Uitspraak RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 28 oktober 2022 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] , ingeschreven op [straatnaam] , [woonplaats] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 oktober
(31)te [geboorteplaats] Geen registratie in het Centraal Rijbewijzenregister. Bewijsoverwegingen met betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde De rechtbank stelt op basis van de voorliggende bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 21 mei 2021 vond omstreeks 17:56 uur op de Binnenwei, vlak buiten de bebouwde kom onder Siegerswoude, een ernstig verkeersongeval plaats. Verdachte was bij dit ongeval betrokken. Verdachte reed als bestuurder in een personenwagen, met zijn partner [slachtoffer 2] in de bijrijdersstoel naast hem en een vriend [slachtoffer 1] als passagier op de achterbank. Op een gegeven moment is verdachte de controle over de auto verloren, waarbij het voertuig het wegdek deels heeft verlaten en in de berm is terechtgekomen. Hierbij kwam de auto in botsing met een in de berm staande boom, waardoor de auto in tweeën brak. Het achterste deel van de auto met daarin de op de achterbank zittende [slachtoffer 1] , kwam in de sloot aan de andere kant van de weg terecht. Het voorste deel van de auto raakte nog een tweetal bomen in de rechterberm, om daarna achterwaarts tegen een andere boom tot stilstand te komen. [slachtoffer 2] is op enig moment uit de auto geslingerd. Ten gevolge van dit verkeersongeval is [slachtoffer 1] komen te overlijden en is [slachtoffer 2] zeer ernstig gewond geraakt. Verdachte liep bij het verkeersongeval geen verwondingen op. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte door zijn gedragingen schuld heeft aan het verkeersongeval, en zo ja, in welke mate. Van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding(en) en de overige omstandigheden van het geval. Voorts stelt de rechtbank vast dat zeer gevaarlijk rijgedrag dat de delictsomschrijving van artikel 5a WVW vervult, roekeloosheid als bedoeld in artikel 175, tweede lid, WVW oplevert. Volgens het eerste lid van artikel 5a is het een ieder verboden opzettelijk zich zodanig in het verkeer te gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Daarop volgt een (niet-limitatieve) opsomming van verkeersgedragingen die als zodanig kunnen worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank kan het verdachte worden verweten dat hij op enig moment de controle over de auto is verloren, waarbij het voertuig het wegdek deels heeft verlaten, in de berm is geraakt en het ongeval kon plaatsvinden. Allereerst blijkt uit het dossier dat verdachte bestuurder was van de auto, terwijl hij niet in het bezit was van een rijbewijs, hetgeen door hem ook is erkend. Bovendien verkeerde verdachte ten tijde van het verkeersongeval onder invloed van ethanol (alcohol) en THC (cannabis). Uit de in het dossier opgenomen analyse van het bloed van verdachte blijkt dat het percentage ethanol en THC fors hoger was dan de toegestane grenswaarden, indien beide middelen in combinatie worden gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte eveneens kan worden verweten dat hij met veel te hoge snelheid heeft gereden. Anders dan verdachte in zijn verklaring bij de politie stelt, blijkt uit het in het dossier opgenomen proces-verbaal beeldanalyse dat verdachte ter plaatse van het ongeval reed met ruim meer dan tweemaal de toegestane snelheid, namelijk 127 kilometer per uur waar 60 kilometer per uur was toegestaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de resultaten van de beeldanalyse te twijfelen en neemt deze daarom over. De berekende hoge snelheid past ook bij de verklaringen van de getuigen. Op geen enkele wijze heeft verdachte zijn rijgedrag aangepast aan de situatie ter plaatse, die bestaat uit een smalle, bochtige weg zonder middenberm. De snelheid op de betreffende weg is niet zonder reden op 60 kilometer per uur gemaximeerd. Bovendien was het wegdek mogelijk nog nat als gevolg van een eerdere regenbui. Met dit alles heeft verdachte onaanvaardbare risico’s genomen en zich op een onverantwoorde wijze gedragen. De rechtbank verwerpt het verweer van verdachte zoals hij dat bij de politie heeft geschetst, te weten dat sprake was van een tegenligger, als gevolg waarvan verdachte moest uitwijken en in de berm terecht kwam. Uit de in het dossier opgenomen verkeersongeval analyse blijkt immers dat er ten tijde van het ongeval geen tegenliggers waren. Wel blijkt uit het dossier dat er een automobilist was die in dezelfde richting als verdachte reed. Deze automobilist, getuige [naam 3] , verklaart niet alleen dat verdachte zeer hard reed maar hem ook inhaalde. De vraag is hoe het hiervoor beschreven gedrag van de verdachte moet worden gekwalificeerd. Uit het hiervoor overwogene volgt dat verdachte veel te hard heeft gereden, terwijl hij onder invloed was van alcohol in combinatie met drugs en hij niet in het bezit was van een rijbewijs. Naar het oordeel van de rechtbank kenmerkt de combinatie van de gedragingen van verdachte zich door het ontbreken van elke vorm van voorzichtigheid. Verdachte heeft zonder enige remming door besef van de onaanvaardbare risico's van zijn gedrag op zeer gevaarlijke wijze aan het verkeer deelgenomen. Door zo te handelen heeft verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven geroepen. Hij had zich bewust moeten zijn van het risico dat hij nam. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het rijgedrag van verdachte, in combinatie met het feit dat hij niet in het bezit is van een rijbewijs en zowel alcohol als drugs had gebruikt, moet worden aangemerkt als roekeloos. Daarom is sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW en acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de (primair) ten laste gelegde feiten, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Bewezenverklaring De rechtbank acht de feiten 1 primair, 2 primair en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
- hij op 21 mei 2021 te Siegerswoude, gemeente Opsterland als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de Binnenwei, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, onder invloed van alcohol in combinatie met drugs (cannabis), met zijn voertuig te rijden op een overzichtelijke weg met een snelheid van ongeveer 127 kilometer per uur - alwaar voor die genoemde weg een maximum snelheid van 60 kilometer per uur gold -, en daarbij de controle over diens voertuig te verliezen, waarbij hij gezien zijn rijrichting, rechts de rijbaan van die weg (grotendeels) heeft verlaten, ten gevolge waarvan een verkeersongeval heeft plaatsgevonden (waarbij hij tegen een boom is gebotst), waardoor [slachtoffer 1] werd gedood en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, terwijl verdachte dat voertuig heeft bestuurd zonder dat hij in het bezit was van een geldig rijbewijs;
- hij op 21 mei 2021 te Siegerswoude, gemeente Opsterland een personenauto heeft bestuurd, na gebruik van een of meer in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten alcohol en cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 0.28 milligram ethanol (alcohol) per milliliter bloed en 6.20 microgram THC (cannabis) per liter bloed bedroeg, in elk geval meer dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarden in combinatie gebruikt;
- hij op 21 mei 2021 te Siegerswoude, gemeente Opsterland als bestuurder van een personenauto heeft gereden op de Binnenwei, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op:
- primair overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet
- primair overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994
- overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1 primair, 2 primair en 3 wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaren. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft als onbevoegd en onervaren bestuurder, rijdend met zeer hoge snelheid en onder invloed van alcohol en drugs, de controle over zijn voertuig verloren, waardoor deze een aantal bomen heeft geraakt en in tweeën is gebroken. Ten gevolge van dit verkeersongeval is de passagier op de achterbank komen te overlijden en de bijrijder zeer ernstig gewond geraakt. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Het leed dat hij als gevolg van zijn gedragingen bij het slachtoffer en de nabestaanden heeft veroorzaakt is ingrijpend en onherstelbaar. In haar slachtofferverklaring, voorgelezen ter terechtzitting, heeft de moeder van [slachtoffer 1] op een indringende wijze beschreven op welke manier de feiten en het overlijden van haar zoon haar leven hebben beïnvloed. Ze hebben haar belemmerd in haar werk en ze kreeg ernstige mentale klachten. De gevolgen draagt zij nog dagelijks met zich mee. De rechtbank stelt voorop dat het bewezenverklaarde feiten zijn met ernstige gevolgen. In het verkeer nemen alle verkeersdeelnemers risico’s. Echter, het risico dat verdachte heeft genomen door onbevoegd, onder invloed en met veel te hoge snelheid een auto te besturen, is extra groot. Hij stelde bovendien de overige verkeersdeelnemers en zijn beide passagiers in het bijzonder aan dat risico bloot. Het onverantwoordelijk rijgedrag wordt verdachte zwaar aangerekend door de rechtbank. Omdat er sprake is van roekeloosheid in het verkeer met fatale gevolgen en lichamelijk letsel, zal de rechtbank in de strafmaat rekening houden met het bij familieleden, vrienden en kennissen van de slachtoffers teweeggebrachte leed en met de in de samenleving ontstane onrust. Bij de bepaling van de strafmaat zoekt de rechtbank in beginsel aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS. De rechtbank ziet aanleiding om in onderhavig geval van deze oriëntatiepunten af te wijken en heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte is eerder met politie en justitie in aanraking geweest voor het besturen van een auto, zonder in bezit te zijn van een rijbewijs. Verdachte toont zich echter hardleers door opnieuw als bestuurder van een personenauto deel te nemen aan het verkeer. Bovendien was sprake van een ernstige overschrijding van de maximumsnelheid, hetgeen de rechtbank de verdachte zwaar aanrekent. Voorts weegt in strafverzwarende zin mee dat verdachte als verkeersdeelnemer alcohol en drugs had gebruikt. Nog daargelaten dat verdachte niet bevoegd was een auto te besturen, had hij in redelijkheid moeten weten dat hij als gevolg van het gebruik van alcohol en cannabis niet aan het verkeer kon deelnemen. Verdachte had dan ook anders moeten handelen. Tot slot houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen, bijvoorbeeld door het gesprek met de nabestaanden van [slachtoffer 1] aan te gaan. Ook heeft hij geen verantwoordelijkheid getoond door niet te verschijnen op de terechtzitting. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van vijf jaren, en daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te mogen besturen voor de duur van vijf jaren. Benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 10.748,41 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. De rechtbank heeft hierbij de schade die door de benadeelde partij ten onrechte als immateriële schade is opgevoerd opgevat als materiële schade. Met betrekking tot de gevorderde affectieschade (€ 15.000,- / € 17.500,-) heeft de benadeelde partij aangegeven dat door de verzekeraar reeds een bedrag ter grootte van € 15.000,- aan haar is vergoed. Ter zitting heeft de benadeelde partij toegelicht dat zij verwacht, op basis van onderhavig vonnis van deze rechtbank, in aanvulling op de ontvangen vergoeding nog een bedrag ter grootte van € 2.500,- van de verzekeraar te zullen ontvangen. De rechtbank stelt vast dat ook [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 15.000,- ter vergoeding van affectieschade, dit bedrag is blijkens de vordering reeds volledig door de verzekeraar vergoed. Om die reden behoeft de vordering van [benadeelde partij 2] geen bespreking meer. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1] voldoende is onderbouwd en voor toewijzing vatbaar is. Oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Bij gebrek aan verweer zal de rechtbank de vordering daarom toewijzen, voor zover deze ziet op de kosten die de benadeelde partij heeft moeten maken ter zake van het graf (€ 3.201,97 en € 728,01), het boedelregister (€ 132,-), de medicinale kruiden (€ 350,28) en de coaching (€ 95,- en € 998,-). Daarenboven is de rechtbank, mede gelet op de verklaring die [benadeelde partij 1] ter zitting heeft afgelegd, er van overtuigd dat de meditatiereis naar India noodzakelijk is als onderdeel van het rouw- en verwerkingsproces. Hoewel de kosten voor deze reis toekomstige schade betreffen, zal de rechtbank de vordering dan ook voor dit deel (€ 4.490,-) toewijzen. De afronding met € 510,- zoals door de benadeelde partij bij dit onderdeel van haar vordering is toegepast, is niet onderbouwd. De vordering zal voor dit deel (€ 510,-) dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Aldus komt in totaal een bedrag van € 9.995,26 voor toewijzing in aanmerking, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 mei
- De gevorderde reis- en verblijfskosten (€ 104,80 en € 138,35) ten behoeve van de zitting van deze rechtbank van 16 juni 2021 komen niet voor toewijzing in aanmerking. Verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank niet verantwoordelijk gehouden worden voor de omissie van het openbaar ministerie. De vordering zal voor dit deel dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank kan zich echter voorstellen dat het openbaar ministerie, gelet op de omstandigheden, besluit tot vergoeding van deze nodeloos door de benadeelde partij in redelijkheid gemaakte kosten. Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a, 6, 8, vijfde lid, 107, eerste lid, 175, tweede lid, onder a en derde lid, 177, eerste lid, en 179 van de Wegenverkeerswet
- Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren. Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht. een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) jaren. Wijst de vorderingen van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte, om aan [benadeelde partij 1] te betalen: het bedrag van 9.995,26 (zegge: negenduizend negenhonderdvijfennegentig euro en zesentwintig eurocent); de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 mei 2021 tot de dag van algehele voldoening; de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerleggingvan deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil. Verklaart de vordering van [benadeelde partij 1] voor een bedrag ter grootte van € 753,15 (zegge: zevenhonderd drieënvijftig euro en vijftien eurocent) niet-ontvankelijk. Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat te betalen een bedrag van € 9.995,26 (zegge: negenduizend negenhonderdvijfennegentig euro en zesentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2021 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van één jaar kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden Dit vonnis is gewezen door mr. B.F. Hammerle, voorzitter, mr. M. Brinksma en mr. A.G.D. Overmars, rechters, bijgestaan door mr. D.H. Röben, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 oktober 2022.