← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2022:3430

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer: C18/216571 / KG RK 22-231 beslissing van de meervoudige kamer van 19 september 2022 op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van [verzoekster] , wonende te [woonplaats] , verzoekster, advocaat: mr. J. Scholtens, kantoorhoudende te Stadskanaal. 1

  1. Procesverloop 1.
  2. Mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter in de rechtbank te Groningen, heeft op de zitting van 9 september 2022 mondeling uitspraak gedaan op grond van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in de verzoekschriftprocedure tussen [verzoekster] en [verweerder] (zaak-/rekestnummer: C/18/215959 / FA RK 22-3517). Deze mondelinge uitspraak is vastgelegd in een proces-verbaal. 1.
  3. Op 13 september 2022 heeft mr. Scholtens, namens verzoekster, in de zaak met zaak-/rekestnummer: C/18/215959 / FA RK 22-3517) een verzoek ingediend tot wraking van mr. B.R. Tromp. Mr. Tromp heeft niet in de wraking berust. 2
  4. Beoordeling 2.
  5. Ingevolge artikel 36 e.v. Rv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 2.
  6. Een verzoek tot wraking kan in beginsel in elke stand van de procedure worden gedaan, maar moet worden ingediend vóórdat de behandeling van de zaak door het wijzen van een einduitspraak is geëindigd. Nadat de einduitspraak is gedaan, is de zaak immers niet meer bij de rechter in behandeling. Een na een einduitspraak gedaan verzoek tot wraking dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard (vgl. HR 18 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AD2977). 2.
  7. Op de zitting van 9 september 2022 heeft mr. B.R. Tromp het door verzoekster ingediende verzoekschrift (betreffende een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen) behandeld en na afloop van de inhoudelijke behandeling van de zaak mondeling uitspraak gedaan op grond van artikel 30p Rv. 2.
  8. Vervolgens is door mr. Scholtens, namens verzoekster, bij brief van 13 september 2022 om wraking verzocht van mr. Tromp. Op dat moment was de behandeling van de door verzoekster aanhangig gemaakte (voorlopige voorzieningen)procedure echter reeds door de (eind)uitspraak geëindigd, zodat het verzoek, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet tijdig is ingesteld. Dat er tussen partijen ook nog een bodemprocedure bij de rechtbank loopt (geregistreerd onder zaak-/rekestnummer C/18/216337 FA RK 22-3813), maakt dit oordeel niet anders. 2.
  9. Op grond van het vorenstaande kan verzoekster dan ook niet worden ontvangen in haar verzoek tot wraking. Gelet hierop komt de wrakingskamer niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek. Een mondelinge behandeling van het verzoek kan daarom achterwege blijven. 2.
  10. Overigens wordt - geheel ten overvloede - opgemerkt dat aan de wrakingskamer van de rechtbank geen oordeel toekomt over de juistheid van de door de rechter genomen beslissingen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. 3Beslissing De rechtbank: 3.
  11. verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek; 3.
  12. beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekster en aanmr. B.R. Tromp. Deze beslissing is gegeven door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. H.J. Idzenga en mr. S.T. Kooistra, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 19 september
  13. coll: 853

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.