Uitspraak RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/850082-18 beslissing van de meervoudige kamer d.d. 12 mei 2022 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in de zaak tegen [veroordeelde], veroordeelde, geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats], wonende te [straatnaam], [woonplaats]. Procesverloop De officier van justitie heeft d.d. 19 november 2019 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 108.847,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/850082-18 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel. De vordering is gebaseerd op de berekening met betrekking tot voordeel uit witwassen van gelden uit factuurfraude (feit 3). De officier van justitie heeft op 8 maart 2022 meegedeeld dat de verdediging en de officier van justitie overeenstemming hebben bereikt over de afdoening van onderhavige zaak. De officier van justitie vordert afwijzing van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, gelet op de recente jurisprudentie met betrekking tot voordeel uit witwassen. De behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 15 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.