RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 22/2580 uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 augustus 2022 in de zaak tussen [namen] , uit [woonplaats] , verzoekers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, verweerder (gemachtigde: H. Helbig). Procesverloop Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat het wordt verboden om te beginnen met de bouw van een nieuwe beweegbare fiets- en voetgangersbrug ter hoogte van Hilleburen 14 te Wergea (brug) totdat er een definitieve uitspraak ligt. Verweerder heeft een reactie op het verzoek aan de voorzieningenrechter toegezonden. Overwegingen
- De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. 2.1 Bij primair besluit van 7 december 2018 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van de brug. Bij besluit van 6 juni 2019 heeft verweerder het bezwaar hiertegen van verzoekers ongegrond verklaard. Bij besluit van 31 januari 2020 heeft verweerder het besluit van 6 juni 2019 ingetrokken, wijzigingen aangebracht in het primaire besluit en het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 november 2020 heeft de rechtbank het beroep van verzoeker [naam] tegen het besluit van 31 januari 2020 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. 2.2 Bij besluit van 2 december 2020 heeft verweerder het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 januari 2021 heeft de rechtbank het beroep van verzoekers tegen dit besluit op bezwaar gegrond verklaard en het besluit vernietigd. 2.3 Bij besluit van 26 januari 2021 heeft verweerder, na het aanbrengen van wijzigingen en toevoegingen, het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard. Tegen dit besluit op bezwaar hebben verzoekers geen beroep ingesteld.
- Het verzoek om voorlopige voorziening gaat over het primaire besluit en over het besluit op bezwaar van 26 januari
- De voorzieningenrechter constateert dat tegen dat laatste besluit geen beroepsprocedure loopt. Alleen als dat wel het geval is, kan iemand een verzoek om voorlopige voorziening doen. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom niet-ontvankelijk.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.