RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 20/1993 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 november 2022 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. [gemachtigde van eiser] ), en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Eindhoven, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde van verweerder] ). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Minister voor Rechtsbescherming (de Minister). Procesverloop Verweerder heeft voor het jaar 2016 met dagtekening 16 april 2019 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.795. Daarbij is eiser voor het gehele jaar in de premieheffing voor de volksverzekering betrokken. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 1.028 aan belastingrente in rekening gebracht. Bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen om zijn standpunten nader cijfermatig te onderbouwen. Bij brief van 11 augustus 2021 heeft eiser nadere stukken overgelegd. Bij brief van 3 september 2021 heeft verweerder op die stukken gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 26 september 2022 gesloten. Overwegingen Feiten 1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. 1.1. Eiser is geboren op [geboortedatum] , heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde heel 2016 in Nederland. 1.2. Eiser was in 2016 in dienstbetrekking werkzaam voor de volgende werkgevers: Werkgever Vestigingsland Periode [werkgever 1] Liechtenstein 1 januari 2016 t/m 30 juni 2016 [werkgever 2] Nederland 1 juni 2016 t/m 30 september 2016 [werkgever 1] Liechtenstein 1 oktober 2016 t/m 31 december 2016 1.3. Eiser voerde zijn werkzaamheden voor [werkgever 1] en [werkgever 2] als kapitein uit aan boord van een het binnenvaartschip [naam schip] – eigendom van [naam eigenaar schip] – dat hoofdzakelijk heeft gevaren in het stroomgebied van de Rijn en België. 1.4. Bij brief van 6 juni 2016 heeft de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) aan eiser en zijn werkgever medegedeeld dat bij wijze van voorlopige beslissing de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op hem van toepassing is verklaard voor de perioden waarin hij werkzaamheden verrichtte via [werkgever 1] . Deze brief luidt – voor zover hier van belang – als volgt: “U woont in Nederland en werkt in verschillende landen van de Europese Unie. U werkt voor [werkgever 1] die aangeeft gevestigd te zijn in Liechtenstein. [werkgever 1] heeft ons gevraagd te bepalen dat de Liechtensteinse sociale verzekeringswetgeving op u van toepassing is gedurende uw werkzaamheden via [werkgever 1] . Verzekerd in Nederland U bent in Nederland sociaal verzekerd met ingang van 12 augustus 2015. Dat houdt in dat u verplicht sociaal verzekerd bent voor de AOW, Anw, AKW en Wlz. Dit besluit heeft een voorlopig karakter. Dit besluit wordt definitief twee maanden nadat de overige betrokken lidstaten door de SVB zijn geïnformeerd over dit besluit en deze lidstaten daarmee hebben ingestemd c.q. geen bezwaar hebben gemaakt. Na afloop van de termijn van twee maanden zullen wij u nader informeren. Deze voorlopige beslissing is gebaseerd op artikel 13 van Verordening EG nr. 883/2004 en artikel 14, lid 8, en artikel 16 van Verordening EG nr. 987/2009. Deze Verordeningen zijn vanaf 1 mei 2010 van toepassing binnen de Europese Unie. (…) Wij zullen ons besluit met vertaling toesturen aan de bevoegde organen van de lidstaten waarin u arbeid verricht alsmede aan het bevoegde orgaan in Liechtenstein. Deze organen hebben dan de gelegenheid zo nodig bezwaar te maken tegen dit besluit. Wordt door deze organen geen bezwaar gemaakt dan zullen wij voor u een A1-verklaring afgeven waarin staat dat u aan de Nederlandse wetgeving bent onderworpen.” 1.5. Aan eiser is door de SVB een A1-verklaring afgegeven met dagtekening 20 april 2018. Volgens de A1-verklaring is in de periode 12 augustus 2015 tot en met 30 juni 2016 op eiser de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing. 1.6. Over de voorlopige vaststelling van het toepasselijke recht voor werknemers van [werkgever 1] is een dialoog- en bemiddelingsprocedure tussen de Liechtensteinse autoriteit en de SVB gevoerd. De uitkomst daarvan is dat de voorlopige toepassing van de Nederlandse socialezekerheidswetgeving definitief is geworden. 1.7. Zowel [werkgever 1] als eiser zijn tegen de vaststelling van het toepasselijke recht door de SVB in bezwaar, beroep en hoger beroep gekomen. De SVB heeft de bezwaren afgewezen. Bij uitspraak van 22 februari 2019 heeft Rechtbank Amsterdam (onder meer) eisers beroep tegen de uitspraak op bezwaar van de SVB ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 oktober 2020 heeft de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van Rechtbank Amsterdam bevestigd. 1.8. In het dossier zit een brief met dagtekening 2 april 2020 van de SVB waarin aan het Liechtensteinse bevoegd orgaan inzake de coördinatie van de sociale zekerheid wordt medegedeeld dat – op grond van artikel 73, tweede lid, van Vo (EG) nr. 987/2009 – eventueel in Liechtenstein betaalde premies voor sociale zekerheid verrekend moeten worden met de in Nederland geheven premies. De SVB geeft daarbij aan dat in Nederland de premieheffing aan de Belastingdienst is opgedragen. De SVB verzoekt het Liechtensteinse bevoegd orgaan om contact te (laten) leggen met de Belastingdienst om de verrekening te realiseren. 1.9. Eiser heeft aangifte IB/PVV 2016 gedaan naar uitsluitend een inkomen uit werk en woning van € 53.795. Eiser heeft daarbij verzocht om een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van het inkomen dat hij van [werkgever 1] heeft ontvangen. Verder heeft eiser aangegeven heel 2016 niet verplicht verzekerd te zijn voor de Nederlandse sociale verzekeringen. 1.10. Bij brief van 7 maart 2019 heeft verweerder eiser aangekondigd voornemens te zijn om bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2016 af te wijken van de aangifte van eiser. Deze brief luidt – voor zover van belang – als volgt: “1. Afwijking van de aangifte Bijzondere situaties en te verrekenen voorheffingen Aftrek ter voorkoming van dubbele belasting [werkgever 1] Met betrekking tot de door uw cliënt genoten inkomsten van [werkgever 1] deel ik u mede, dat dit bedrijf aangeeft gevestigd te zijn op Liechtenstein. Met Liechtenstein heeft Nederland geen belastingverdrag gesloten. Het feit of uw cliënt wel of niet in aanmerking komt voor een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting wordt dan bepaald op grond van art 38 lid 2 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. Op grond van dit artikel komt uw cliënt voor een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting in aanmerking als hij tenminste drie aaneengesloten maanden arbeid verricht binnen het gebied van de Mogendheid waarmee Nederland geen verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten. Het binnenschip “ [naam schip] ” zal nimmer op Liechtenstein komen. Gezien dit feit voldoet uw cliënt niet aan de gestelde voorwaarden in art 38 lid 2 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. Ik ben daarom voornemens uw cliënt over de bij [werkgever 1] genoten inkomsten geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen. Vrijstelling premie volksverzekeringen In de aangifte is aangegeven dat uw cliënt het gehele jaar niet verplicht verzekerd is geweest voor de Nederlandse volksverzekeringen. Uit mijn gegevens blijkt dat uw cliënt in de periode van 1 januari 2016 t/m 30 juni 2016 werkzaam is geweest bij [werkgever 1] . In deze periode heeft uw cliënt ook afloswerkzaamheden verricht. Omdat de laatstgenoemde inkomsten niet te kwalificeren zijn als loon uit dienstbetrekking of winst uit onderneming kwalificeren deze als inkomsten uit overige werkzaamheden. Uw cliënt heeft zijn werkzaamheden voor [werkgever 1] aan boord van de “ [naam schip] ” verricht. Door de Sociale Verzekeringsbank is met dagtekening 10 april 2018 een besluit toepasselijke wetgeving afgegeven. De Sociale Verzekeringsbank heeft voor de periode van 12 augustus 2015 t/m 30 juni 2016 de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving als toepasselijk aangewezen. Dienovereenkomstig heeft de Sociale Verzekeringsbank voor de betreffende periode een A1-verklaring afgegeven. Een besluit toepasselijke wetgeving en/of een A1-verklaring is bindend zolang deze niet is ingetrokken of ongeldig is verklaard door de lidstaat die het heeft afgegeven. De A1-verklaring is niet ingetrokken of ongeldig verklaard. Daarom zal ik het besluit van de Sociale Verzekeringsbank respecteren. Ik ben voornemens uw cliënt in de periode van 1 januari 2016 t/m 30 juni 2016 niet vrij te stellen van premie volksverzekeringen. In de periode van 1 juni 2016 t/m 30 september 2016 is uw cliënt in dienstbetrekking werkzaam geweest bij [naam eigenaar schip] , een in Nederland gevestigde werkgever. In de periode van 1 juni 2016 t/m 30 september 2016 was uw cliënt daarom verplicht verzekerd op grond van de volksverzekeringen. Ik ben daarom voornemens uw cliënt ook in de periode van 1 juni 2016 t/m 30 september 2016 niet vrij te stellen van premie volksverzekeringen. In de periode van 1 oktober 2016 t/m 31 december 2016 was uw cliënt als inwoner van Nederland verplicht verzekerd voor de volksverzekeringen. Gezien voorgaande beoordeling ben ik voornemens uw cliënt voor heel 2016 als verzekerde aan te merken. Uw cliënt komt niet in aanmerking voor vrijstelling van premie volksverzekeringen.” 1.11. Met dagtekening 16 april 2019 heeft verweerder de aanslag IB/PVV 2016 opgelegd. Daarbij is verweerder overeenkomstig zijn aankondiging afgeweken van eisers aangifte. De aftrek elders belast is niet toegekend, en eiser is voor het gehele jaar in de premieheffing betrokken. 1.12. Bij brief van 24 april 2019, door verweerder ontvangen op 25 april 2019, heeft eiser pro forma bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2016. Eiser heeft daarbij verweerder verzocht voor het stellen van een termijn voor het motiveren van het bezwaar. 1.13. Bij brief van 1 mei 2019 heeft verweerder de ontvangst van het bezwaar bevestigd en eiser in de gelegenheid gesteld om het bezwaar voor 28 mei 2019 te motiveren. 1.14. Bij brief van 24 mei 2019, door verweerder ontvangen op 27 mei 2019, heeft eiser verweerder verzocht om nader uitstel voor het motiveren van het bezwaar. 1.15. Bij brief van 28 mei 2019 heeft verweerder eiser tot uiterlijk 24 juni 2019 uitstel verleend voor het motiveren van het bezwaar. 1.16. Bij e-mail van 18 juni 2019 heeft eiser nogmaals verzocht om uitstel voor het motiveren van het bezwaar. 1.17. Bij e-mail van 18 juni 2019 heeft verweerder eiser tot uiterlijk 23 juli 2019 uitstel verleend voor het motiveren van het bezwaar. 1.18. Bij brief van 19 juli 2019 heeft eiser het bezwaar gemotiveerd. 1.19. Bij brief van 26 februari 2020 heeft verweerder eiser informatie verzocht om het bezwaar te kunnen behandelen. 1.20. Bij e-mail van 16 maart 2020 heeft eiser geantwoord op verweerders verzoek om informatie. 1.21. Bij brief van 25 maart 2020 heeft verweerder eiser een vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar gezonden. In deze vooraankondiging wordt het bezwaar ongegrond verklaard. 1.22. Bij e-mail van 15 april 2020 verzoekt eiser uitstel voor het inhoudelijk reageren op verweerders voorgenomen uitspraak op bezwaar. 1.23. Bij brief van 21 april 2020 heeft verweerder eiser tot uiterlijk 1 mei 2020 uitstel verleend om te reageren op de brief van 25 maart 2020. 1.24. Bij brief van 30 april 2020 heeft eiser inhoudelijk gereageerd op verweerders voorgenomen uitspraak op bezwaar. Deze brief luidt – voor zover hier van belang – als volgt: “Op de zaak betrekking hebbende stukken - hoorzitting. De op de zaak betrekking hebbende stukken zijn door u nog niet overgelegd. Met een beroep op artikel 7:4 Awb verzoek ik u de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen door de aan mij toe te mailen, zodat ik daarop nog kan ingaan. Dat betreft onder andere de stukken welke het gevolg zijn van de op u rustende onderzoeksplicht van nr. 10 van de preambule van Vo 987/2009. Dat betreft voorts de contacten welke u ter zake heeft gehad met de SVB, of andere organen, zoals het Liechtensteinse orgaan en voorts uw contacten met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Indien en voor zover u de stukken slechts verschaft in het kader van een hoorzitting wordt hierbij om een hoorzitting verzocht.” 1.25. Eiser is na afloop van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om nadere berekeningen te sturen met het oog op verrekening van premies en toepassing van de werkkostenregeling. Eiser heeft deze stukken op 11 augustus 2021 toegezonden. Verweerder heeft hierop bij brief van 3 september 2021 gereageerd. Geschil 2.1.1. Ten aanzien van de premieheffing is primair in geschil of verweerder eiser voor de perioden 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016 en 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2016 terecht in de premieheffing heeft betrokken. Als de rechtbank van oordeel is dat eiser over deze perioden terecht in de premieheffing is betrokken, dan is subsidiair in geschil of op grond van artikel 73, tweede lid, van Vo 987/2009 de Liechtensteinse sociale zekerheidspremies met de premieheffing verrekend moeten worden. 2.1.2. Niet in geschil is dat eiser voor de periode 1 juli 2016 tot en met 30 september 2016 terecht door verweerder in de premieheffing is betrokken. 2.2. Meer subsidiair is in geschil of het belastbare inkomen te hoog is vastgesteld. Daarbij is meer specifiek in geschil: of in Liechtenstein betaalde sociale zekerheidspremies in aftrek op het fiscale loon kunnen worden gebracht; of nog rekening gehouden moet worden met de vrije ruimte van de werkkostenregeling. 2.3. Meest subsidiair is in geschil is of door eisers Liechtensteinse werkgever ingehouden bedragen als loonheffing verrekend moeten worden met de aanslag IB/PVV 2016. Standpunten 3.1.1. Ten aanzien van het primaire geschilpunt stelt eiser – samengevat – dat verweerder hem voor de genoemde perioden ten onrechte in de premieheffing heeft betrokken. 3.1.2. Ten aanzien van de periode 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016 mocht verweerder de door de SVB afgegeven A1-verklaring niet volgen. Door het volharden in de heffing van premies brengt verweerder eiser in een ernstige financiële noodsituatie. Het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2018, waar verweerder zich op beroept, kan daarom niet toegepast worden. Eiser was in deze periode ook niet verzekeringsplichtig in Nederland, omdat hij niet een substantieel deel van zijn werkzaamheden in Nederland heeft verricht. Eiser stelt dat op zijn loon ook premie voor Liechtensteinse sociale verzekeringen is ingehouden. Nederlandse premieheffing is dan dubbele premieheffing. Het materiële zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 van de Awb staan dan aan de premieheffing in de weg. Het evenredigheidsbeginsel speelt ook een belangrijke rol bij toepassing van Vo (EG) nr. 987/2009 en Vo (EG) nr. 883/2004, aldus eiser. Op grond van het evenredigheidsbeginsel zal regularisatie (toepassing van artikel 16 van Vo (EG) nr. 883/2004) moeten plaatsvinden. Eiser verzoekt de rechtbank hier expliciet om. Als er geen regularisatie plaatsvindt, dan staat het evenredigheidsbeginsel nog steeds in de weg aan het heffen van Nederlandse premie volksverzekeringen. Het is niet te rijmen met de beginselen van de rechtsstaat dat eiser met dubbele premieheffing wordt geconfronteerd. Dit temeer nu de procedurevoorschriften die hem daartoe dienen te beschermen door de lidstaten niet zijn nageleefd, aldus eiser. 3.1.3. Voor de periode 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2016 stelt eiser primair dat verweerder ten onrechte het Nederlandse sociale zekerheidsrecht op hem van toepassing heeft geacht. Omdat eiser in dienst is van een Liechtensteinse werkgever, en hij niet een substantieel deel van zijn werkzaamheden in Nederland verricht, had verweerder moeten beslissen dat het Nederlandse sociale zekerheidsrecht niet van toepassing is. Subsidiair stelt eiser dat – op dezelfde gronden als voor de periode 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016 – verweerder geen premie mag heffen. 3.2. Ten aanzien van het subsidiaire geschilpunt stelt eiser dat verweerder zonder verrekening geen premie volksverzekeringen mag heffen. Omdat Liechtenstein van mening was dat het Liechtensteinse sociale zekerheidsrecht van toepassing was op eiser zijn in Liechtenstein ook premies betaald. Als het Nederlandse sociale zekerheidsrecht van toepassing is, moeten op grond van artikel 73, tweede lid, van Vo (EG) nr. 987/2009, de in Liechtenstein betaalde premies door verweerder verrekend worden met de Nederlandse premieheffing. Zonder toepassing van de verrekening mag verweerder geen premie heffen, aldus eiser. Eiser stelt onder verwijzing naar artikel 3, eerste lid, van Vo (EG) nr. 883/2004 dat alle in Liechtenstein betaalde sociale zekerheidspremies verrekend dienen te worden. 3.3. Ten aanzien van het meer subsidiaire geschilpunt stelt eiser dat het belastbaar inkomen te hoog is vastgesteld. Eiser voert daartoe – samengevat – de volgende gronden aan: a. Op grond van artikel 3.16, negende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) moeten de in Liechtenstein betaalde premies in aftrek worden gebracht bij de bepaling van het belastbaar loon. Het is op geen enkele wijze te verdedigen dat in het kader van het bepalen van de belastbare winst de in Liechtenstein betaalde verzekeringspremies wel in aftrek worden genomen, maar dit niet het geval zou zijn bij bepaling van het belastbaar loon. b. Er is ten onrechte geen rekening gehouden met de werkkostenregeling. Omdat sprake is van een buitenlandse werkgever die niet in Nederland een loonadministratie voert moet via de aangifte alsnog de vrije ruimte gebruikt kunnen worden. Na omrekening van het Liechtensteinse loon naar Nederlandse maatstaven moet dat nog met 1,2% verminderd worden. 3.4. Ten aanzien van het meest subsidiaire standpunt stelt eiser dat op grond van Nederlandse jurisprudentie loonheffingen die door de werkgever op het loon zijn ingehouden door de werknemer verrekend kunnen worden, ook als de werkgever de ingehouden loonheffing niet afdraagt. Standpunten verweerder 4.1.1. Ten aanzien van het primaire geschilpunt stelt verweerder – samengevat – dat hij eiser terecht en voor het juiste bedrag in de premieheffing heeft betrokken. Verweerder stelt dat het aan eiser is om een eventuele (gedeeltelijke) vrijstelling van premieheffing aannemelijk te maken. Volgens de hoofdregel van de nationale bepalingen is eiser, als ingezetene en jonger dan 65 jaar, verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen. 4.1.2. Voor de periode 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016 stelt verweerder dat uit de A1-verklaring volgt dat op eiser het Nederlandse sociale zekerheidsrecht van toepassing is. De door de SVB afgegeven A1-verklaring moet in de fiscale procedure gevolgd worden. Ten aanzien van eisers beroep op artikel 3:4 van de Awb en het daarin neergelegde materiële zorgvuldigheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel stelt verweerder dat hij geen discretionaire bevoegdheid heeft ten aanzien van het vaststellen van de sociale verzekeringspositie van eiser. Dan mist artikel 3:4 van de Awb toepassing. 4.1.3. Voor de periode 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2016 stelt verweerder dat hij terecht het Nederlandse sociale zekerheidsrecht van toepassing heeft geacht op eiser. Eiser heeft geen vaartijdenboek overgelegd, zodat niet vastgesteld kan worden of hij minder dan 25% van zijn werkzaamheden in Nederland heeft verricht. Eiser slaagt er daarom niet in te bewijzen dat hij – in afwijking van de nationaalrechtelijke hoofdregel – niet verzekerd is voor de Nederlandse volksverzekeringen. 4.1.4. Ten aanzien van het subsidiaire geschil stelt verweerder – samengevat – dat Liechtenstein nooit gerechtigd is geweest om van eiser premies te heffen voor sociale verzekeringen die onder de materiële werkingssfeer van Vo 883/2004 vallen. Er is dan geen grondslag voor verrekening. Ook de Wet IB noch enige andere nationale regeling biedt de mogelijkheid om rekening te houden met ten onrechte geheven buitenlandse sociale zekerheidsbijdragen. Volgens verweerder is eisers werkgever aan het stelselshoppen geweest en is er sprake van welbewust sociale zekerheidspremies in het verkeerde land afdragen. Na de voorlopige vaststelling van het Nederlandse socialezekerheidsrecht door de SVB (zie 1.4.) had [werkgever 1] zich direct in Nederland moeten melden als inhoudingsplichtige. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er wel verrekening moet plaatsvinden, dan is het aan eiser om aannemelijk te maken welke en hoeveel premies hij in Liechtenstein heeft betaald, en of die premies voor sociale verzekeringen vergelijkbaar zijn met de Nederlandse volksverzekeringen. Tot slot stelt verweerder dat, als er sprake zou zijn van verrekening op grond van artikel 73, tweede lid, van Vo (EG) nr. 987/2009, die verrekening niet via de aanslag IB/PVV 2016 kan verlopen. Gelet op de formulering in Vo (EG) nr. 987/2009 zal de verrekening via de SVB verlopen. 4.2. Ten aanzien van het meer subsidiaire geschil stelt verweerder – samengevat – dat artikel 3.16 van de Wet IB alleen ziet op de bepaling van de fiscale winst, en niet op de bepaling van het belastbaar loon. Verweerder merkt daarbij verder op dat artikel 3.16 van de Wet IB ziet op dubbele premieplicht, daar is hier ook geen sprake van. Volgens verweerder kan de werkkostenregeling enkel nog toegepast worden op het Liechtensteinse loon als eiser aannemelijk maakt dat het door hem aangegeven belastbaar loon te hoog is. Eiser heeft dat niet aannemelijk gemaakt, aldus verweerder. 4.3. Ten aanzien van het meest subsidiaire geschilpunt stelt verweerder dat de jurisprudentie waar eiser op doelt, ziet op verrekening van Nederlandse loonheffingen en niet op buitenlandse loonheffingen. Beoordeling Primaire geschil / Nederlandse verzekerings- en premieplicht 5.1. Voor wat betreft de premieheffing over de periode 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016 overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat door de SVB aan eiser een A1verklaring is afgegeven waaruit volgt dat op eiser voor (onder meer) deze periode in 2016 het Nederlandse socialezekerheidsrecht van toepassing is (zie 1.5.). Deze A1verklaring is niet ingetrokken of ongeldig verklaard. De uitkomst van de (hoger) beroepsprocedures in de sociale zekerheidskolom, is dat deze A1verklaring nog steeds geldig is (zie 1.7.). 5.2. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat zowel verweerder als de belastingrechter gebonden zijn aan een door de SVB afgegeven A1verklaring zolang die niet ingetrokken of ongeldig verklaard is. 5.3. Voor zover eiser de juistheid van de A1verklaring betwist overweegt de rechtbank dat de A1-verklaring in de fiscale procedure niet inhoudelijk getoetst kan worden. Tegen de beslissing van de SVB op grond waarvan de A1-verklaring is afgeven staat namelijk beroep open bij de algemene bestuursrechter. Hetgeen eiser in deze procedure heeft aangevoerd tegen de juistheid van de A1-verklaring treft daarom geen doel. 5.4. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank eiser terecht voor de periode 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016 in de premieheffing betrokken. 5.5 Voor wat betreft de premieheffing over de periode 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2016 overweegt de rechtbank als volgt. Voor deze periode is door de SVB aan eiser geen A-1 verklaring afgegeven. De rechtbank stelt voorop dat, nu eiser in deze periode werkzaam was voor een Liechtensteinse werkgever, ter bepaling van de op hem toepasselijke socialezekerheidswetgeving de aanwijsregels van Verordening (EG) nr. 883/2004 van toepassing zijn. 5.6. Artikel 13 van Vo (EG) nr. 883/2004 (tekst 2016) luidt – voor zover hier van belang – als volgt: “1. Op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, is van toepassing: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.