RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie Groningen zaak-/rekestnummer: C/18/211608 / FA RK 22-626 beschikking van 4 november 2022 in de zaak van [naam man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de man, advocaat: mr. F. Salouli, kantoorhoudende te Amsterdam, en [naam vrouw] , thans verblijvende in [plaats in de Verenigde Arabische Emiraten] , hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. A. Mulder, kantoorhoudende te Groningen. 1Het (verdere) procesverloop 1.1. Bij beschikking van 25 maart 2022 heeft de rechtbank het verzoek van de man om een voorlopige omgangsregeling tussen hem en [naam kind] , de dochter van partijen, afgewezen. De rechtbank heeft de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) verzocht om een onderzoek in te stellen naar de thuissituatie van de vrouw en [naam kind] , naar de thuissituatie van de man (en zijn oudere dochter) en naar de vraag of het op dit moment mogelijk is om een omgangsregeling tussen de man en [naam kind] vast te stellen en zo ja, hoe die regeling eruit moet komen te zien. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden. 1.2. De rechtbank heeft het rapport van de Raad op 2 september 2022 ontvangen. 1.3. De rechtbank heeft op 31 augustus 2022 een F9-formulier met bijlagen, waaronder een reactie op het raadsrapport, van de zijde van de man ontvangen. 1.4. Op 20 september 2022 heeft de rechtbank een F9-formulier van de zijde van de vrouw ontvangen waarin de vrouw een reactie geeft op het raadsrapport. 1.5. Op 26 oktober 2022 heeft de rechtbank een akte van de zijde van de vrouw ontvangen. 1.6. De rechtbank heeft op 27 oktober 2022 een F9-formulier met bijlagen van de zijde van de man ontvangen. 1.7. Op 31 oktober 2022 heeft de rechtbank de mondelinge behandeling van de zaak voortgezet. Daarbij zijn verschenen en gehoord de man, bijgestaan door zijn advocaat (via Teams aanwezig) en een tolk (Arabisch), mr. A. Mulder en mevrouw [naam vertegenwoordiger] , die de Raad vertegenwoordigt. 1.8. Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de vrouw niet ter zitting verschenen. 2De (verdere) beoordeling 2.1. De man heeft op 11 februari 2022 twee verzoekschriften bij de rechtbank ingediend. De man verzocht de rechtbank daarin een (voorlopige) omgangsregeling tussen hem en [naam kind] vast te stellen. Daarnaast verzocht de man de rechtbank de beschikking van 18 juni 2021 te wijzigen en te bepalen dat partijen voortaan weer samen het gezag over [naam kind] zullen uitoefenen. 2.2. De rechtbank heeft bij beschikking van 25 maart 2022 vastgesteld dat de rechtbank rechtsmacht heeft ten aanzien van de verzoeken van de man en dat het Nederlandse recht van toepassing is op de verzoeken van de man. Omdat onduidelijk was waar de vrouw en [naam kind] op dat moment verbleven, achtte de rechtbank zich op dat moment onvoldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen op de verzoeken van de man. De rechtbank heeft het verzoek van de man om een voorlopige omgangsregeling vast te stellen daarom afgewezen en de andere verzoeken van de man aangehouden. De rechtbank heeft de Raad verzocht om onderzoek te doen naar de situatie van [naam kind] en haar ouders en naar de mogelijkheden ten aanzien van het contact tussen de man en [naam kind] en daarvan een rapport op te maken. 2.3. Op 2 september 2022 heeft de rechtbank het rapport van de Raad ontvangen. Uit dat rapport blijkt het volgende. De Raad heeft tijdens het onderzoek weinig zicht gekregen op de thuissituatie van de vrouw en [naam kind] . De vrouw en [naam kind] staan ten tijde van het onderzoek nog ingeschreven in de provincie Groningen. De vrouw heeft echter aangegeven dat zij sinds maart 2022 in een land buiten de Europese Unie verblijft. Zij heeft verder aangegeven dat ze niet van plan is terug te keren naar Nederland met [naam kind] . De man verblijft met zijn oudere dochter [naam oudere dochter] in het AZC in [plaats] . Het is op dit moment niet duidelijk of de man een verblijfsvergunning zal krijgen, die procedure loopt nog. 2.4. Uit het rapport volgt verder dat de Raad een omgangsregeling waarbij [naam kind] elk weekend en de helft van de vakanties en feestdagen bij de man verblijft, niet in het belang van [naam kind] vindt. [naam kind] heeft in de afgelopen jaren slechts beperkt contact gehad met haar vader. Daarnaast heeft de man geen verzorgende taak gehad in de opvoeding van [naam kind] . Er is veel sprake van wantrouwen over en weer. De vrouw denkt dat de man [naam kind] bij haar weg wil houden en dit maakt haar bezorgd. De vrouw informeert de man daarom niet over [naam kind] en [naam kind] heeft haar vader al meer dan een jaar niet gezien. De Raad ziet op dit moment weinig mogelijkheden ten aanzien van de omgang, zeker nu de vrouw heeft aangegeven buiten de Europese Unie te willen blijven wonen met [naam kind] . De man is er van overtuigd dat de vrouw en [naam kind] in [plaats in de Verenigde Arabische Emiraten] wonen. De man mag [plaats in de Verenigde Arabische Emiraten] echter niet in. Daar komt bij dat de juridische strijd tussen partijen een belemmerende factor is. Zowel in Nederland als in [plaats in de Verenigde Arabische Emiraten] lopen er juridische procedures. Het is onduidelijk wat de rechter in [plaats in de Verenigde Arabische Emiraten] precies heeft beslist. De Raad is wel van mening dat de beëindiging van het gezag van de man, hem verder op afstand heeft gezegd en dat het de verantwoordelijkheid van de vrouw is om de vader met regelmaat te informeren over [naam kind] . De Raad is van mening dat het de taak van de vrouw is om zich in te spannen zodat [naam kind] weet wie haar vader is, dit kan bereikt worden door het met regelmaat over de man te hebben en door videobelcontact te realiseren tussen de man en de [naam kind] . De Raad adviseert de rechtbank dan ook een omgangsregeling tussen de man en [naam kind] vast te stellen waarbij de man en [naam kind] iedere week met elkaar videobellen op een door partijen (via hun advocaten) afgesproken tijdstip. 2.5. De man is het niet eens met het advies van de Raad. De man is van mening dat de Raad niet heeft kunnen vaststellen of de vrouw zich duurzaam buiten Nederland wil vestigen met [naam kind] . De man constateert zelf dat de vrouw weer enige tijd in Nederland is geweest en dat zij niet de intentie heeft (gehad) om voorgoed uit Nederland te vertrekken. De man snapt dan ook niet waarom de Raad geen fysiek gesprek heeft gehad met de vrouw. De man is dan ook van mening dat de Raad geen gedegen onderzoek heeft gedaan naar de thuissituatie van de vrouw en [naam kind] . De Raad heeft niet met [naam kind] zelf gesproken en heeft niet onderzocht bij wie [naam kind] verbleef en wie er voor haar zorgde, toen de vrouw enige tijd in Nederland was. De man maakt zich hier ernstig zorgen over. Indien de rechtbank het advies van de Raad zou willen volgen, zou er eerst een onafhankelijk onderzoek moeten worden ingesteld door het NIFP en/of door Formaat Jeugdforensische Diagnostiek te Utrecht, aldus de man. Daarnaast is de man van mening dat er een bijzondere curator moet worden benoemd om de belangen van [naam kind] te behartigen en te beschermen. De man weet dat de vrouw naar [plaats in de Verenigde Arabische Emiraten] is vertrokken, omdat hij de vluchtgegevens van de vrouw heeft ingezien via derden. De man vermoedt dat de vrouw naar [plaats in de Verenigde Arabische Emiraten] is vertrokken, omdat de man [plaats in de Verenigde Arabische Emiraten] niet meer in mag. Hij heeft de rechter in [plaats in de Verenigde Arabische Emiraten] daarom verzocht een uitreisverbod op te leggen aan [naam kind] en de vrouw, omdat hij bang is dat de vrouw weer op de vlucht slaat en [naam kind] daardoor onvindbaar is voor de man. Het uitreisverbod ten aanzien van [naam kind] is toegewezen. De man heeft in een bodemprocedure verzocht [naam kind] aan hem of aan zijn moeder toe te wijzen. Het is niet de intentie van de man om [naam kind] bij de vrouw weg te halen maar hij wil zekerheid dat hij [naam kind] op regelmatige basis kan zien, zonder daarbij afhankelijk te zijn van de vrouw. In het voorgaande ziet de man aanleiding om zijn verzoeken aan te vullen c.q. te wijzigen, zodat de verzoeken van de man (samengevat weergegeven) als volgt luiden: de man verzoekt de rechtbank een omgangsregeling vast te stellen waarbij [naam kind] elk weekend van vrijdag na school tot zondag 14:00 uur en de helft van de vakanties en feestdagen bij de man verblijft en daaraan een dwangsom te verbinden indien de vrouw nalaat uitvoering te geven aan de omgangsregeling; de man verzoekt de rechtbank te bepalen dat de vrouw de man twee keer per maand via een e-mail op de hoogte moet stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot [naam kind] en de man te informeren over te nemen beslissingen ten aanzien van [naam kind] en daaraan een dwangsom te verbinden indien de vrouw nalaat uitvoering te geven aan de informatieregeling; de man verzoekt de rechtbank te bepalen dat de vrouw de verblijfplaats/het woonadres van [naam kind] aan de man bekend moet maken en daaraan een dwangsom te verbinden; de man verzoekt de rechtbank de beschikking van 18 juni 2021 te wijzigen en partijen weer met het gezamenlijk gezag over [naam kind] te belasten; indien de rechtbank voornemens is de verzoeken van de man af te wijzen, verzoekt de man de rechtbank eerst een onafhankelijk onderzoek door bijvoorbeeld het NIFP te gelasten; tot slot verzoekt de man de rechtbank een bijzondere curator te benoemen die de belangen van [naam kind] kan behartigen. 2.6. De vrouw kan zich niet volledig vinden in het advies van de Raad. Hoewel de vrouw bereid is om de man één keer per kwartaal, via haar advocaat, te informeren over het welzijn van [naam kind] , ziet zij weinig in videobelcontact tussen de man en [naam kind] . De man heeft de vrouw in de afgelopen maanden gestalkt en heeft zich dreigend en intimiderend opgesteld. De man heeft tijdens het raadsonderzoek onderzoek gedaan naar de verblijfplaats van de vrouw. Hij heeft mensen betaald om vluchtgegevens in te zien en is zodoende achter de vluchtgegevens van de vrouw gekomen. In tegenstelling tot wat de man stelt, is een dergelijke handelswijze illegaal. De man is hierna meerdere procedures tegen de vrouw begonnen in [plaats in de Verenigde Arabische Emiraten] . De man heeft eerst om een uitreisverbod van [naam kind] en later om een uitreisverbod van de vrouw gevraagd. De rechtbank in [plaats in de Verenigde Arabische Emiraten] heeft beide verzoeken toegewezen. De vrouw heeft zichzelf en de kinderen op 5 september 2022 in Nederland uitgeschreven. De man heeft in [plaats in de Verenigde Arabische Emiraten] tevens gevraagd om [naam kind] aan hem toe te vertrouwen, dan wel [naam kind] aan zijn moeder toe te vertrouwen omdat hij [plaats in de Verenigde Arabische Emiraten] niet meer in mag. De vrouw vindt het van belang dat duidelijk wordt waarom de man [plaats in de Verenigde Arabische Emiraten] niet meer in mag, omdat het moeten verlaten van [plaats in de Verenigde Arabische Emiraten] , naar de maatstaven van de Verenigde Emiraten, een zwaardere straf is dan een gevangenisstraf. De vrouw is ervan overtuigd dat de intenties van de man in de door hem gevoerde procedures niet gericht zijn op de belangen van [naam kind] . De vrouw krijgt de indruk dat de man [naam kind] terug wil hebben in Nederland om aanspraak te kunnen maken op een verblijfstitel. Daarnaast heeft de vrouw sterk de indruk dat de man in Nederland procedeert in de hoop dat er in een beschikking zaken terecht komen waarbij hij de eer van de vrouw kan schenden en dit in [plaats in de Verenigde Arabische Emiraten] als bewijs in de rechtszaken kan inbrengen. In [plaats in de Verenigde Arabische Emiraten] bestaat namelijk de mogelijkheid om procedures te winnen als je kunt aantonen dat de vrouw een slechte en/of oneerbare vrouw is. De vrouw is van mening dat dit alles maakt dat omgang tussen de man en [naam kind] op dit moment niet in het belang van [naam kind] is. De vrouw meent wel er nog steeds mogelijkheden bestaan voor omgang tussen de man en [naam kind] onder begeleiding van de vrouw en op neutraal terrein. Dit dient echter via de advocaten van partijen geregeld te worden. 2.7. De Raad heeft onderzoek gedaan naar de thuissituatie van de vrouw en [naam kind] , naar de thuissituatie van de man (en zijn oudere dochter) en naar de vraag of het op dit moment mogelijk is om een omgangsregeling tussen de man en [naam kind] vast te stellen. De Raad heeft dat onderzoek gedaan in opdracht van de rechtbank en van dat onderzoek een rapport samengesteld. De rechtbank is van oordeel dat geen van partijen toereikend heeft gesteld dat het onderzoeksrapport van de Raad voor wat betreft de wijze waarop het tot stand is gekomen, dan wel inhoudelijk, zodanig ondeugdelijk is dat de rechtbank de conclusies die de Raad uit zijn onderzoek trekt, niet of slechts ten dele in de beoordeling kan betrekken. Voor zover de man anders meent en daartoe heeft aangevoerd dat er geen fysiek gesprek heeft plaatsgevonden met de vrouw en dat de raadsonderzoekers [naam kind] niet hebben gezien, miskent de man dat het aan de Raad is om als onafhankelijk deskundige naar eigen inzicht en zelfstandig zijn onderzoek uit te voeren. Zoals de Raad ook ter zitting naar voren heeft gebracht is het in de afgelopen twee jaren, en ook nu nog, heel gebruikelijk om mensen via een videoverbinding te spreken. Daarbij kan iemand niet gedwongen worden fysiek bij een gesprek aanwezig te zijn. De Raad heeft daarnaast in zijn rapport duidelijk uiteengezet waarom [naam kind] niet is gezien door de raadsonderzoekers. De man heeft tevens aangevoerd dat de Raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de thuissituatie van de vrouw en [naam kind] . De man stelt dat de Raad had moeten onderzoeken waar de vrouw verblijft en waar zij zich in de toekomst wil vestigen. De rechtbank stelt vast dat de Raad dit heeft gedaan. Uit het raadsrapport komt naar voren dat de vrouw zich duurzaam in het buitenland wil vestigen. Daarnaast heeft de Raad ter zitting naar voren gebracht te beschikken over het adres van de vrouw maar die, gelet op de feiten en omstandigheden in deze zaak, niet bekend te willen maken. Het feit dat uit het onderzoek niet één expliciet land naar voren komt waarin de vrouw zich zou willen vestigen, maakt niet dat de thuissituatie van de vrouw en [naam kind] onvoldoende is onderzocht en maakt ook niet dat er sprake is van een ondeugdelijk raadsrapport. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Raad een deugdelijk en valide onderzoek heeft verricht en daarvan een deugdelijk onderzoeksrapport heeft opgemaakt. De rechtbank zal de verzoeken van de man om een nieuw onderzoek door bijvoorbeeld het NIFP te gelasten en om een bijzondere curator te benoemen dan ook afwijzen en bij de beslissingen op de overige verzoeken uitgaan van de informatie uit het raadsrapport. Het gezag 2.8. Bij beschikking van 18 juni 2021 heeft de rechtbank het gezamenlijk gezag van partijen over [naam kind] beëindigd en de vrouw belast met het eenhoofdig gezag. De man verzoekt de rechtbank deze beschikking te wijzigen en partijen weer gezamenlijk te belasten met het gezag over [naam kind] . 2.9. Artikel 1:277 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de rechtbank de ouder wiens gezag is beëindigd, op zijn verzoek in het gezag kan herstellen indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.