← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2021:943

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18/750115-17 beslissing van de meervoudige kamer d.d. 19 maart 2021 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in de zaak tegen [veroordeelde], geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats], wonende te [straatnaam], [woonplaats], hierna te noemen: veroordeelde. Procesverloop De officier van justitie heeft d.d. 2 februari 2021 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 50.000,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de zaak met parketnummer 18/750115-

  1. De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 5 maart 2021, waarbij veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. M.A. Buntsma, advocaat te Breda. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie, mr. M. Scharenborg, heeft gevorderd dat veroordeelde zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, dat door de officier van justitie wordt geschat op € 50.000,
  2. De officier van justitie is daarbij uitgegaan van het ‘Voorlopig Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art 36e 2e lid Sr’ (verder: het rapport). Standpunt van de verdediging De raadsman heeft gepleit voor afwijzing van de vordering tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel. Hij heeft daartoe aangevoerd dat geen oogst heeft plaatsgevonden waardoor er geen opbrengst is geweest. De genoemde indicatoren voor een eerdere oogst zijn niet overtuigend. Met betrekking tot de stroomgenerator heeft de raadsman aangevoerd dat de draaiuren niet perse een indicator zijn voor de periode van het telen van hennep. De stroomvoorziening was ook nodig voor de opbouw en installatie van de hennepkwekerij. Hierdoor kan door het gestelde stroomverbruik geen indicatie zijn voor de periode. Daarnaast heeft veroordeelde veel tweedehands materiaal aangeschaft waardoor er mogelijk resten van de vorige eigenaar zijn achtergebleven. Bewijsmiddelen De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
  3. De bewijsmiddelen, opgenomen in het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank van 19 maart 2021 in de onderliggende strafzaak;
  4. Het Voorlopig Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art 36e 2e lid Sr van 30 oktober
  5. Beoordeling De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 19 maart 2021 in de zaak met parketnummer 18/750115-17 veroordeeld ter zake medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel. Op grond van artikel 36e, derde lid, Sr kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank neemt het rapport tot uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. In het rapport wordt uitgegaan van drie oogsten in de periode van 1 januari 2017 tot 20 juli
  6. In het pand is een agenda aangetroffen waarin de kweekweken en oogstdata zijn opgeschreven, waaruit de politie heeft opgemaakt dat de hennepkwekerij in werking is gezet in januari
  7. Daarnaast lag er op de assimilatielampen een laagje stof en groen residu. Verder zijn er knipscharen met groen residu, een knipmachine met groen residu en een twintigtal groen verkleurde droogrekken aangetroffen. Dit alles duidt erop dat er eerder hennep is geoogst. Verdachte heeft wel gesteld dat al dat materiaal tweedehands is gekocht en dus al gebruikt was, maar hij heeft dat op geen enkele manier onderbouwd. Deze omstandigheden, in hun onderlinge samenhang, maken dat de rechtbank geen aanleiding ziet te twijfelen aan de berekening die is opgenomen in het rapport. Dit levert de volgende berekening op. Inkomsten Ten aanzien van de inkomsten gaat de rechtbank uit van de in het rapport opgenomen opbrengsten aan hennep met een totale opbrengst van 30,5 kilogram. Per kilogram hennep bedraagt de opbrengst € 4.070,
  8. Hieruit volgt dat het totaal aan inkomsten van de hennepkwekerij een bedrag van (30,5 kilogram x € 4.070,00 =) € 124.135,00 is. Kosten Bij de berekening van de kosten zijn afschrijvingskosten, inkoopkosten van stekken, en aanschaf van benodigdheden voor de hennepkwekerij meegenomen, te weten: - Afschrijvingskosten per oogst € 500,00 - Inkoop prijs per stek (2,25 per stuk) € 3.334,50 - Aanschaf aggregaat € 5.000,00 - Aanschaf kweekpotten € 741,00 - Diesel verbruik aggregaat € 5.886,00 - Aanschafprijs onbekend bij nrs. 5,6,7 € 8.673,50 De totale kosten bedragen € 24.135,00 Berekening totaal wederrechtelijk verkregen voordeel Totale opbrengsten € 124.135,00 Totale kosten € 24.135,00 Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel € 100.000,00 Veroordeelde heeft verklaard dat hij de initiatiefnemer is geweest van het opzetten van de hennepkwekerij. Verder heeft hij verklaard dat hij bij het opzetten hulp heeft gehad van [medeverdachte] en dat de opbrengst met hem gedeeld zou worden. De rechtbank komt dus tot het oordeel dat de veroordeelde € 50.000,00 voordeel heeft genoten. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat veroordeelde een bedrag van € 50.000,00 dient te betalen aan de staat. Toepassing van de wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 100.000,
  9. Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 50.000,00 (zegge: vijftigduizend euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1000 dagen. Deze uitspraak is gegeven door mr. K. Post, voorzitter, mr. G.W.G. Wijnands en mr. B.F. Hammerle, rechters, bijgestaan door W. van Goor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 maart
  10. mr. B.F. Hammerle is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.