← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2021:5766

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 21/734 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2023 in de zaak tussen [naam] eiser, en het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Sudwest-Fryslan, verweerder, (gemachtigden: M. Heres en J. Beintema). Inleiding 1. Bij besluit van 16 juni 2020 (het primaire besluit) heeft het college de adresgegevens van eiser in de Basisregistratie Personen (brp) met ingang van 15 mei 2020 ambtshalve gewijzigd in “vertrokken met onbekende bestemming”. 1.1. Met het bestreden besluit van 20 januari 2021 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven. 1.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.3. Op verzoek van eiser is de op 5 november 2021 geplande mondelinge behandeling aangehouden. De aanhouding was gevraagd omdat eiser corona had. 1.4. Op verzoek van eiser is de op 20 januari 2022 geplande mondelinge behandeling aangehouden. De aanhouding was gevraagd omdat eiser corona had. 1.5. De mondelinge behandeling is vervolgens gepland op 18 mei 2022. Eiser heeft om aanhouding van de mondelinge behandeling verzocht. De aanhouding was gevraagd omdat eiser corona had. Het verzoek is afgewezen. De mondelinge behandeling heeft digitaal plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft eiser de rechter gewraakt. Bij uitspraak van 27 juni 2022 heeft de wrakingskamer het wrakingsverzoek buiten zitting afgewezen (ECLI:NL:RBNNE:2022:2514). 1.6. Op verzoek van eiser is de op 2 september 2022 geplande voortzetting van de mondelinge behandeling aangehouden. De aanhouding was gevraagd omdat eiser die datum was verhinderd en de rechtbank geen rekening had gehouden met zijn verhinderdata. 1.7. Op verzoek van eiser is de op 11 januari 2023 geplande voortzetting van de mondelinge behandeling aangehouden. De aanhouding was gevraagd omdat eiser griep had. 1.8. Bij beslissing van 13 januari 2023 heeft de rechtbank de mondelinge behandeling in deze zaak bepaald op 9 februari 2023. Daarbij is bepaald dat, gelet op het belang van de voortgang van de zaak, de mondelinge behandeling niet opnieuw op verzoek van eiser zal worden aangehouden. Daarbij is meegewogen dat eiser zich in de procedure kan laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. 1.9. Kort voor de mondelinge behandeling op 9 februari 2023 heeft eiser de rechter gewraakt. De wrakingkamer heeft het wrakingsverzoek bij uitspraak van 17 februari 2023 buiten zitting afgewezen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank verklaart het beroep van eiser ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 3. De rechtbank stelt het tweede door eiser ingediende wrakingsverzoek op één lijn met een verzoek tot aanhouding van de mondelinge behandeling, althans als ingediend met het doel om tot een aanhouding te komen. In de beslissing van 13 januari 2023 is al tot uitdrukking gebracht dat de goede procesorde zich verzet tegen inwilliging van verdere aanhoudingsverzoeken van eiser. De rechtbank verwijst naar die beslissing. De rechtbank sluit, gelet hierop, het onderzoek in deze zaak en doet uitspraak. De rechtbank ziet hierin geen benadeling voor het college. De wijziging van de adresgegevens in de brp 4. De vraag die in beroep voorligt, is of het college de inschrijving in de brp ambtshalve mocht wijzigen in “vertrokken met onbekende bestemming”. Het betreft de registratie in de periode 15 mei 2020 tot 12 januari 2021. Vóór deze periode was eiser ingeschreven op het adres [adres] in Ylst, na deze periode op een adres in Amstelveen. 4.1. In artikel 2.22 van de Wet brp is bepaald wanneer tot ambtshalve uitschrijving wordt overgegaan. Er moet aan drie voorwaarden worden voldaan:

  1. i)de ingezetene kan niet worden bereikt
  2. ii)van hem is geen aangifte van wijziging van adres of van vertrek ontvangen en iii) na gedegen onderzoek worden geen gegevens achterhaald over zijn verblijf in Nederland, vertrek uit Nederland en verblijf buiten Nederland. Hierbij geldt dat bepalend is waar de betrokkene woonachtig is, de eventuele hoedanigheid van eigenaar van een pand, is dat niet. Het is wel een feit dat kan meespelen bij de beoordeling. 4.2. Er is voldaan aan voorwaarde (i). Hoewel er contact tot stand is gekomen met eiser, heeft eiser geen adresgegevens verstrekt. In die situatie is niet voldaan aan de wettelijke eis (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 13 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:59). 4.3. Er is ook voldaan aan voorwaarde ii. Vast staat dat eiser geen aangifte heeft gedaan of de andere in artikel 2.22 Wet brp bedoelde informatie heeft verstrekt. 4.4. Ook is voldaan aan voorwaarde iii. 4.5. Op 3 april 2020 heeft het college een adreswijziging ontvangen van nieuwe bewoners van het [adres] in Ylst. Kort daarop heeft het college telefonisch contact opgenomen met eiser, die verklaarde dat hij het college een adreswijziging had gestuurd. Er werd echter niets ontvangen. Het college heeft op 10 april 2020 een brief aan eiser gestuurd met het verzoek de verhuizing door te geven. Diezelfde dag is ook Suwinet geraadpleegd, het team Inkomen SWF en het UWV, hetgeen geen relevante gegevens opleverde. Op 23 april 2020 en 7 mei 2020 zijn e-mails aan eiser gestuurd met de mededeling dat hij de verhuizing moet doorgeven. Op 15 mei 2020 is aangetekend een “voornemen wijziging adresgegevens” naar [adres] Ylst gestuurd. Dit schrijven is op 26 mei 2020 als onbestelbaar retour gekomen. De dag erna is het voornemen naar eisers emailadres gestuurd. Op 10 juni 2020 is via dit emailadres een bericht van eiser ontvangen met de mededeling dat [adres] in Ylst nog zijn adres betreft, dat hij 50% eigenaar is van het betreffende pand en dat hij vanwege corona elders verblijft. Deze email heeft het college gezien op 18 juni 2020. Uit onderzoek van het college in deze periode bleek dat het pand op 11 juni 2020 zou worden geveild en dat het per 1 april 2020 voor 12 maand werd verhuurd. Een kopie van de huurovereenkomst en de publicatie van de veiling bevinden zich in het dossier. Tegen deze achtergrond is het primaire besluit genomen. 4.7. Het college heeft ook vastgesteld dat de nieuwe bewoners op 17 juni 2020 hebben verklaard dat eiser niet langer woonachtig was op het adres. Tijdens de bezwaarfase heeft het college het Kadaster ook geraadpleegd, waaruit bleek dat het pand inmiddels een nieuwe eigenaar had. Nadat de hoorzittingen in bezwaar van 25 september 2020 en 16 oktober 2020 op verzoek van eiser wegens coronaklachten werden uitgesteld, heeft op 27 november 2020 een online hoorzitting plaatsgevonden. Tijdens die zitting heeft eiser onder meer verklaard dat de huidige bewoners van [adres] in Ylst daar illegaal verblijven, dat hij tijdelijk in het buitenland is geweest en dat er een aangifte adreswijziging of correctieverzoek zal worden ingediend. Het college heeft geconstateerd dat deze laatste niet zijn ontvangen, terwijl een formulier daarvoor op 6 november 2020 is toegestuurd. Ook heeft het college de landelijke brp nog geraadpleegd, hetgeen geen relevante gegevens opleverde. 4.8. Uit het bovenstaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het college voldoende onderzoek heeft gedaan. Conclusie en gevolgen 5. Omdat wat eiser overigens aanvoert ook geen doel treft, is het beroep ongegrond. Dat betekent dat de besluiten van het college in stand blijven. Eiser krijgt, gelet hierop, het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Dijkstra, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Doef, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2023. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.