dat verdachte een behandeling ondergaat. De vraag is in welk kader dit dient plaats te vinden. De officier van justitie heeft een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel gevorderd. De vereisten om een PIJ-maatregel op te leggen staan opgesomd in artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Het moet gaan om een strafbaar feit met - voor zover van belang - een strafmaximum van tenminste vier jaren gevangenisstraf, er moet sprake zijn van een stoornis of gebrekkige ontwikkeling van verdachte, de veiligheid van personen of de algemene veiligheid van personen of goederen moet oplegging van de maatregel eisen en de maatregel moet in het belang zijn van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte. De rechtbank stelt vast dat het door verdachte gepleegde feit in de zaak met parketnummer 18/097069-20 een feit betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Verdachte is psychiatrisch en psychologisch onderzocht. Beide deskundigen concluderen dat bij verdachte, naast ADHD, sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline kenmerken. Verder is sprake geweest van problematisch cannabis- en alcoholgebruik waarvan nu, in een gestructureerde omgeving en er belangen op het spel staan, geen sprake is. Voornoemde psychische problematiek heeft zich vanaf jonge leeftijd ontwikkeld en is al langere tijd structureel aanwezig. De feiten zijn onder invloed van deze problematiek gepleegd. De deskundigen concluderen dat verdachte ten aanzien van de feiten onder parketnummer 18/097069-20 en parketnummer 18/199367-20 verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Ten aanzien van de overige feiten was verdachte volledig toerekeningsvatbaar, aldus de deskundigen. De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen, neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat in de zaken met parketnummer 18/097069-20 en parketnummer 18/199367-20 het bewezen verklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend. Met betrekking tot de overige parketnummers concludeert de rechtbank dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar was. De deskundigen zien, ondanks eerdere hulp, een oplopend patroon van gewelddadig gedrag. Het risico op toekomstig gewelddadig gedrag bij het ontbreken van een intensieve behandeling van zijn problematiek, wordt door hen als hoog ingeschat. Voorts concluderen de deskundigen dat in het ambulant strafrechtelijk kader de behandelingsmogelijkheden herhaaldelijk hebben gefaald. Haalbare alternatieven zijn er niet meer, behalve een langer durende residentiële behandeling in een gedwongen justitieel kader. In eerste instantie dienen verdachte zijn regulerende functies, zijn zelfbeeld en motivatie voor gedragsverandering verbeterd te worden. Daarna kan op termijn een geleidelijke resocialisatie gestart worden, waarbij de ouders in de behandeling betrokken kunnen worden. De deskundigen adviseren, gelet op de ernst van de psychische problematiek en het hoge recidivegevaar, het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. De Raad heeft aangegeven dat hij zich aansluit bij het beeld dat de psychiater en psycholoog hebben verkregen en bij de door hen geconstateerde zorgen en risico's. De Raad adviseert dat aan verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van het voorarrest en een onvoorwaardelijke PIJmaatregel wordt opgelegd. Mevrouw [naam 13] heeft ter terechtzitting het advies van de Raad bevestigd. Namens de jeugdreclassering heeft de heer [naam 13] ter terechtzitting verklaard dat verdachte een belast verleden heeft en dat de situatie schrijnend en zorgelijk is. Een ambulante behandeling wordt als te complex ingeschat en het risico op mislukking is groot. De jeugdreclassering ziet daarom geen andere mogelijkheden dan het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Op grond van hetgeen de psycholoog, de psychiater, de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering in hun rapporten vermelden, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. Hoewel de rechtbank goed begrijpt dat een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel zwaar voor verdachte zal zijn, ziet de rechtbank gelet op de uitgebrachte rapportages geen andere mogelijkheden. De rechtbank zal aan verdachte daarom de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opleggen. De rechtbank overweegt verder dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en dat bij verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Verlenging van de PIJ- maatregel is in dit geval mogelijk voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest, zijnde 225 dagen, opleggen. Voor de overtreding straatschenderij zal de rechtbank geen afzonderlijke straf opleggen. Benadeelde partijen Ten aanzien van parketnummer 18/097069-20 [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 385,00 ter vergoeding van materiële schade en € 4.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Daarnaast is een bedrag van € 19,77 aan proceskosten (reiskosten) gevorderd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade geheel dient te worden toegewezen, alsmede de gevorderde proceskosten. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft zij zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 3.000,00 kan worden toegewezen. In totaal kan een bedrag van € 3.404,77 hoofdelijk worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de gijzeling op 0 dagen worden bepaald, en met vermeerdering van de wettelijke rente. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft gelet op de door hem bepleite vrijspraak geen verweer gevoerd. Oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade ad € 385,00 heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 18/097069-20 bewezen verklaarde. Ten aanzien van de gestelde immateriële schade acht de rechtbank een bedrag van € 3.000,00 passend. In totaal zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.385,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2020. De rechtbank zal bepalen dat de duur van de vervangende jeugddetentie en de gijzeling 0 dagen is. De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij reiskosten heeft gemaakt. Deze worden als gevorderde proceskosten op de voet van artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering aangemerkt. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot betaling van de reiskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, te weten € 19,77. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Ten aanzien van parketnummer 18/096571-20 [benadeelde partij 3] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 816,37 ter vergoeding van materiële schade. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering moet worden verklaard, omdat de verzekering de totale schade reeds heeft vergoed. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat nu de verzekering de schade heeft vergoed, de vordering niet meer aan de orde kan komen. [benadeelde partij 8] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 516,69 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schade hoofdelijk dient te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de gijzeling op 0 dagen worden bepaald, en met vermeerdering van de wettelijke rente. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat de kinderrechter in de zaak van een medeverdachte € 429,69 heeft toegewezen en dat de raadsman zich aan dat bedrag kan conformeren. Oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij materiële schade tot een bedrag van € 426,69 heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18/096571-20 bewezen verklaarde. Dat deel van de vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 oktober 2019. De rechtbank zal bepalen dat de duur van de vervangende jeugddetentie en de gijzeling 0 dagen is. De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een of meer anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte(
  35. n)deze al heeft betaald, en andersom. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 63, 77a, 77g, 77i, 77s, 141, 287, 300, 350 en 424 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 18/059787-20 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaken met parketnummer 18/097069-20 primair, parketnummer 18/270325-19, parketnummer 18/059787-20 subsidiair, parketnummer 18/094203-20 primair, 18/096571-20 primair en 18/199367-20 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen alsmede een jeugddetentie voor de duur van 225 dagen. Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht. Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 3.385,00 (zegge: drieduizenddriehonderdvijfentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2020 en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 3.385,00 (zegge: drieduizenddriehonderdvijfentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2020, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 0 dagen vervangende jeugddetentie en gijzeling en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 385,00 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade. Bepaalt daarbij dat, indien verdachte of de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , daarmee de verplichting van verdachte of de mededader om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte of de mededader aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 19,77 (zegge: negentien euro en zevenenzeventig eurocent). Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 8] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 426,69 (zegge: vierhonderdzesentwintig euro en negenenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2020 en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(
  36. s)van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 8] , te betalen een bedrag van € 426,69 (zegge: vierhonderdzesentwintig euro en negenenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2020, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 0 dagen vervangende jeugddetentie en gijzeling en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(
  37. s)van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. Bepaalt daarbij dat, indien verdachte of de mededader(
  38. s)heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 8] , daarmee de verplichting van verdachte of de mededader om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte of de mededader aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. Verklaart de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 8] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.R. de Vries en mr. B.F. Hammerle, rechters, bijgestaan door D.P. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 februari 2021. Mr. M.R. de Vries en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.