← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2021:5757

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Meervoudige kamer Locatie Assen zaak-/rekestnummer: C/19/136943 / FA RK 21-1681 beschikking d.d. 17 november 2021 inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats 1] , hierna ook te noemen de vrouw, advocaat mr. M. de Winter, kantoorhoudende te Geesbrug, tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats 1] , hierna ook te noemen de man, advocaat mr. B.L. van Riel, kantoorhoudende te Assen. 1Procesverloop 1.

  1. De vrouw heeft op 17 augustus 2021 een verzoekschrift ingediend waarin zij verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, haar vervangende toestemming te geven voor een verhuizing met de kinderen naar [woonplaats 2] en inschrijving van de kinderen op de [school] in [woonplaats 2] . 1.
  2. De man heeft op 2 september 2021 een verweerschrift tevens houdende een zelfstandig verzoek ingediend. De man verzoekt bij beschikking de verzoeken van de vrouw niet ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en:
  3. de volgende aangepaste zorgregeling tussen de man en de kinderen vast te stellen: de man haalt in 2 van de 3 weken de kinderen op woensdag bij de buitenschoolse opvang (hierna: de BSO) om 15:30 uur op en dan zijn ze bij hem tot na het avondeten om 19:00 uur als hij nachtdienst heeft en tot donderdagochtend tot aan schooltijd als hij een andere dienst heeft; om de week zijn de kinderen in het weekend bij de man van vrijdag uit school in de week dat hij nachtdienst heeft of vanuit de BSO om 15:30 uur als de man andere diensten heeft, tot zondag na het avondeten om 19:00 uur indien de man nachtdienst heeft of tot maandag tot schooltijd als hij andere diensten heeft;  de vakanties worden bij helfte verdeeld in onderling overleg;
  4. Indien de vrouw haar verhuizing toch doorzet, zonder vervangende toestemming voor de kinderen, dan verzoekt de man een zorgregeling tussen de vrouw en de kinderen vast te stellen zoals aangegeven in het verweerschrift, waarbij de kinderen voor het overige bij de man verblijven. De vakanties blijven bij helfte verdeeld, waarbij de vrouw de kinderen haalt en brengt;
  5. Indien de vrouw toestemming krijgt om met de kinderen naar [woonplaats 2] te verhuizen, verzoekt de man de volgende zorgregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen: 2 van de 3 woensdagen in de 3 weken brengt de vrouw de kinderen op woensdag na schooltijd naar de man en haalt de vrouw ze daar op die woensdagavond om 19:00 uur weer op; om de week zijn de kinderen bij de man vanaf vrijdag na schooltijd tot zondag 19:00 uur, waarbij de vrouw de kinderen haalt en brengt; de vakanties blijven bij helfte verdeeld, waarbij de vrouw de kinderen haalt en brengt. 1.
  6. De vrouw heeft op 15 oktober 2021 een verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken, tevens houdende een aanvullend verzoek, ingediend tot wijziging van de overeengekomen zorgregeling als door de vrouw weergegeven. 1.
  7. De rechtbank heeft de zaak behandeld ter mondelinge behandeling met gesloten deuren van 28 oktober 2021 in aanwezigheid van de vrouw, bijgestaan door mr. F. Zoer, als waarneemster van mr. M. de Winter, de man, bijgestaan door mr. B.L. van Riel, en mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming. 1.
  8. De advocaten hebben het woord gevoerd aan de hand van door hen overgelegde pleitaantekeningen en pleitnotities. 2De feiten 2.
  9. Partijen zijn op [datum] 2006 te [woonplaats 1] een geregistreerd partnerschap aangegaan. Bij beschikking van 18 september 2019 is de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken. Uit hun relatie zijn de volgende kinderen geboren: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] . Partijen hebben samen het gezag over de kinderen. 2.
  10. In verband met het beëindigen van hun relatie zijn partijen op 22 juli 2019 een ouderschapsplan overeengekomen. Het ouderschapsplan is aan de beschikking van 18 september 2019 gehecht en maakt daarvan deel uit. 2.
  11. In het ouderschapsplan zijn partijen, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende overeengekomen. "ZIJ NEMEN HET VOLGENDE IN AANMERKING: (…) Uitgangspunt van de huidige woonsituatie is dat moeder en vader in [woonplaats 1] wonen. (…) De bedoeling is dat beide ouders in [woonplaats 1] blijven wonen. (…) Artikel 2 - Hoofdverblijf / verhuizing/ paspoort De kinderen wonen bij moeder en zullen op haar adres in het bevolkingsregister van de gemeente [woonplaats 1] ingeschreven staan. (…) Beide ouders hebben de intentie dat hun kinderen in [woonplaats 1] naar school kunnen gaan. Bij zwaarwegende redenen om buiten de directe omgeving van [woonplaats 1] (5 kilometer) te gaan wonen of indien vader of moeder gaat verhuizen, dan zullen beide ouders overleggen over mogelijke aanpassingen van de afspraken in dit ouderschapsplan. (…) Artikel 3.
  12. Zorg- /contactregeling De ouders zijn een zorg-/ en contactregeling overeengekomen zoals beschreven in bijlage I. (…) Artikel 3.
  13. Vervoer (…) De ouder bij wie de kinderen niet verblijven, haalt hun kinderen bij de andere ouder, de school of de sport, wanneer er gewisseld gaat worden , tenzij anders overeengekomen. (…) Aanvullende afspraken Vader en moeder zijn het erover eens dat hun kinderen de kans moeten krijgen om een stabiel sociaal leven op te bouwen en een ongestoorde schoolloopbaan te kunnen doorlopen. Zij komen daarom overeen dat, als een van hen zou besluiten verder weg te gaan wonen, bijvoorbeeld 5 kilometer buiten de huidige woonsituatie, de regeling qua wonen en verblijf zodanig wordt aangepast dat hun kinderen niet naar een andere school hoeft of buiten bereik van haar vrienden en clubs (sociale leefomgeving) moet gaan wonen. Wijzigingen (…) Indien één van beide ouders op meer dan 5 km gaat wonen, buiten de sociale woonomgeving van hun kinderen, dan is dat aanleiding de gemaakte afspraken in het ouderschapsplan te herzien en aan te passen aan de gewijzigde omstandigheid. (…) 3Standpunt van de vrouw Met betrekking tot de vervangende toestemming 3.
  14. De vrouw legt aan haar verzoeken ten grondslag dat de verhouding tussen partijen moeizaam is. Na het uiteengaan van partijen zijn zij dicht bij elkaar blijven wonen, omdat dit de enige mogelijkheid voor de vrouw was om vervangende woonruimte te krijgen. De vrouw ervaart veel bemoeienis van de man met haar leven. Omdat partijen dichtbij elkaar wonen, voelt de vrouw zich door de man gecontroleerd. Daarbij komt dat de kinderen en de vrouw in deze woning niet op dezelfde verdieping slapen, waardoor de vrouw deze woning niet echt geschikt vindt. De vrouw heeft na de breuk met de man een nieuwe bestendige relatie gekregen met een partner die in [woonplaats 2] woont. De vrouw wenst met hem te gaan samenwonen in zijn woning in [woonplaats 2] . De vrouw brengt daar met de kinderen al een deel van de tijd door. De partner van de vrouw heeft de woning in 2018 gekocht en helemaal naar zijn wensen verbouwd. Alle slaapkamers zijn op dezelfde verdieping en de woning heeft een mooie tuin. De vrouw voelt zich prettig in [woonplaats 2] . Daarbij zijn de woningen in [woonplaats 1] voor hen veel te duur. De kinderen hebben nu nog een leeftijd waarop ze gemakkelijk naar een andere plaats kunnen verhuizen. Op een latere leeftijd nog gaan verhuizen is veel lastiger. Een verhuizing hoeft wat de vrouw betreft niet te leiden tot grote wijzigingen in de mate waarin de kinderen tijd met de man doorbrengen, indien de man bereid is om op woensdagmiddag de kinderen op te halen in [woonplaats 2] . De vrouw blijft werken in [woonplaats 1] en kan in belangrijke mate het vervoer van de kinderen op zich nemen. Als het omgangsmoment van de woensdagmiddag naar de donderdagmiddag wordt verplaatst, zou dat nog meer mogelijkheden geven. De vrouw wil de kinderen na de verhuizing inschrijven op de [school] in [woonplaats 2] . Het is een kleine school en passend bij de christelijke opvoeding die de kinderen krijgen. De man wenst aan de verhuizing en de inschrijving op de school geen medewerking te verlenen, zodat de vrouw geen andere optie ziet dan de rechtbank om vervangende toestemming te vragen. Met betrekking tot de zorgregeling 3.
  15. De vrouw voert verweer tegen de door de man verzochte wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De verzochte regeling is onduidelijk en blijft afhankelijk van de vraag of de man een nachtdienst of een andere dienst heeft. Dit is niet in het belang van de kinderen en staat haaks op de mogelijkheden die de man zegt te hebben om in zijn werktijden veranderingen door te voeren. De vrouw vertrouwt er ook niet op dat de man er ook daadwerkelijk voor de kinderen zal zijn. Dit was tijdens de relatie van partijen ook niet het geval. Dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de man zouden moeten krijgen, is al helemaal niet in het belang van de kinderen. De man heeft niet de mogelijkheden om de primaire verzorger en opvoeder van de kinderen te zijn. Hij is niet in staat om de kinderen dezelfde mate van rust en stabiliteit te bieden als de vrouw. De vrouw heeft haar leven altijd naar de kinderen ingericht. Mocht de man, in het geval de vrouw naar [woonplaats 2] verhuist, geen aandeel willen leveren in het halen en brengen van de kinderen op 2 van de 3 woensdagmiddagen, dan verzoekt de vrouw de thans bestaande zorgregeling te wijzigen. Als de man met zijn werkgever kan regelen dat hij in ieder geval een keer per 14 dagen op de vrijdag voorafgaand aan het weekend dat de kinderen bij hem zijn, geen avonddienst heeft, dan kunnen de kinderen standaard een keer per veertien dagen na school bij de man gebracht worden. Voorts kunnen de kinderen wekelijks op donderdag na schooltijd tot 19.00 uur bij de man zijn als vervanging van de nu geldende woensdagmiddag. 4Standpunt van de man Met betrekking tot de vervangende toestemming 4.
  16. De man stelt dat er voor de vrouw geen enkele noodzaak is om naar [woonplaats 2] te verhuizen, anders dan de persoonlijke wens van de vrouw. De vrouw kan met haar nieuwe partner ook een leven opbouwen in [woonplaats 1] . De vrouw heeft haar hele leven in [woonplaats 1] gewoond. De man ziet niet in waarom er getornd moet worden aan de woon- en leefomgeving van de kinderen. De kinderen zijn geworteld in [woonplaats 1] en niet in [woonplaats 2] . Hun perspectieven liggen in [woonplaats 1] . Het gaat goed met hen op school. In [woonplaats 1] kunnen ze, zoals ook nu al gebeurt, zelfstandig naar beide ouders blijven gaan. Een verhuizing naar [woonplaats 2] levert voor de kinderen meer nadelen op dan voordelen. De man werkt in 3-wekelijkse ploegendienst met achtereenvolgend een dagdienst, dan een nachtdienst en tenslotte een avonddienst. De man haalt in twee van die drie weken de kinderen op woensdag om 15:30 uur op bij de BSO en dan zijn ze bij hem tot 19:00 uur. Om de week zijn de kinderen in het weekend bij de man van vrijdag ofwel uit school (in de week dat hij nachtdienst heeft) ofwel vanuit de BSO om 15:30 uur (als hij een andere dienst heeft) tot zondagavond 19:00 uur. De kinderen komen daarnaast ook spontaan bij de man langs. De zorgregeling loopt goed en het ‘in- en uitvliegen’ van de kinderen bij beide ouders zal met het ouder worden van de kinderen alleen maar toenemen in plaats van afnemen. Partijen hadden dit bij het uit elkaar gaan ook nadrukkelijk voor ogen en hebben de afspraken in het ouderschapsplan daar op afgestemd. De man wil absoluut niet dat de kinderen door een onnodige verhuizing uit hun omgeving worden getrokken. De man vindt het belangrijk dat de vrouw in [woonplaats 1] blijft wonen en dat de kinderen zich op dit moment niet hoeven aan te passen aan een geheel nieuwe situatie. Met betrekking tot de zorgregeling 4.
  17. Mocht de rechtbank het verzoek van de vrouw niet toewijzen, dan verzoekt de man de thans geldende zorgregeling aan te passen. De man kan deze - kleine - aanpassing regelen met zijn werkgever. De huidige zorgregeling dient in dat geval te worden omgedraaid in die zin dat de kinderen elke woensdag en om de week een weekend bij de vrouw verblijven. De man wil dan ook wel meedenken over een andere invulling. De man kan dit regelen met zijn werkgever. Mocht de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen, dan verzoekt de man te bepalen dat de vrouw de kinderen op de woensdagen naar hem toebrengt en weer bij hem ophaalt, en dat de kinderen om de week van vrijdag na schooltijd tot zondag 19.00 uur bij de man zijn, waarbij ook de vrouw zorgdraagt voor het halen en brengen van de kinderen. 5Beoordeling Met betrekking tot de vervangende toestemming 5.
  18. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd. 5.
  19. Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW moet de rechtbank in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over hun kinderen belast zijn en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van de verzorgende ouder en de kinderen, een zodanige beslissing nemen als de rechtbank in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer ook het belang van het kinderen een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. De rechtbank dient bij de beslissing alle omstandigheden in aanmerking te nemen en alle betrokken belangen af te wegen, waaronder de noodzaak om te verhuizen, de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid, de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren, de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg, de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving, de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg, de leeftijd van de minderjarige en de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing. 5.
  20. De rechtbank stelt voorop dat partijen bij het uiteengaan in 2019 een ouderschapsplan zijn overeengekomen waarin zij hebben vastgelegd dat het de bedoeling is dat zij beiden in [woonplaats 1] zullen blijven wonen en dat zij de intentie hebben dat de kinderen daar opgroeien. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat deze afspraken onvoldoende doordacht zijn. Niet alleen is dit gemotiveerd door de man betwist, het volgt ook niet uit de wijze waarop de afspraken in het ouderschapsplan zijn geformuleerd. Voorts is er in de aanvullende afspraken nogmaals melding gemaakt van het uitgangspunt dat de kinderen in de directe omgeving van [woonplaats 1] zullen opgroeien. Partijen zijn een uitgebreide zorgregeling overeengekomen. Tussen partijen is niet in geschil dat de zorgregeling goed verloopt. Amper twee jaar na ondertekening van dit ouderschapsplan doet de vrouw nu het verzoek om met de kinderen naar een andere plaats te mogen verhuizen. 5.
  21. Met betrekking tot dit verzoek overweegt de rechtbank dat de vrouw in beginsel de gelegenheid moet hebben om na de breuk met de man een nieuw leven op te bouwen met een nieuwe partner. De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank echter niet aangetoond dat er een noodzaak bestaat om daarvoor naar [woonplaats 2] te verhuizen. Door de man is onbetwist gesteld dat de vrouw is geboren en getogen in [woonplaats 1] . De vrouw werkt in [woonplaats 1] en blijft - zo stelt zij - ook na de verhuizing in [woonplaats 1] werken. De vrouw heeft de stelling van de man dat haar partner door de week in het buitenland werkt en alleen in de weekenden thuis is, evenmin weersproken. De partner van de vrouw blijkt voor werk en inkomen niet gebonden aan [woonplaats 2] , zodat ook daarin geen noodzaak tot verhuizing naar [woonplaats 2] is gelegen. Uit de processtukken en de toelichting ter mondelinge behandeling blijkt dat de wens van de vrouw om te verhuizen naar [woonplaats 2] overwegend is ingegeven door de weigering van haar partner om zijn recent verbouwde woning te verkopen en bij of samen met de vrouw in [woonplaats 1] te gaan wonen. Ook de omstandigheid dat de vrouw het prettig vindt dat de kinderen in de woning van haar partner op dezelfde verdieping slapen als de vrouw, maakt niet dat er van een rechtens relevante noodzaak sprake is. Immers, de vrouw zou een dergelijke woning ook in [woonplaats 1] kunnen vinden. Dat de woningen in [woonplaats 1] duurder zijn dan de woningen in [woonplaats 2] , zoals de vrouw stelt, is door de man gemotiveerd weersproken en door de vrouw verder niet onderbouwd, zodat de rechtbank deze stelling niet betrekt in de belangenafweging. Dat de vrouw daarnaast stelt dat zij door de man wordt gecontroleerd en in de gaten wordt gehouden, waardoor zij zich niet veilig voelt in haar eigen huis, is ook door de man betwist. Aangezien de vrouw vervolgens heeft nagelaten deze stelling te voorzien van een nadere feitelijke onderbouwing, zal de rechtbank hieraan voorbij gaan. Door de vrouw is tot slot niet aannemelijk gemaakt dat de verhuizing door haar is doordacht en voorbereid. Ze heeft weliswaar in [woonplaats 2] naar scholen gekeken, maar van andere omstandigheden die maken dat geoordeeld dient te worden dat er sprake is van een weldoordacht plan is niet gebleken. 5.
  22. Naar het oordeel van de rechtbank is ook niet gebleken dat een verhuizing naar [woonplaats 2] in het belang van de kinderen is. De kinderen zijn geboren en getogen in [woonplaats 1] , gaan in de directe omgeving van hun huis naar school en hebben in [woonplaats 1] hun sociale contacten. De rechtbank acht het daarbij van belang dat, zoals de Raad ook ter mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, de kinderen naast de reguliere zorgregeling vrij gemakkelijk van de ene naar de andere ouder kunnen bewegen. Op het moment dat de vrouw met de kinderen naar [woonplaats 2] gaat verhuizen, is dit niet meer mogelijk. Ook kan de zorgregeling zoals deze nu is op de woensdagmiddag niet langer worden uitgevoerd, zonder dat dit voor de man een verzwaring van de regeling met zich brengt. De man dient in het geval van een verhuizing de kinderen op te halen in [woonplaats 2] in plaats van bij de BSO in [woonplaats 1] . De rechtbank weegt voorts mee dat de kinderen als zij ouder worden meer tijd zullen besteden aan vrienden en sport, en de kans groot is dat zij in die situatie niet meer om het weekend bij de andere ouder in een ander dorp willen doorbrengen, zodat een verhuizing ook op de langere termijn van invloed zal zijn op het contact tussen de kinderen en de man. 5.
  23. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de vrouw om met de kinderen naar [woonplaats 2] te mogen verhuizen en de kinderen daar in te schrijven op de [school] , moet worden afgewezen. Met betrekking tot de zorgregeling 5.
  24. De man heeft verzocht een wijziging in de zorgregeling vast te stellen. Deze wijziging komt er - kort weergegeven - op neer dat de kinderen twee van de drie weken dat zij op woensdagmiddag bij de man zijn en de man geen nachtdienst heeft, tot donderdagochtend bij de man verblijven. De man wenst voorts dat de kinderen in de weekenden dat de kinderen bij hem zijn en hij geen nachtdienst heeft, van vrijdagmiddag tot maandagochtend bij hem zullen verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die maken dat een uitbreiding van het verblijf van de kinderen met één of twee nachtjes slapen, niet in het belang van de kinderen is. Het argument dat de vrouw aanvoert, namelijk dat ze er niet op vertrouwt dat de man er op die momenten ook echt voor de kinderen zal zijn, lijkt meer voort te komen uit teleurstellingen van de vrouw in de man gedurende hun relatie, dan dat dit gebrek aan vertrouwen objectief gerechtvaardigd is. Daarbij komt dat de kinderen gedurende de vakanties reeds meerdere nachten achter elkaar bij de man verblijven. Het verzoek van de man zal dan ook worden toegewezen. 5.
  25. Door de vrouw is zowel in de processtukken als tijdens de mondelinge behandeling, nadrukkelijk aangegeven dat zij, mocht de rechtbank de vervangende toestemming niet verlenen, in [woonplaats 1] zal blijven wonen. Indien de vrouw ondanks deze toezegging toch naar [woonplaats 2] verhuist, ziet de rechtbank daarin aanleiding om conform het verzoek van de geldende zorgregeling om te draaien in die zin dat deze als zorgregeling tussen de vrouw en de kinderen wordt vastgesteld. Zoals in rechtsoverweging 5.
  26. reeds is overwogen acht de rechtbank het in het belang van de kinderen dat zij in hun huidige woonplaats kunnen blijven wonen, omdat zij daar geworteld zijn. Daarbij is niet gebleken dat de kinderen niet bij de man zouden kunnen wonen of dat de man niet in staat is de kinderen op te voeden. Namens de vrouw is ter mondelinge behandeling ook aangegeven dat de momenten dat de kinderen bij de man zijn goed verlopen. 5.
  27. Uit de processtukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de verstandhouding tussen partijen door de wens om te verhuizen ernstig onder druk is komen te staan en dat de onderlinge communicatie verstoord is geraakt. De rechtbank wijst partijen op hun ouderlijke verantwoordelijkheid die hen verplicht om samen te werken aan een verbetering van hun verstandhouding en communicatie. De rechtbank geeft partijen dan ook ernstig in overweging om deel te gaan nemen aan het traject Hulp na Scheiding van Yorneo. Partijen hebben beiden aangegeven dat zij in het belang van de kinderen aan dit traject willen deelnemen. Zij kunnen zich door hun huisarts naar dit traject laten verwijzen. 6BESLISSING De rechtbank: 6.
  28. wijst het verzoek van de vrouw tot het geven van vervangende toestemming voor een verhuizing van de vrouw met de kinderen naar [woonplaats 2] en tot inschrijving van de kinderen op de [school] in [woonplaats 2] af; 6.
  29. stelt de volgende aangepaste zorgregeling tussen de man en de kinderen vast: de man haalt in 2 van de 3 weken de kinderen op woensdag bij de buitenschoolse opvang om 15:30 uur op en dan zijn ze bij hem tot na het avondeten om 19:00 uur als hij nachtdienst heeft en tot donderdagochtend tot aan schooltijd als hij een andere dienst heeft; om de week zijn de kinderen in het weekend bij de man van vrijdag uit school in de week dat hij nachtdienst heeft of vanuit de buitenschoolse opvang om 15:30 uur als de man andere diensten heeft, tot zondag na het avondeten om 19:00 uur indien de man nachtdienst heeft of tot maandag tot schooltijd als hij andere diensten heeft; - de vakanties worden bij helfte verdeeld in onderling overleg; 6.
  30. stelt in de situatie dat de vrouw naar [woonplaats 2] verhuist de volgende zorgregeling vast: de kinderen verblijven op woensdagmiddag uit de buitenschoolse opvang of school, alsmede om het weekend van vrijdagmiddag tot maandagochtend bij de vrouw; de vakanties worden in onderling overleg bij helfte verdeeld; de vrouw draagt zorg voor het halen en brengen van de kinderen; 6.
  31. wijst af hetgeen meer of anders is verzocht; 6.
  32. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mrs. F.V. Marquenie (voorzitter), F.P. Dresselhuys-Doeleman en H.R. Eising, en in het openbaar uitgesproken door eerstgenoemde op 17 november 2021 in tegenwoordigheid van de griffier. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat. worden ingediend ter griffie van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden fn: mmv

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.