RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 22/1496 uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 mei 2022 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. T.D. Polak), en de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (Autoriteit Woningcorporaties), verweerder (gemachtigde: dr. E.D.J. Peeters). Derde-partij: Woningstichting Sint Joseph Almelo (gemachtigde: mr. R.F.A. Rorink). Procesverloop In het besluit van 24 maart 2022, gericht tot derde-partij, heeft verweerder besloten geen goedkeuring te verlenen aan het besluit van derde-partij om het vastgoed gelegen aan [adres] te verkopen aan verzoeker. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 mei 2022 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door F. Smeets. Derde-partij is, met kennisgeving, niet verschenen. Overwegingen
- Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2.1 Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt als volgt: Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Uit de wetsgeschiedenis en de rechtspraak blijkt dat een verzoek om voorlopige voorziening in de eerste plaats kan inhouden dat een bestreden besluit wordt geschorst. Dit houdt verband met de bestuursrechtelijke hoofdregel dat het bezwaar tegen een besluit geen schorsende werking heeft. Een voorziening kan ook een andere aard hebben dan een schorsing en er bijvoorbeeld toe strekken dat de betrokkene voorlopig wordt geacht wel over een vergunning of andere toestemming te beschikken. 2.3 In het verzoekschrift vraagt verzoeker het bestreden besluit te schorsen en een voorlopig rechtmatigheidsoordeel uit te spreken over het bestreden besluit. 2.4 Ter zitting heeft verzoeker beaamd dat een schorsing er niet toe leidt dat er wel goedkeuring is voor de voorgenomen transactie. Verzoeker vraagt een voorlopig rechtmatigheidsoordeel, waarna in bezwaar hopelijk een ander, voor hem positief, oordeel volgt. 2.5 De voorzieningenrechter overweegt dat een schorsing van het bestreden besluit in dit geval niet als een zinvolle voorziening kan worden aangemerkt. Over het daarnaast gevraagde voorlopige rechtmatigheidsoordeel merkt de voorzieningenrechter op dat dit in beginsel niet aangemerkt kan worden als een voorziening in de zin van de wet. Een dergelijk oordeel is een tussenstap op basis waarvan eventueel een voorziening getroffen kan worden. Dit zou mogelijk anders zijn als een eenduidige rechtsvraag voorligt en de beantwoording daarvan door de voorzieningenrechter richting kan geven in de verdere besluitvorming. Een dergelijke situatie doet zich hier echter niet voor omdat de kern van het geschil een evenredigheidsbeoordeling betreft. Dit hoort bij uitstek bij de heroverweging in de bezwaarprocedure en leent zich niet goed voor een voorlopige beoordeling door de voorzieningenrechter. 2.6 Op grond van het bovenstaande concludeert de voorzieningenrechter dat verzoeker geen voorziening vraagt als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Om die reden wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. 2.7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Willems-Keekstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 mei
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.