RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 20/2676 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 februari 2021 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde eiseres] ), en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Amsterdam, verweerder (gemachtigde: [medewerker Belastingdienst] ). Procesverloop Verweerder heeft voor het jaar 2018 met dagtekening 26 maart 2020 aan eiseres een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV). Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een verzuimboete opgelegd van €
- Bij uitspraak op bezwaar van 4 augustus 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder is bij brief van 6 november 2020 aan de bezwaren van verzoekster tegemoet gekomen en heeft de verzuimboete vernietigd. Eiseres heeft het beroep bij brief van 3 december 2020 ingetrokken en de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten, het griffierecht en de wettelijke rente indien de vergoedingen niet binnen vier weken na de uitspraak van de rechtbank zijn uitbetaald. Verweerder heeft bij brief van 18 december 2020, ontvangen door de rechtbank op 21 december 2020, op dit verzoek gereageerd. Overwegingen
- Met toepassing van artikel 8:54 van de Awb beslist de rechtbank zonder nader onderzoek als volgt.
- In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten kan worden veroordeeld.
- Nu het beroep is ingetrokken, omdat verweerder in beroep aan de bezwaren van verzoekster is tegemoet gekomen, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
- De rechtbank passeert daarbij het standpunt van verweerder dat een stamrecht BV naar zijn aard niet kan worden gezien als een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, nu niet de stamrecht BV is gemachtigd, maar [gemachtigde eiseres] . Niet is gesteld noch gebleken dat [gemachtigde eiseres] niet aan het criterium voor – kort gezegd – rechtsbijstandsverlener voldoet.
- De kosten aan de zijde van verzoekster begroot de rechtbank met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht (Bpb) op € 534 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift).
- De rechtbank wijst erop dat verweerder verplicht is het griffierecht aan verzoekster te vergoeden.
- Nu verzoekster het bezwaar zelf heeft ingediend en in bezwaar niet heeft verzocht om een proceskostenvergoeding wijst de rechtbank het verzoek om vergoeding van de proceskosten voor het bezwaar af.
- De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van de wettelijke rente indien de proceskostenvergoeding en het griffierecht niet binnen vier weken na de datum van deze uitspraak op het door verzoekster opgegeven rekeningnummer zijn uitbetaald. Beslissing De rechtbank: - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48 aan verzoekster te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 534, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.P.D. Mathey-Bal, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier, op 25 februari
- De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum. w.g. griffier w.g. rechter Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin van de Awb. Artikel 8:41, zevende lid van de Awb.