RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 22/1499 uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juni 2022 in de zaak tussen [naam] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: drs. H.C. van der Staay), en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder (gemachtigde: mr. G.J.M. Naber). Procesverloop In het besluit van 18 februari 2022 (primaire besluit) heeft verweerder beslist dat verzoeker een lening dient terug te betalen. In het besluit van 6 april 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen
- De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
- De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. 3.1 In het primaire besluit heeft verweerder aan verzoeker medegedeeld dat hij een geldbedrag dat hij van verweerder heeft geleend, vanaf 1 augustus 2022 dient terug te betalen. Het zal dan gaan om een schuld van € 5.146,--, gedurende tien jaar af te lossen door betaling van een maandbedrag van € 42,
- In het besluit vermeldt verweerder verder onder meer dat verzocht kan worden om een lager maandbedrag indien terugbetaling van het vastgestelde bedrag niet lukt. 3.2 In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd, onder meer met de overweging dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor kwijtschelding.
- De voorzieningenrechter overweegt dat niet is gebleken van een spoedeisend belang. De verplichting tot terugbetaling gaat niet eerder in dan op 1 augustus
- Er is op dit moment dus nog geen terugbetalingsverplichting die door de voorzieningenrechter, bij wijze van voorlopige voorziening, geschorst zou kunnen worden. Bovendien heeft verzoeker niet met stukken onderbouwd dat hij niet aan de aflossingsverplichting kan voldoen danwel dat hij verweerder verzocht heeft om het aflossingsbedrag lager te laten vaststellen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
- Wel zal de voorzieningenrechter zich inspannen om de behandeling van het beroep op korte termijn te laten plaatsvinden. Hierover zullen partijen bericht ontvangen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juni
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.