RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie [woonplaats] zaak-/rekestnummer: C/19/137410 / FA RK 21-2026 beschikking van de meervoudige kamer d.d. 2 december 2021 inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats] , hierna ook te noemen de vrouw, advocaat mr. J.F.A. Raatjes, kantoorhoudende te [woonplaats] , tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats] , hierna ook te noemen de man, advocaat mr. H.J. Griede, kantoorhoudende te Winschoten. 1Procesverloop 1.
- Bij verzoekschrift, ontvangen door de rechtbank op 27 september 2021, heeft de vrouw verzocht om bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, haar vervangende toestemming te verlenen om eind 2021 dan wel in 2022 tezamen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar [woonplaats] te verhuizen, dan wel een dusdanige regeling [te treffen] als de rechtbank juist en redelijk acht. 1.
- Bij verweerschrift, ontvangen door de rechtbank op 15 november 2021, heeft de man verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. 1.
- De rechtbank heeft kennis genomen van het F9-formulier met bijlagen van mr. Raatjes, ontvangen op 12 november 2021 en het F9-formulier met bijlage van mr. Griede, ontvangen op 12 november
- 1.
- De meervoudige kamer van de rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 18 november 2021 waar partijen met hun raadslieden zijn verschenen. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) was [vertegenwoordiger van de raad] ter zitting aanwezig en namens de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen (hierna: de GI) waren [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] aanwezig. 1.
- Mr. Raatjes heeft gepleit aan de hand van pleitaantekeningen. 2Vaststaande feiten 2.
- Partijen zijn op [datum] 2015 gehuwd. Bij beschikking van 13 maart 2019 is de echtscheiding uitgesproken. 2.
- Partijen zijn de ouders van [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2012 en [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2]
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.
- Partijen geven uitvoering aan een co-ouderschapsregeling. 2.
- Bij beschikking van 30 januari 2019 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 30 januari
- 2.
- De vrouw heeft met haar vorige partner, de heer [de man 1] , een zoon genaamd [kind] . [kind] is ook onder toezicht gesteld van de GI. Omdat de vrouw wil dat ook [kind] met haar meeverhuist naar [woonplaats] , heeft zij de rechtbank in een apart verzoekschrift om vervangende toestemming gevraagd om met [kind] naar [woonplaats] te mogen verhuizen. Deze zaak is onder een ander zaaknummer aanhangig bij deze rechtbank en is eveneens op 18 november 2021 behandeld. 2.
- De vrouw is op [datum] 2021 in het huwelijk getreden met de heer [de man 2] en op [geboortedatum 3] 2021 bevallen van hun dochter, genaamd [minderjarige 3] . De vrouw heeft in augustus 2021 met de heer [de man 2] een woning gekocht in [woonplaats] . 3De standpunten Waarom wil de vrouw verhuizen? 3.
- De vrouw heeft haar verzoek als volgt onderbouwd. De huidige woning in [woonplaats] is te klein voor een gezin met vier kinderen en de buurt waarin de huidige woning staat is niet veilig. In de zomer - ter zitting heeft de vrouw aangegeven vanaf april 2021 - is de vrouw daarom met haar echtgenoot op zoek gegaan naar een andere woning. Zij hebben in [woonplaats] gezocht naar woningen, maar dit bleek niet mogelijk binnen hun budget. In augustus 2021 hebben zij een bod gedaan op een woning in [woonplaats] , dat nog dezelfde dag geaccepteerd is. De vrouw heeft gesteld dat zij het met de gezinsvoogd uitgebreid heeft gehad over de voorgenomen verhuizing. De vrouw heeft, nadat zij er door de gezinsvoogden op gewezen was dat zij voor een verhuizing met [kind] toestemming van de man nodig had, op [datum] 2021 een e-mail aan de man gestuurd om hem te informeren over haar voorgenomen verhuizing. Inmiddels is de woning in eigendom overgedragen aan de vrouw en haar echtgenoot. De vrouw woont nog wel in [woonplaats] . Zij is voornemens de flat in [woonplaats] tot februari 2022 aan te houden.De vrouw ziet vele voordelen in het wonen in [woonplaats] . Het huis is ruimer dan de flat in [woonplaats] en heeft een tuin. De heer [de man 2] komt uit [woonplaats] , zijn ouders wonen daar en de vrouw heeft in hen een warm en steunend netwerk gevonden. Omdat zij met haar eigen ouders geen contact meer heeft, is dat voor haar erg belangrijk. Haar schoonouders willen ook graag ondersteunen bij de zorg voor de kinderen. De vrouw is van plan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet van school te laten wisselen, maar hen naar [woonplaats] te brengen en op te halen. De zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] komt volgens de vrouw op geen enkele wijze in gevaar, omdat daaraan gewoon uitvoering gegeven kan worden. Het enige verschil is dat de reistijd tien minuten langer is. Wat vindt de man van het verzoek? 3.
- De man heeft gesteld dat er geen enkel overleg heeft plaatsgevonden over de voorgenomen verhuizing, terwijl dat wel vooraf had gemoeten. Er is volgens de man al tijden geen constructief contact meer mogelijk, ondanks de bemoeienissen van de gezinsvoogd. Er is geen enkele noodzaak voor een verhuizing. De kinderen wonen hun hele leven al in [woonplaats] en zijn daar geworteld. De man vreest dat de vrouw het niet zal volhouden om drie kinderen op drie verschillende scholen met drie verschillende starttijden te brengen. Hij vindt het ook voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen niet wenselijk dat zij steeds moeten reizen, waardoor het spelen bij vriendinnetjes en sporten moeilijker wordt. Specifiek ten aanzien van [minderjarige 1] , die op het speciaal onderwijs zit, vraagt de man zich af of zij wel op haar huidige school kan blijven als haar hoofdverblijf wijzigt naar een andere provincie. Wat vinden de gezinsvoogden? 3.
- De gezinsvoogden zijn bezig geweest om met partijen een ouderschapsplan op te stellen, maar het onderlinge overleg is zeer ingewikkeld. Omdat de strijd tussen ouders niet ophoudt, heeft de GI Stabiel gevraagd een ouderschapsbeoordeling te doen, om de opvoedvaardigheden van ouders in kaart te brengen en onderzoek te doen naar het perspectief van de kinderen. Het co-ouderschap staat op de tocht, met als uiterste consequentie een uithuisplaatsing van de kinderen. Bij de gesprekken over het ouderschapsplan is de verhuizing niet aan de orde geweest. Wat adviseert de Raad? 3.
- Vanwege de lopende ondertoezichtstelling heeft de Raad al langere tijd zicht op de situatie. Er is sprake van een complex systeem, dat zich kenmerkt door langdurige instabiliteit en groot onderling wantrouwen tussen ouders. Hoewel er co-ouderschap is, is er geen enkele communicatie. Het is mooi dat de vrouw persoonlijke groei heeft doorgemaakt, maar het is de vraag wat er gebeurt als de steun van haar huidige partner of netwerk wegvalt. Er is sprake van veel onrust en geen stabiliteit in de woonsituatie van de kinderen. De mededeling van de verhuizing was een bom onder het systeem. De Raad kan geen advies geven, omdat zowel een toewijzing als een afwijzing van het verzoek onrust zal veroorzaken. 4De beoordeling 4.
- De rechtbank stelt voorop dat partijen gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dit brengt mee dat de vrouw voor het wijzigen van de woonplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toestemming van de man nodig heeft. Nu de man deze toestemming niet gegeven heeft en partijen het hierover niet eens geworden zijn, is het geschil op de voet van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aan de rechter voorgelegd. 4.
- Om een beslissing te kunnen nemen in het kader van artikel 1:253a BW dient de rechter, conform vaste rechtspraak (onder meer Hoge Raad 25 april 2008, LJN BC5901), alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle belangen af te wegen, waaronder: het recht en het belang van de verhuizende ouder om te verhuizen en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten; de noodzaak om te verhuizen; de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid; de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor het kind en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren; de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg; de rechten van de andere ouder en het kind op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving; de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg; de frequentie van het contact tussen het kind en de andere ouder voor en na de verhuizing; de leeftijd van het kind, zijn mening en de mate waarin het geworteld is in zijn omgeving of juist gewend is aan verhuizingen; de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing. 4.
- De rechtbank overweegt ten eerste dat de vrouw het recht heeft om te verhuizen en met haar nieuwe partner en hun gezamenlijke dochter haar leven opnieuw in te richten. Uit hetgeen de vrouw naar voren heeft gebracht, leidt de rechtbank af dat de voorgenomen verhuizing voor de vrouw persoonlijk van groot belang is. Zij heeft in haar nieuwe partner en zijn netwerk veel steun gevonden, na een leven dat veel uitdagingen heeft gekend. Dat maakt het voor de vrouw ook zo moeilijk geconfronteerd te worden met het wantrouwen van de man, die zijn bedenkingen heeft bij de bestendigheid van deze nieuwe situatie. De vrouw wil een nieuwe start maken. De rechtbank onderkent dit belang, maar is van oordeel dat dit belang niet prevaleert boven de overige belangen die in het geding zijn. Daartoe wordt als volgt overwogen. 4.
- Naar het oordeel van de rechtbank is de noodzaak om te verhuizen naar [woonplaats] niet komen vast te staan. Dat het huis al gekocht is, is daarvoor niet redengevend, nu de vrouw die situatie zelf heeft gecreëerd. De rechtbank benadrukt dat het uitgangspunt is dat toestemming voor een verhuizing aan de andere gezaghebbende ouder c.q. de rechtbank wordt gevraagd vóórdat onomkeerbare beslissingen, zoals het kopen van een huis, zijn genomen. Hoewel hetgeen de vrouw naar voren heeft gebracht over de flat in [woonplaats] (relatief klein, geen buitenruimte, incidenten, buurt) reden kan zijn voor een verhuizing naar een andere woning, levert ook dit geen noodzaak voor de verhuizing naar [woonplaats] . Weliswaar heeft de vrouw aangevoerd dat het voor haar (financieel) niet haalbaar was om in (de omgeving van) [woonplaats] andere woonruimte te vinden, maar dit heeft zij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De vrouw heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij drie maal op een (huur)woning heeft gereageerd en één keer bij een kantoor heeft geïnformeerd naar beschikbare woningen binnen haar budget. Dat zij serieuze inspanningen heeft verricht om een andere woning in (de omgeving van) [woonplaats] te vinden, kan op grond daarvan niet worden aangenomen. 4.
- De rechtbank is er daarnaast niet van overtuigd dat de verhuizing goed is doordacht. In elk geval hebben de gezinsvoogden niet bevestigd dat de vrouw vooraf met hen over de verhuizing heeft gesproken en wat dit voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zou betekenen. De vrouw heeft daarover ook niet met de man overlegd en dit evenmin ter sprake gebracht in de gesprekken over het ouderschapsplan. 4.
- De rechtbank constateert dat de vrouw zich wel rekenschap heeft willen geven van de gevolgen van de verhuizing voor de schoolgang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de man. Zij heeft immers voorgesteld dat dit alles niet wijzigt. De vrouw heeft toegezegd de kinderen iedere dag naar hun huidige scholen in [woonplaats] te blijven brengen en ook de regeling met de man te willen continueren. De rechtbank is echter van oordeel dat deze oplossing niet duurzaam is, en ook niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vrouw moet, naast [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , ook [kind] naar school brengen en heeft de zorg voor een jonge baby. Dit is een flinke belasting voor de vrouw, die naar het oordeel van de rechtbank vragen oproept over de houdbaarheid daarvan op de lange termijn. Belangrijker is, dat deze oplossing niet tegemoet komt aan wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben. Zij zullen op de dagen dat zij bij de vrouw zijn altijd met de auto gebracht en gehaald moeten worden, wat beperkend werkt voor hun mogelijkheden om in [woonplaats] met vriendjes of vriendinnetjes af te spreken, of andere buitenschoolse activiteiten te ondernemen. Wellicht speelt dit alles vanwege de leeftijd van de kinderen nu nog niet zozeer, maar naarmate zij ouder worden, zal dat steeds belangrijker worden. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn geworteld in [woonplaats] , waar ook de man woont. Zij zullen bij een verhuizing naar [woonplaats] te maken krijgen met twee verschillende woonomgevingen. De omgeving van de kinderen als zij bij de man zijn, zal nog verder komen te verschillen van hun omgeving als zij bij de vrouw zijn. Dit past niet bij het co-ouderschap waaraan partijen uitvoering geven. 4.
- Tenslotte weegt de rechtbank mee dat de verstandhouding tussen ouders al geruime tijd niet goed is, hetgeen (mede) ten grondslag ligt aan de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Een verhuizing is een ingrijpende verandering, terwijl de thuissituatie net redelijk stabiel is. Er is geen sprake van constructief overleg over de kinderen, wat ook blijkt uit de gang van zaken rondom de voorgenomen verhuizing. De gezinsvoogden hebben hierover hun grote zorgen uitgesproken en momenteel wordt door het Leger des Heils (Stabiel) onderzocht of de manier waarop ouders hun ouderschap invullen in het belang van de kinderen moet worden geacht. De uitkomsten van dit onderzoek zijn belangrijk en zullen bepalend zijn voor de manier waarop de zorg voor de kinderen in de toekomst moet worden vormgegeven. Met een verhuizing worden onomkeerbare stappen gezet, terwijl naar aanleiding van voornoemd onderzoek en de lopende ondertoezichtstelling nog nader bekeken dient te worden waarmee de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het meest gediend zijn. Dit gegeven maakt dat de rechtbank een verhuizing niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acht. 4.
- Het resultaat van de belangenafweging is dan ook dat het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen. 5Beslissing De rechtbank: 5.
- wijst het verzoek af. Deze beschikking is gegeven te Assen door mr. M.C. van Woudenberg, voorzitter, F.P. Dresselhuys-Doeleman en F.V. Marquenie, rechters en uitgesproken ter openbare terechtzitting op donderdag 2 december 2021 in tegenwoordigheid van de griffier. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat. worden ingediend ter griffie van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden fn: 594/mvw