← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2022:360

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie: Assen zaaknummer: C/18/210922 / FT RK 22/14 beschikking van 11 februari 2022 in de zaak van: [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] te Amersfoort, wonende te [adres] , hierna te noemen verzoeker, tegen De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), vertegenwoordigd door Janssen&Janssen Incasso en Gerechtsdeurwaarders, [adres] , hierna te noemen verweerder. PROCESGANG Op 10 januari 2022 is door verzoeker tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het geven van een of meer voorlopige voorzieningen bij voorraad. Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 4 februari 2022, alwaar de schuldhulpverlener van verzoeker, de heer [schuldhulpverlener] , is verschenen tezamen met de moeder van verzoeker, mevrouw [moeder verzoeker] . Verweerder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. RECHTSOVERWEGINGEN De gevraagde voorziening houdt in opschorting van het door verweerder gelegde executoriaal beslag op de aanhangwagen van verzoeker met het kenteken [Kenteken] totdat primair op een nog in te dienen verzoek dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet (Fw) is beslist, voor zover er geen buitengerechtelijke schuldregeling tot stand zal komen, en subsidiair tot op het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is beslist. Verzoeker heeft aangevoerd dat de gevraagde voorziening bij voorraad noodzakelijk is omdat het gelegde executoriaal beslag en de mogelijke verkoop van de aanhangwagen zijn poging om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen doorkruist. De (opbrengst van) de aanhangwagen maakt deel uit van het aan te bieden akkoord. Tevens speelt mee dat op de aanhangwagen een pandrecht van de Rabobank rust. De schuldhulpverlener heeft ter zitting toegelicht dat de door verweerder aangezegde executoriale verkoop in mei 2021 geen doorgang heeft gevonden en dat er tot op heden geen nieuwe verkoop is aangezegd. Verweerder heeft, ondanks het feit dat hij inmiddels bekend is met het pandrecht van de bank, niet gereageerd op het verzoek van de schuldhulpverlener om het beslag op de aanhangwagen op te heffen. De meeste schuldeisers hebben inmiddels met het aangeboden akkoord ingestemd. De schuldhulpverlener verwacht op een termijn van ongeveer twee weken een verzoekschrift dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Fw bij de rechtbank te kunnen indienen. De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde voorziening spoedeisend is. De rechtbank overweegt daartoe dat er op dit moment weliswaar geen concrete aanzegging ligt dat tot verkoop van de aanhangwagen zal worden overgegaan, maar dat verweerder evenmin reageert op de verzoeken van de schuldhulpverlener om het beslag op te heffen. Dit terwijl verweerder inmiddels ruim een half jaar heeft laten verstrijken sinds de aangezegde executieverkoop en voorts ondertussen bekend is met het pandrecht van de bank op het object. Nu de (opbrengst van) de aanhangwagen onderdeel uitmaakt van het aangeboden akkoord, is de rechtbank van oordeel dat de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is om te voorkomen dat verkoop van de aanhangwagen de buitengerechtelijk schuldregeling doorkruist. De gevraagde voorziening zal daarom worden gegeven. Op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal bij afzonderlijk vonnis worden beslist. BESLISSING De rechtbank: - bepaalt dat het door DUO gelegde executoriale beslag op de aanhanger van verzoeker met het kenteken [Kenteken] voor de duur van deze voorziening wordt opgeschort; - bepaalt dat genoemde voorziening geldt voor de duur van drie maanden, waarna door de verzoeker verlenging van de duur van de voorziening kan worden verzocht; - bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken dan wel de beslissing op dat verzoek in kracht van gewijsde is gegaan; - verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. N.A. Baarsma en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2022, in tegenwoordigheid van de griffier. Door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, te rekenen van de dag van de uitspraak en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.