Rechtbank Noord-Nederland – ECLI:NL:RBNNE:2022:4999
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 22/824 en LEE 22/909 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2022 in de zaken tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) (gemachtigde: S.S. Wiltjer - Rienstra).
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank allereerst het beroep van eiser tegen de afwijzingen van het Uwv om aan hem een vergoeding toe te kennen vanwege het niet tijdig nemen van beslissingen. Met het bestreden besluit van 17 februari 2022 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij die besluiten gebleven. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder het zaaknummer LEE 22/824.
Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het Uwv.
Algemene overwegingen 5. In de zaak die bij de rechtbank geregistreerd staat onder het zaaknummer LEE 22/824 beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek van eiser om vergoeding van dwangsommen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser naar voren heeft gebracht.
Regelgeving 7. De van belang zijnde wettelijke voorschriften zijn weergegeven in de bijlage bij deze uitspraak.
Totstandkoming van de besluiten LEE 22/824 8. Bij brieven van 14 november 2021 heeft eiser het Uwv in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig nemen van besluiten. Hiertoe heeft eiser aangegeven dat in 2020 al is overeengekomen dat zijn uitkeringen op grond van de WW, de ZW en de WIA ingetrokken zullen worden.
Hiertoe heeft het Uwv overwogen dat eiser geen recht heeft op een dwangsom omdat er geen sprake is van een aanvraag. De betaalspecificatie van 11 augustus 2020 dient, aldus het Uwv, gezien te worden als een besluit inzake de intrekking van de WW en ZW. Met betrekking tot de WIA-uitkering die per 22 januari 2018 is toegekend geeft het Uwv aan dat deze niet is ingetrokken, maar dat deze door het besluit van 29 mei 2020 is omgezet naar een WIA-uitkering per 3 november 2014. Ten slotte geeft het Uwv aan dat eiser de ingebrekestellingen onredelijk laat heeft verstuurd.
LEE 22/909 11. Bij besluit van 6 februari 2014 heeft het Uwv aan eiser met ingang van 3 februari 2014 een WW-uitkering toegekend.
In artikel 1 is opgenomen: “UWV kent aan [eiser] een Ziektewet-uitkering en een WIA-uitkering toe op basis van een eerste ziektedag die is gelegen op 5 november 2012;”. In artikel 2 is opgenomen: “De toekenning van beide uitkeringen vloeit niet voort uit enig onrechtmatig bevonden besluit, maar is gebaseerd op de behoefte van partijen aan een finale geschilbeslechting;”. In artikel 6 van deze vaststellingsovereenkomst is opgenomen: “De WW-uitkering die met ingang van 3 februari 2014 is toegekend wordt ingetrokken. Hetzelfde geldt voor de Ziektewet-uitkering die is toegekend per 25 april 2016. De WIA-uitkering die is toegekend per 22 januari 2018 wordt aangepast conform deze overeenkomst. De Ziektewet-uitkering die vanaf 1 januari 2019 is toegekend blijft in de huidige vorm bestaan.”.
Beoordeling door de rechtbank 17. In beide zaken heeft eiser verzocht om vrijstelling van het griffierecht omdat de zaken met elkaar samenhangen. De rechtbank ziet - gelet op de samenhang tussen beide zaken - aanleiding om uitsluitend griffierecht te heffen in de zaak LEE 22/824. De griffier zal het door eiser reeds betaalde griffierecht in de zaak LEE 22/909, ten bedrage van € 50,-, aan eiser terugbetalen.
LEE 22/824 18. Eiser wil expliciete intrekkingsbesluiten ontvangen van de intrekking van zijn ZW- uitkering en zijn WW-uitkering. Hierbij heeft eiser aangegeven dat het besluit op bezwaar van 29 mei 2020, waarin aan hem per 3 november 2014 een WIA-uitkering is toegekend, moet worden gezien als een aanvraag om een intrekkingsbesluit van zijn ZW-uitkering en de WW-uitkering. Ter zitting heeft eiser verklaard dat het Uwv terecht zijn verzoeken van 14 november 2021 heeft opgevat als ingebrekestellingen in het kader van het niet tijdig nemen van besluiten.
20.1 Op grond van vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (de CRvB) (waaronder de uitspraak van 23 oktober 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3337) ligt aan elke (meestal: maandelijkse) betaling van salaris of uitkering een besluit tot zodanige betaling ten grondslag. Wanneer een ander daartoe strekkend geschrift van het bestuursorgaan ontbreekt, kan dit besluit zichtbaar worden in een salaris- of uitkeringsspecificatie. Daartegen staat dan in beginsel het rechtsmiddel van bezwaar open. De rechtmatigheid van een eerder genomen besluit waarbij over de grondslag van periodiek te betalen salaris of uitkering is beslist, kan niet bij elke betaling opnieuw aan de orde worden gesteld als er in de periodieke betaling geen wijziging optreedt. Dan is in het algemeen slechts sprake van een herhaling van de eerder genomen beslissing. Zo’n herhaling is niet gericht op enig rechtsgevolg dat niet reeds door de oorspronkelijke beslissing tot stand was gebracht en kan om die reden niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
20.2 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat de betaalspecificatie geen besluit is verwezen naar de uitspraak van de CRvB van 24 juni 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:714). Uit deze uitspraak volgt, aldus eiser, dat in zijn situatie geen sprake is van een besluit nu er uitsluitend een verrekening van andere en eerdere rechten heeft plaatsgevonden. Uit deze verrekeningen is, aldus eiser, niet op te maken dat er besluiten zijn ingetrokken.
20.3 Naar het oordeel van de rechtbank kan aan de uitspraak van de CRvB waarnaar eiser verwijst niet de waarde worden toegekend die eiser hieraan graag toegekend zou zien. Hiertoe overweegt de rechtbank dat in die uitspraak van de CRvB is geoordeeld dat een uitkeringsspecificatie over januari 2010 een wijziging in de periodieke betaling betrof en dus geen herhaling was van een eerder genomen besluit inzake de verlening van bijstand. Gelet daarop was in dat geval, aldus de CRvB, de uitkeringsspecificatie van januari 2010 een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, en de daaropvolgende specificaties over februari, maart en mei niet, omdat die alleen een herhaling waren van de specificatie over januari 2010. In eisers situatie is met de betaalspecificatie van 11 augustus 2020 zichtbaar geworden dat eisers WW-uitkering en ZW-uitkering zijn ingetrokken en verrekend met zijn WIA-uitkering. Gelet hierop is ook hier sprake van een wijziging van een periodieke betaling en is geen sprake van een herhaling van een eerder genomen besluit. De rechtbank kan het Uwv volgen in het standpunt dat de betaalspecificatie van 11 augustus 2020 kan worden gezien als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Maar, zoals hiervoor al overwogen, ook al zou de betaalspecificatie van 11 augustus 2020 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb zijn dan nog is toepassing van de dwangsomregeling niet aan de orde nu ook dan geen sprake is van een beschikking op aanvraag.
LEE 22/909 21. In de zaak die bij de rechtbank geregistreerd staat onder het nummer LEE 22/909 ligt het verzoek van eiser voor om schadevergoeding. Ter zitting heeft eiser (nader) toegelicht dat zijn verzoek om schadevergoeding betrekking heeft op het door het Uwv onrechtmatig niet nemen van een besluit. Hierbij heeft eiser – net als in de zaak LEE 22/824 – aangegeven dat de betaalspecificatie geen besluit is nu er uitsluitend sprake is van een verrekening. In rechtsoverweging 20.3 heeft de rechtbank geoordeeld dat de betaalspecificatie van 11 augustus 2020 wel een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het Uwv heeft dus wel een besluit genomen. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen grondslag voor het toekennen van een schadevergoeding vanwege het onrechtmatig niet nemen van een besluit. Dat de betaalspecificatie onrechtmatig was heeft eiser niet onderbouwd gesteld, en is ook verder niet gebleken. Het verzoek om schadevergoeding komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.
Conclusie en gevolgen LEE 22/824 22. Gelet op al het bovenstaande heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank terecht het verzoek van eiser tot vaststelling van een dwangsom afgewezen. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is hoeft het Uwv het griffierecht niet aan eiser te vergoeden en krijgt hij ook geen vergoeding voor zijn proceskosten.
LEE 22/909 23. Gelet op al het bovenstaande wordt eisers verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.
Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep dat is geregistreerd onder het nummer LEE 22/824 ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding dat is geregistreerd onder het nummer LEE 22/909 af; bepaalt dat de griffier het griffierecht in de zaak LEE 22/909 aan eiser terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2022. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht:
Artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht:
Artikel 8:90 van de Algemene wet bestuursrecht:
Artikel 8:92 van de Algemene wet bestuursrecht:
Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.