RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 20/3333 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en Autoriteit Persoonsgegevens, verweerder (gemachtigde: mr. J.M.A. Koster). Als derde-partij neemt aan het geding deel: de burgemeester van de gemeente Súdwest Fryslân (gemachtigde: C.R. Aden). Procesverloop In het besluit van 1 september 2019 (primair besluit) heeft verweerder de klacht van eiser op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) afgewezen. In het besluit van 1 oktober 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 23 september 2021 en 8 oktober 2021 heeft eiser aanvullende gronden ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2021 op een hybride zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich via Skype laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen afwijzing van zijn AVG-klacht. Eiser heeft op 13 februari 2019, aangevuld op 10 juli 2019, de klacht ingediend bij verweerder. Eiser heeft verweerder verzocht om corrigerende maatregelen te nemen richting de Nationale Politie, de gemeente Súdwest Fryslân, het Veiligheidshuis Fryslân, woningstichting Woonfriesland en woningstichting Elkien. Verweerder heeft de klacht in het primaire besluit afgewezen. Volgens verweerder is het wat betreft de gemeenten en Nationale Politie niet aannemelijk dat sprake is van een overtreding. Wat betreft de woningstichtingen heeft verweerder geconcludeerd dat de klacht niet voldoet aan de prioriteringscriteria. 2. Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiser heeft verweerder vastgehouden aan haar beslissing om de klacht af te wijzen en geen nader onderzoek te verrichten naar de onder 1. Genoemde instanties. Beoordeling door de rechtbank Bespreking kern van de beroepsgronden 3. De rechtbank stelt vast dat eiser uitvoerige en gedetailleerde beroepsgronden naar voren heeft gebracht. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser graag had gezien dat alle door hem ingediende beroepsgronden integraal door de rechtbank worden besproken, zal in dit geval worden volstaan met een bespreking van de kern van die beroepsgronden. Uit de artikelen 8:69 en 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vloeit namelijk niet voort dat de bestuursrechter op alle aangevoerde gronden en argumenten afzonderlijk moet ingaan. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 januari 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:156). Zorgvuldigheid 4. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder zijn klacht niet goed heeft weergegeven in het bestreden besluit. Verweerder heeft ook, naar aanleiding van het telefonisch overleg, ten onrechte een samenvatting gemaakt van de klacht en de bezwaargronden. Volgens eiser is de klacht teruggebracht tot de situatie ten aanzien van het Veiligheidshuis, terwijl de situatie volgens eiser meeromvattend is dan door verweerder is gepresenteerd. Verder wijst eiser erop dat verweerder niet alle stukken, zoals zijn mails van 9 juli 2019, bij de besluitvorming heeft betrokken. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat hij als bijlage bij zijn bezwaarschrift een usb-stick naar verweerder heeft gestuurd, met daarop videobeelden die ter ondersteuning van zijn klacht dienen. De usb-stick is vervolgens retour gekomen. 4.1. De gemachtigde van verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat oog is geweest voor het gehele verhaal van eiser. Verweerder heeft geprobeerd om behulpzaam te zijn door de bezwaargronden van eiser in e-mails samen te vatten. De gemachtigde heeft aangegeven dat dit een vaste werkwijze is voor medewerkers bezwaar. Het gaat erom dat inzicht wordt verkregen in hetgeen dat voor de bezwaarmaker in de kern het belangrijkst is. Ook is geprobeerd om met eiser te bespreken waar zijn klacht in de kern om ging, aldus de gemachtigde. De gemachtigde van verweerder heeft wat betreft de usb-stick ter zitting toegelicht dat nadien om een schriftelijke omschrijving van de videobeelden is gevraagd, deze zijn ook ontvangen. Na bestudering van de schriftelijke omschrijving heeft verweerder besloten dat dit voldoende was en dat de beelden niet alsnog bekeken hoefden te worden. 4.2. Gelet op de omvang van het bezwaarschrift acht de rechtbank het zorgvuldig dat verweerder contact heeft opgenomen met eiser om met hem de klacht en de bezwaargronden te bespreken en samen te vatten. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken dat eiser door deze werkwijze in zijn belangen is geschaad. Daarvoor acht de rechtbank van belang dat eiser in zijn brief van 13 juli 2019 heeft gereageerd op de samenvatting van verweerder en op 9 juli 2019 nog twee aanvullende mails heeft verzonden. De enkele omstandigheid dat verweerder in de beslissing op bezwaar niet alle door eiser overgelegde stukken en aanvullende gronden letterlijk heeft genoemd in het bestreden besluit leidt, reeds vanwege de omvang van die stukken, niet tot een ander oordeel. Ook heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval de kern van de klacht en bezwaargronden besproken. Het betoog slaagt dus niet. 4.3. Ten aanzien van de overgelegde usb-stick overweegt de rechtbank dat verweerder rekening heeft gehouden met de door eiser gegeven omschrijving van de ingediende videobeelden. Niet gebleken is dat verweerder met deze werkwijze onzorgvuldig heeft gehandeld of dat eiser hierdoor is benadeeld. Dit argument slaagt dus niet. De bevoegdheid van de betrokken instanties voor verwerking van persoonsgegevens 5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de rechtmatigheid van de gegevensverwerking door het Veiligheidshuis. Verder verwijst eiser naar artikel 6, eerste lid onder e, van de AVG en betoogt dat dat voor de gemeentes geen juiste grondslag is voor het verwerken van de persoonsgegevens. 5.1. De rechtbank stelt vast dat op 14 november 2018 een maatwerkoverleg heeft plaatsgevonden van het Veiligheidshuis. Daarbij waren vertegenwoordigers aanwezig van de gemeente Súdwest-Fryslân, de woningstichtingen Elkien en Woonfriesland, het gebiedsteam Súdwest-Fryslân en de politie. De rechtbank stelt vast dat in het verslag onder meer eisers naam, geboortedatum en adres zijn opgenomen. Verder wordt onder andere melding gemaakt van problemen tussen eiser en andere omwonenden in [plaats 1] en [plaats 2] , en een aangifte van eiser van een bedreiging door de zoon van een omwonende. Ook worden zorgen geuit over een mogelijke escalatie. 5.2. Niet in geschil is dat de verslaglegging van het maatwerkoverleg, is te kwalificeren als verwerking van persoonsgegevens in de zin van de AVG. Door eiser wordt de bevoegdheid van de gemeente en de woningstichtingen om persoonsgegevens te verwerken betwist. 5.3. Volgens verweerder kunnen de gegevens in dit geval worden verwerkt op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de AVG. Dit artikellid bepaalt dat de verwerking, voor zover van belang, rechtmatig is als die noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang of een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen. 5.3.1. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) heeft geoordeeld in de uitspraak van 30 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1420) volgt uit overwegingen 41 en 45 van de considerans bij de AVG, dat de AVG niet voorschrijft dat voor elke afzonderlijke verwerking specifieke wetgeving vereist is. Er kan worden volstaan met wetgeving die als basis fungeert voor verscheidene verwerkingen. Die wetgeving moet duidelijk en nauwkeurig zijn en de toepassing daarvan moet voorspelbaar zijn voor degenen op wie deze van toepassing is. Uit deze overwegingen volgt niet dat de noodzaak voor de verwerking moet voortvloeien uit een wet in formele zin. Een dergelijke verplichting vloeit ook niet voort uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het EU Handvest). Ook volgens het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is een formele wet niet vereist. Het vereiste dat een inmenging ‘bij wet’ moet zijn voorzien in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM betekent alleen maar dat de aangevochten maatregel een basis in de nationale wetgeving moet hebben en in overeenstemming moet zijn met de vereisten van de rechtsstaat. Dat kan ook lagere regelgeving zijn. 5.4. Vast staat dat het Veiligheidshuis een samenwerkingsverband is van verschillende instanties. Omdat sprake is van een samenwerkingsverband, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte eerst beoordeeld of iedere deelnemende instantie een eigen (wettelijke) grondslag heeft die als basis fungeert voor gegevensverwerking 5.5. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de verantwoordelijkheid van de burgemeester om de openbare orde te handhaven moet worden aangemerkt als een taak als bedoeld in artikel 6, eerste lid onder e, van de AVG. Deze taak vloeit voort uit artikel 172 van de Gemeentewet. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat deze grondslag onduidelijk of onnauwkeurig zou zijn. 5.6. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting aangegeven dat een toets aan proportionaliteit en subsidiariteit in het kader van die bevoegdheid van de gemeenten pas aan de orde komt bij nader onderzoek. Verweerder ziet vanwege haar prioriteringsbeleid in dit geval geen noodzaak tot nader onderzoek. 5.7. Dat geldt volgens verweerder ook voor het gestelde gegevensverwerking door de woningstichtingen Elkien en WoonFriesland. De rechtbank zal hierna nader ingaan op het prioriteringsbeleid van verweerder. Artikel 13 EVRM 6. Eiser heeft aangevoerd dat het hanteren van de Beleidsregels prioritering klachtenonderzoek (beleidsregels) in strijd is met het recht op een effectieve rechtsbescherming zoals bedoeld in artikel 13 van het EVRM. 6.1. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het betoog niet. De beleidsregels kunnen via exceptieve toetsing aan de orde worden gesteld. Zo’n toetsing houdt in dat beleidsregels door de rechter in een zaak over een besluit dat op die beleidsregels berust, kunnen worden getoetst op rechtmatigheid. De rechtbank begrijpt de beroepsgronden van eiser zo, dat deze zich richten op de toepassing van de beleidsregels in dit geval. Het prioriteringsbeleid van verweerder 7. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder op grond van de beleidsregels verder onderzoek had moeten doen naar de gegevensverwerking door woningstichtingen Elkien en Woonfriesland. Eiser voert aan dat de overtreding grote impact op hem heeft gehad en onderzoek naar de overtreding bredere maatschappelijke betekenis heeft nu het om woonoverlast gaat. Verweerder is volgens hem bovendien in staat om hiertegen op te treden, nu de organisaties waartegen de klacht is gericht duidelijk af te bakenen zijn. 7.1. Uit artikel 57, eerste lid, aanhef en onder f, van de AVG volgt, voor zover van belang, dat verweerder de inhoud van de klacht onderzoekt in de mate waarin dat gepast is. 7.2. Verweerder heeft gezien de keuzeruimte die artikel 57 van de AVG de nationale toezichthouders laat, beleidsregels vastgesteld. In artikel 2 van deze beleidsregels staat dat verweerder eerst op basis van de inhoud van de klacht beoordeelt of het gaat om een verwerking van persoonsgegevens die de klager betreft en of er al dan niet sprake is van een overtreding van de AVG. 7.2.1. In situaties waarin uit de eerste beoordeling blijkt dat mogelijk sprake is van een overtreding, maar waarvoor nader onderzoek nodig is om de overtreding vast te stellen, toetst verweerder eerst aan haar prioriteringscriteria. Uit punt 2.6. van de toelichting bij de beleidsregels volgt wat de prioriteringscriteria zijn: hoe schadelijk is de vermeende overtreding voor de betrokkene(n); wat is de omvang van de bredere maatschappelijk betekenis van een eventueel optreden van verweerder; en in hoeverre is verweerder in staat doeltreffend en doelmatig op te treden. 7.2.2. Een klacht hoeft volgens de beleidsregels niet op alle criteria ‘hoog te scoren’ voordat verweerder overgaat tot een nader onderzoek. Als een klacht op meerdere criteria hoog scoort, is er wel eerder aanleiding voor een nader onderzoek. In het geval er echter sprake is van een lage(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.