RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie Groningen Zaaknummer: C/18/213178 / KG ZA 22/74 Vonnis in kort geding van 17 juni 2022 in de zaak van [naam man] , wonende te [woonplaats], eieser, hierna ook te noemen: de man, advocaat mr. D.E.M. Boukens, kantoorhoudende te Hoorn NH, tegen [naam vrouw] , wonende te [woonplaats], gedaagde, hierna ook te noemen: de vrouw. 1Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de op 2 mei 2022 aan de vrouw betekende dagvaarding. 1.2. Op 13 juni 2022 heeft de voorzieningenrechter de zaak mondeling behandeld. Daarbij zijn verschenen en gehoord: de man, zijn advocaat en de heer J. Zijlstra, als vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). 1.3. De vrouw heeft zich voor de mondelinge behandeling telefonisch afgemeld in verband met een coronabesmetting. Na de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter een e-mailbericht van de vrouw binnengekregen, waarin de vrouw verzoekt om de zitting te verplaatsen naar een ander moment. De voorzieningenrechter heeft geconstateerd dat de vrouw het e-mailbericht heeft verstuurd toen de mondelinge behandeling al was begonnen. De voorzieningenrechter heeft daardoor geen rekening kunnen houden met het e-mailbericht van de vrouw. 1.4. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten. 2.2. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit de relatie is op [geboortedatum] 2011 te Groningen [naam kind] geboren. De man heeft [naam kind] erkend. 2.3. Bij beschikking van 24 januari 2022 heeft de rechtbank bepaald dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag over [naam kind] uitoefenen. Daarnaast heeft de rechtbank in die beschikking een zorgregeling vastgesteld inhoudende dat [naam kind] conform de volgende regeling bij de man zal verblijven: - zaterdag 4 december 2021, vanaf 12:00 uur tot maximaal 17:00 uur, ophaallocatie hoofdstation Groningen; - zaterdag 29 januari 2022, vanaf 12:00 uur tot maximaal 17:00 uur, ophaallocatie hoofdstation Groningen; - zaterdag 12 februari 2022, vanaf 12:00 uur tot maximaal 17:00 uur, ophaallocatie hoofdstation Groningen; - zaterdag 26 februari 2022, vanaf 12:00 uur tot maximaal 17:00 uur, ophaallocatie hoofdstation Groningen; - in de maanden maart en april 2022, eenmaal per twee weken op zaterdag of zondag van 12:00 uur tot 17:00 uur; - in de maanden mei en juni 2022, eenmaal per twee weken op zaterdag of zondag van 10:00 uur tot 19:00 uur; - in de maanden juli en augustus 2022, eenmaal per twee weken van zaterdag 10:00 uur tot zondag 10:00 uur, inclusief overnachting; - in de maanden van september 2022 tot en met februari 2023, eenmaal in de twee weken van zaterdag 10:00 uur tot zondag 17:00 uur, inclusief overnachting; - vanaf maart 2023, eenmaal in de twee weken van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur, inclusief overnachtingen. De rechtbank heeft bepaald dat partijen de toekomstige vakantie- en feestdagen in onderling overleg bij helfte dienen te delen. 2.4. Uit de beschikking van 24 januari 2022 blijkt verder, voor zover hier van belang, dat tijdens de mondelinge behandeling op 25 november 2021 de afspraak is gemaakt dat het eerste contactmoment tussen [naam kind] en de man zal plaatsvinden op zaterdag 4 december 2021, waarbij de man [naam kind] om 12:00 uur ophaalt van het hoofdstation te Groningen en waarbij de maximale eindtijd is gesteld op 17:00 uur. 2.5. Sinds de mondelinge behandeling van 25 november 2021 heeft eenmalig een omgangsmoment tussen de man en [naam kind] plaatsgevonden, op 12 februari 2022. 3Het geschil 3.1. De man vordert bij vonnis, voor zover de wet dit toestaat uitvoerbaar bij voorraad; I. de vrouw te veroordelen, na betekening van het vonnis, tot nakoming van de door de rechtbank bij beschikking d.d. 24 januari 2022 vastgestelde zorgregeling, op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of dagdeel dat zij deze veroordeling niet nakomt, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag aan dwangsom; II. de vrouw te veroordelen in de proceskosten. 3.2. De vrouw heeft geen verweer gevoerd. 4De beoordeling Ten aanzien van het spoedeisend belang 4.1. Ingevolge artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. 4.2. De voorzieningenrechter overweegt dat het spoedeisend belang voortvloeit uit de aard van deze procedure. De man en [naam kind] hebben elkaar al maanden niet gezien, terwijl de rechtbank een tweewekelijkse zorgregeling heeft vastgesteld. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de man inhoudelijk beoordelen. Ten aanzien van nakoming van de zorgregeling 4.3. De man legt, samengevat weergegeven, aan zijn vordering ten grondslag dat hij zich genoodzaakt ziet onderhavige procedure op te starten aangezien de vrouw zich niet houdt aan de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. De man heeft de vrouw ervan moeten overtuigen om een eerste ontmoetingsmoment te laten plaatsvinden tussen hem en [naam kind]. Dat heeft plaatsgevonden op 12 februari 2022. Verder heeft de vrouw zich onbereikbaar gehouden. De vrouw zal niet vrijwillig meewerken aan de zorgregeling, waardoor de vrouw volgens de man zou moeten worden veroordeeld tot nakoming van de vastgestelde zorgregeling onder verbeurte van een dwangsom. De man vraagt zich af of een ondertoezichtstelling wellicht aangewezen zou zijn om de omgang tot stand te brengen. 4.4. De Raad heeft naar voren gebracht dat het erop lijkt dat de vrouw op alle mogelijke manieren omgang tussen de man en [naam kind] probeert te voorkomen. De Raad kan zich voorstellen dat de vrouw een financiële prikkel nodig heeft om de zorgregeling na te komen. De Raad is tijdens de mondelinge behandeling niet tot een verzoek tot ondertoezichtstelling overgegaan, mede omdat de vrouw niet aanwezig was en de Raad [naam kind] niet zelf heeft gesproken. In een nieuwe procedure zou de Raad eventueel tot onderzoek kunnen overgaan. 4.5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de zorgregeling die door de rechtbank bij beschikking van 24 januari 2022 is vastgelegd, moet worden nageleefd. Van die regel kan slechts worden afgeweken indien sprake is van dusdanig ernstige of bijzondere omstandigheden dat nakoming niet meer in het belang van het kind moet worden geacht. Deze bijzondere omstandigheden kunnen zich met name voordoen wanneer sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat zich één van de gronden als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voordoet. Dat artikellid luidt als volgt: de rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.