← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2021:941

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18/750073-17 Tussenvonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 maart 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats], wonende te [straatnaam], [woonplaats]. Dit tussenvonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 maart

  1. Tegen de niet verschenen verdachte is verstek verleend. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Scharenborg. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2017 tot en met 20 juli 2017 te Raard, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk, in een boerderij, althans een pand op of aan het perceel [straatnaam], heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van (telkens) (in totaal) ongeveer 1482 hennepplanten, althans 1087 hennepplanten en/of 395 hennepstekken, althans delen daarvan, zijnde een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, althans (telkens) een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet. Heropening van het onderzoek Gedurende de beraadslaging van de rechtbank heeft verdachte per e-mail d.d. 15 maart 2021 de rechtbank geïnformeerd dat hij pas op 9 maart 2021 de dagvaarding voor de zitting van 5 maart 2021 had ontvangen. Ook heeft verdachte verzocht het onderzoek te heropenen teneinde een eerlijk proces te kunnen voeren waarbij hij zichzelf kan verdedigen. De rechtbank overweegt dat verdachte niet bij de zitting aanwezig was omdat de dagvaarding hem kennelijk te laat heeft bereikt. Gelet op jurisprudentie van het EHRM inzake het aanwezigheidsrecht is de rechtbank van oordeel dat verdachte alsnog de mogelijkheid moet krijgen om zijn verdediging te voeren op een nader te bepalen zittingsdatum. De rechtbank ziet gezien het voorgaande aanleiding om het onderzoek te heropenen. BESLISSING De rechtbank: heropent het onderzoek, schorst dit in het belang ervan en beveelt de hervatting van het onderzoek op een nader te bepalen terechtzitting, tezamen met de ontnemingsvordering; beveelt de oproeping van verdachte tegen een nader te bepalen dag en tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat. Dit tussenvonnis is gewezen door mr. K. Post, voorzitter, mr. G.W.G. Wijnands en mr. B.F. Hammerle, rechters, bijgestaan door W. van Goor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 maart
  2. Mr. G.W.G. Wijnands en mr. B.F. Hammerle zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.