← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2022:5582

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/930292-15 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 juni 2022 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 juni 2016, 6 september 2016, 11 mei 2017, 11 november 2019, 14 februari 2022 en 16 mei 2022 (inhoudelijke behandeling). Het onderzoek is gesloten op 13 juni 2022. Verdachte is niet verschenen op 16 mei 2022. Verdachte heeft mr. M. Ketting, advocaat te Amsterdam, uitdrukkelijk gemachtigd haar ter terechtzitting te verdedigen. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting van 16 mei 2022 vertegenwoordigd door mr. J. Hoekman. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. zij in of omstreeks de periode van 10 februari 2007 tot en met 16 mei 2007 te Hoogeveen en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(

  1. en)wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [gedupeerde 1] heeft bewogen tot de afgifte van 25.000 euro en/of 75.000 euro, in elk geval van een hoeveelheid geld/enig goed, hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (telkens) tegen die [gedupeerde 1] gezegd dat (een deel van) die 25.000 euro, althans dat geld, zou worden gebruikt om een rechtspersoon op te richten, namelijk een besloten vennootschap, ten behoeve van die [gedupeerde 1] , en/of tegen die [gedupeerde 1] gezegd dat (een deel van) die 75.000 euro, althans dat geld, zou worden gebruikt en behoeve van of als investering in een call center/centre en/of (daarbij) die [gedupeerde 1] (maandelijks verschuldigde) rente of een vergoeding beloofd voor de inleg/lening van dat geld, alsmede de (uiteindelijke) restitutie van dat geld, en/of jegens die [gedupeerde 1] zich voorgedaan als bonafide financieel deskundige en/of adviseur en/of investeerder en/of ondernemer, waardoor die [gedupeerde 1] (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte, en waarna (vervolgens) verdachte met onbekende bestemming is vertrokken waardoor die [gedupeerde 1] in zijn verhaalsmogelijkheden werd bemoeilijkt; althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat zij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 10 februari 2007 tot en met 16 april 2009 te Hoogeveen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer andere (rechts)persoon/personen, althans alleen, opzettelijk 25.000 euro en/of 75.000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld/enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [gedupeerde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(
  2. e)geld/goed(eren) verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking of van haar beroep van/als financieel adviseur en/of deskundige en/of investeerder en/of ondernemer, of tegen geldelijke vergoeding, of op basis van een geldleningsovereenkomst, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat de commanditaire venootschap [onderneming 1] C.V. en/of de besloten vennootschap [onderneming 2] B.V. (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 10 februari 2007 tot en met 16 april 2009 te Hoogeveen en/of elders in Nederland, opzettelijk 25.000 euro en/of 75.000 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(
  3. n)aan [gedupeerde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan [onderneming 1] C.V. en/of [onderneming 2] B.V. en/of verdachte, en welk(
  4. e)geld/goed(eren) [onderneming 1] C.V. en/of [onderneming 2] B.V. uit hoofde van haar/hun beroep van/als investeerder(
  5. s)en/of onderneming(en), of tegen geldelijke vergoeding, en/of (telkens) op basis van een geldleningsovereenkomst, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend, tot welk(
  6. e)strafbaar/strafbare feit(
  7. en)verdachte opdracht heeft gegeven en/of aan welk(
  8. e)verboden gedraging(
  9. en)verdachte feitelijk leiding heeft gegeven; 2. zij in of omstreeks de periode van 1 april 2007 tot en met 14 oktober 2008 te Ede en/of Hoogeveen en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
  10. en)wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [gedupeerde 2] heeft bewogen tot de afgifte van 50.000 euro en/of 30.000 euro, in elk geval van een hoeveelheid geld/enig goed, hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (telkens) tegen die [gedupeerde 2] gezegd dat (een deel van) dat geld tegen een aantrekkelijke vergoeding zou worden geïnvesteerd en/of (verder) zou worden uitgeleend en/of ( daarbij) die [gedupeerde 2] (maandelijks verschuldigde) rente of een vergoeding beloofd voor dat/die investering en/of lening(
  11. en)van dat geld, alsmede de (uiteindelijke) restitutie van dat geld, en/of jegens die [gedupeerde 2] zich voorgedaan als bonafide financieel deskundige en/of adviseur en/of investeerder en/of ondernemer, waardoor die [gedupeerde 2] (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte, en waarna (vervolgens) verdachte met onbekende bestemming is vertrokken waardoor die [gedupeerde 2] in zijn verhaalsmogelijkheden werd bemoeilijkt; althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat zij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 april 2007 tot en met 27 februari 2012 te Ede en/of Hoogeveen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer andere (rechts)persoon/personen, althans alleen, opzettelijk 50.000 euro en/of 30.000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld/enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [gedupeerde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(
  12. e)geld/goed(eren) verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking of van haar beroep van/als financieel adviseur en/of deskundige en/of investeerder en/of ondernemer, of tegen geldelijke vergoeding, of op basis van een geldleningsovereenkomst, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat de commanditaire venootschap [onderneming 1] C.V. en/of de besloten vennootschap [onderneming 2] B.V. (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 april 2007 tot en met 27 februari 2012 te Ede en/of Hoogeveen en/of elders in Nederland, opzettelijk 50.000 euro en/of 30.000 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(
  13. n)aan [gedupeerde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan [onderneming 1] C.V. en/of [onderneming 2] B.V. en/of verdachte, en welk(
  14. e)geld/goed(eren) [onderneming 1] C.V. en/of en/of [onderneming 2] B.V. uit hoofde van haar/hun beroep van/als investeerder(
  15. s)en/of onderneming(en), of tegen geldelijke vergoeding, en/of (telkens) op basis van een geldleningsovereenkomst, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend, tot welk(
  16. e)strafbaar/strafbare feit(
  17. en)verdachte opdracht heeft gegeven en/of aan welk(
  18. e)verboden gedraging(
  19. en)verdachte feitelijk leiding heeft gegeven; 3. zij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 2 april 2008, te Lunteren en/of Hoogeveen en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
  20. en)wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [gedupeerde 3] heeft bewogen tot de afgifte van (onder meer) 25.000 euro en/of 21.000 euro, in elk geval van een hoeveelheid geld/enig goed, hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (onder meer) tegen die [gedupeerde 3] gezegd dat (een deel van) dat geld tegen een aantrekkelijke vergoeding zou worden geïnvesteerd en/of dat het een spaarinvestering zou zijn en/of ( daarbij) die [gedupeerde 3] (maandelijks verschuldigde) rente of een vergoeding beloofd voor de lening en/of inleg van dat geld, alsmede de (uiteindelijke) restitutie van dat/die (inleg)gelden/of lening, en/of jegens die [gedupeerde 3] zich voorgedaan als bonafide financieel deskundige en/of adviseur en/of investeerder en/of ondernemer, waardoor die [gedupeerde 3] (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte, en waarna (vervolgens) verdachte met onbekende bestemming is vertrokken waardoor die [gedupeerde 3] in zijn verhaalsmogelijkheden werd bemoeilijkt; althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat zij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 27 februari 2012 te Lunteren en/of Hoogeveen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer andere (rechts)persoon/personen, althans alleen, opzettelijk 25.000 euro en/of 21.000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld/enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [gedupeerde 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(
  21. e)geld/goed(eren) verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking of van haar beroep van/als financieel adviseur en/of deskundige en/of investeerder en/of ondernemer, of tegen geldelijke vergoeding, of op basis van een geldleningsovereenkomst, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat de commanditaire venootschap [onderneming 1] C.V. en/of de besloten vennootschap [onderneming 2] B.V. (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 27 februari 2012 te Lunteren en/of Hoogeveen en/of elders in Nederland, opzettelijk 25.000 euro en/of 21.000 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(
  22. n)aan [gedupeerde 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan [onderneming 1] C.V. en/of [onderneming 2] B.V. en/of verdachte, en welk(
  23. e)geld/goed(eren) [onderneming 1] C.V. en/of [onderneming 2] B.V. uit hoofde van haar/hun beroep van/als investeerder en/of onderneming, of tegen geldelijke vergoeding, en/of (telkens) op basis van een geldleningsovereenkomst, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend, tot welk(
  24. e)strafbaar/strafbare feit(
  25. en)verdachte opdracht heeft gegeven en/of aan welk(
  26. e)verboden gedraging(
  27. en)verdachte feitelijk leiding heeft gegeven; 4. zij in of omstreeks de periode van 26 juni 2007 tot 4 november 2015, te Hoogeveen en/of elders in Nederland en/of de Verenigde Staten van Amerika, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, op na te noemen tijdstip(pen) in genoemde periode, met betrekking tot na te noemen voorwerp(en), te weten - in of omsteeks de periode van 10 februari 2007 tot en met 16 april 2009, (in totaal 25.000 euro en/of 75.000 euro (aangifte [gedupeerde 1] ), en/of - in of omstreeks de periode van 1 april 2007 tot en met 27 februari 2012, (in totaal) 50.000 euro en/of 30.000 euro (aangifte [gedupeerde 2] ), en/of in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 27 februari 2012, (in totaal) 25.000 euro en/of 21.000 euro (aangifte [gedupeerde 3] ), en/of in of omstreeks de periode van 31 juli 2007 tot 4 november 2015, (in totaal) 50.000 euro en/of 25.000 euro (aangifte [gedupeerde 4] ), en/of in of omstreeks de periode van 1 november 2007 tot 4 november 2015, (in totaal) 41.000 euro (aangifte [gedupeerde 5] ), in elk geval in die periode (telkens) een hoeveelheid geld, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl zij (telkens) wist dat dat/die voorwerp(
  28. en)- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat zij in of omstreeks de periode van 26 juni 2007 tot en met 5 juni 2012, te Hoogeveen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, op na te noemen tijdstip(pen) in genoemde periode, met betrekking tot na te noemen voorwerp(en), te weten A) in of omstreeks de periode van 26 juni 2007 tot en met 17 juli 2007, (ongeveer) 40.000 euro en/of (ongeveer) 9.000 euro, althans (in totaal) 19.500 euro, in elk geval in de periode van 26 juni 2007 tot en met 5 juni 2012 (telkens) een hoeveelheid geld, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) dat geld, dat contractueel uitsluitend aangewend zou mogen worden ter financiering van de normale bedrijfsvoering van verdachtes onderneming [onderneming 1] C.V., op een bedrijfsbankrekeningnummer ontvangen en/of (vervolgens) overgemaakt naar een bankrekeningnummer van [naam 1] , (destijds) verdachtes vriendin, en/of (vervolgens ook) (een deel van) dat geld (telkens) voor privé en/of andere doeleinden besteed of doen/laten besteden, en/of B) in of omstreeks de periode van 25 februari 2010 tot en met 5 juni 2012, (telkens) van een voorwerp, zijnde een auto, merk Mercedes Benz A 170 CDI, kenteken [kenteken] , verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, die Mercedes op naam gezet van [naam 1] en/of [naam 2] , zijnde (destijds respectievelijk) verdachtes vriendin, althans op naam van een ander, terwijl verdachte (telkens) de feitelijke eigendom en/of het (mede)gebruik van die auto had en/of (tevens ook) (deels) de aan die auto gerelateerde kosten vergoedde of betaalde, terwijl zij (telkens) wist dat dat/die voorwerp(
  29. en)- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf. Ontvankelijkheid van de officier van justitie Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het recht op het voeren van een effectieve verdediging in de kern is geschonden, omdat zij geen toegang heeft gehad tot de inhoud van de onder verdachte in beslag genomen gegevensdragers die mogelijk ontlastend materiaal bevatten. Er is niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank aan de officier van justitie om een toegankelijke kopie van de gegevensdragers te verstrekken. De verstrekte kopie is alleen toegankelijk door middel van het inhuren van een digitaal expert, hetgeen verdachte niet kan bekostigen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht zichzelf ontvankelijk in de vervolging. Oordeel van de rechtbank Juridisch kader Uit artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter rechtsgevolgen kan verbinden aan de vaststelling dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie slechts sprake kan zijn in uitzonderlijke gevallen, namelijk als het verzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren een ernstige inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens “the proceedings as a whole were not fair” (HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889). Beoordeling De rechtbank stelt vast dat het verweer in de kern ziet op gegevens die op gegevensdragers van verdachte zelf staan. Deze gegevensdragers zijn in het kader van het strafrechtelijk financieel onderzoek onder verdachte in beslag genomen, maar in 2016 en 2017 allemaal aan haar geretourneerd. Verdachte heeft aldus zelf de beschikking over de (originele) gegevens op de gegevensdragers, of in elk geval heeft zij dat eerder gehad. De stelling van verdachte is dat de gegevens op deze gegevensdragers niet meer toegankelijk bleken te zijn nadat zij deze van de politie had teruggekregen. Die stelling is door de verdediging echter niet nader onderbouwd, terwijl de juistheid van die stelling niet op voorhand kan worden aangenomen. De politie heeft immers geverbaliseerd dat dat in het kader van het onderzoek weliswaar een forensische kopie van (de inhoud van) de gegevensdragers is gemaakt, maar dat bij deze procedure geen wijzigingen worden aangebracht of gegevens worden verwijderd. In beginsel mag dus worden aangenomen dat verdachte zelf in de gelegenheid is, of in ieder geval op enig moment is geweest, om eventueel ontlastend materiaal aan het dossier toe te voegen. Desondanks heeft de officier van justitie aan verdachte meerdere kopieën verstrekt van (delen van) de forensische kopie die de politie heeft gemaakt van de in beslag genomen gegevensdragers. In 2019 heeft de politie een volledige kopie van de forensische kopie verstrekt. Nadat deze naar zeggen van verdachte verloren is gegaan door de overstroming van de woning van verdachte in 2021, is in 2022 nogmaals een volledige kopie verstrekt. In de tussentijd heeft de politie ook meerdere malen een deel van de kopie verstrekt (bijvoorbeeld op een usb-stick) en heeft de politie de nodige inspanningen verricht om een en ander toegankelijk en leesbaar te krijgen voor verdachte. De verdediging heeft betoogd dat zij ondanks het voorgaande nog steeds niet beschikt over alle gegevens die zij van belang acht voor het voeren van de verdediging, omdat de gegevens op de kopie die verdachte van de politie heeft ontvangen, niet op een eenvoudige manier toegankelijk zijn, maar speciale kennis en programmatuur vergen, wat hoge kosten voor het inschakelen van een deskundige meebrengt die verdachte niet kan dragen. Het uitgangspunt van “equality of arms” tussen het openbaar ministerie en de verdediging is een fundamenteel onderdeel van het recht op een eerlijk proces. Dat betekent echter niet dat het in deze situatie, waarin het gaat om gegevens op gegevensdragers van verdachte zelf, die aan haar zijn teruggegeven en waarvoor politie en justitie derhalve geen verantwoordelijkheid meer dragen, aan de officier van justitie zou zijn en niet aan de verdediging om inspanningen te verrichten en kosten te maken voor het toegankelijk maken van de forensische kopie. Dat zou wellicht anders kunnen zijn indien het zou gaan om disproportioneel hoge kosten of zeer specialistische kennis die niet of nauwelijks buiten de digitale recherche beschikbaar is, maar dat is door de verdediging gesteld noch onderbouwd, en in het licht van het al eerder aangehaalde proces-verbaal van de politie ook niet aannemelijk. Het gaat dus om een wezenlijk andere situatie dan in de uitspraak Rook/Duitsland van het EHRM (15 juli 2019, 1586/15) waarnaar de verdediging heeft verwezen en waarin sprake was van een grote hoeveelheid gegevens die door opsporingsmiddelen was verkregen en nooit in het bezit waren (geweest) van de verdachte. Als het gaat om de kosten wijst de rechtbank er overigens op dat artikel 529 van het Wetboek van Strafvordering een regeling bevat op grond waarvan een vergoeding kan worden toegekend aan de gewezen verdachte voor de kosten die het belang van het onderzoek hebben gediend. De kosten voor het raadplegen van een digitaal specialist zouden daarmee eventueel (deels) vergoed kunnen worden. Gelet op het voorgaande is van een aan de officier van justitie toe te rekenen verzuim als bedoeld in artikel 359 Sv geen sprake en zal het verweer dan ook worden verworpen. De rechtbank zal de officier van justitie ontvankelijk verklaren in de vervolging. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Kort samengevat heeft zij daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte was daadwerkelijk een bonafide adviseur en ondernemer, omdat zij veel expertise had op financieel gebied. Met betrekking tot feit 1 ( [gedupeerde 1] ) is aangever degene die het initiatief heeft genomen, waardoor niet bewijsbaar is dat verdachte hem door haar handelen heeft bewogen tot afgifte. Verdachte had bovendien geen oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. Verdachte kon en mocht erop vertrouwen dat het project kans van slagen had, waarbij zij ook zou meedelen in de winst. Het bedrag van 25.000 is een betaling voor geleverde diensten. Het bedrag van 75.000 was bedoeld als investering in de normale bedrijfsvoering van [onderneming 1] en is daarvoor daadwerkelijk aangewend. Dat laatste geldt ook voor de bedragen die [gedupeerde 2] (feit 2) en [gedupeerde 3] (feit 3) hebben geïnvesteerd. Verdachte had de bedoeling om alle geldleningen terug te betalen. Verdachte heeft ook daadwerkelijk rentebetalingen gedaan aan [gedupeerde 2] en daaruit blijken haar goede bedoelingen. Dat de hypotheekmarkt eind 2008 is ingestort en verdachte daardoor niet meer kon terugbetalen, kon zij niet voorzien. Ten aanzien van [gedupeerde 3] ontbreekt bovendien het originele bankafschrift, waardoor niet kan worden vastgesteld of er daadwerkelijk is geïnvesteerd. Alles bij elkaar genomen kan niet bewezen worden geacht dat verdachte gebruik heeft gemaakt van oplichtingsmiddelen, dat haar handelen de aangevers heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen en dat verdachte het oogmerk had van wederrechtelijke bevoordeling. Met betrekking tot feit 4 (witwassen) heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat het geld afkomstig is van enig misdrijf. Subsidiair is de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing, omdat het dan zou gaan om onmiddellijk uit eigen misdrijf verkregen geld en niet is gebleken van enige bijkomende handeling gericht op het verhullen van de criminele herkomst daarvan. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt ten aanzien van het ten laste gelegde, op grond van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen1, het volgende vast. 1. Inleiding Verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde ondernemer, in welke hoedanigheid zij onder andere (hypotheek)advies gaf, en leads en financiële producten verkocht. Verdachte had hiertoe onder andere de besloten vennootschap [onderneming 2] BV (hierna ook: [onderneming 2] ) en de commanditaire vennootschap met een beherende vennoot [onderneming 1] (hierna ook: [onderneming 1] ). Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel volgt dat verdachte van 28 mei 2007 tot het faillissement in 2011 alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder was van [onderneming 2] .2 Verdachte was vanaf 2 mei 2007 gevolmachtigde van [onderneming 1] .3 In de jaren 2007 en 2008 heeft verdachte diverse geldleningsovereenkomsten afgesloten, waarvan het geldbedrag uiteindelijk niet is terugbetaald door verdachte of verdachtes bedrijven. Verschillende gedupeerden hebben aangifte gedaan van oplichting c.q. verduistering. De rechtbank zal de verschillende aangiftes hieronder nader bespreken en uiteindelijk concluderen tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde oplichtingen (feiten 1 primair tot en met 3 primair) alsmede het ten laste gelegde witwassen van de uit oplichting verkregen geldbedragen (feit 4 primair). 2. Feiten 1, 2 en 3 - oplichtingen 2.1 Juridisch kader oplichting De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld. Bij de oplichtingsmiddelen die bestaan uit het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de persoon van de verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. De in de rechtspraak wel gebruikte formulering dat een verdachte zich als een 'bonafide' deelnemer aan het rechtsverkeer heeft gepresenteerd, is met betrekking tot het aannemen van een valse hoedanigheid slechts relevant als zo een presentatie als bonafide (potentiële) wederpartij berust op voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Van een meer dan een enkele leugenachtige mededeling kan niet slechts sprake zijn indien meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens kunnen worden aangewezen, maar ook indien sprake is van een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden, zoals het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie. Voor bewezenverklaring is verder dus vereist dat die ander door een oplichtingsmiddel werd bewogen tot de in artikel 326 Sr bedoelde handelingen (causaal verband). Daarvan is sprake als voldoende aannemelijk is dat die ander mede onder invloed van een door een oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken daartoe is overgegaan. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen (het causale verband), is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. 2.2 Feit 2 - [gedupeerde 2] heeft op 27 februari 2012 aangifte gedaan van oplichting dan wel verduistering tegen een vrouw die hij leerde kennen als [nickname verdachte] en die zich later [verdachte] noemde.4 Als de politie hem een foto toont van verdachte, verklaart aangever dat dat de vrouw is die hij bedoelt en die hij kent als [nickname verdachte] . Aangever, woonachtig in Ede, heeft op 19 april 2007 50.000 overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [onderneming 2] , het bedrijf van verdachte. Op 14 oktober 2008 heeft aangever 30.000 overgemaakt naar het rekeningnummer 78.67.09.480 van verdachte. Over de gang van zaken heeft aangever verklaard dat hij in maart 2007 in contact is gekomen met verdachte. Zij zat bij het bedrijf van de vader van zijn schoondochter in verzekeringen en hypotheken, waarbij verdachte in hypotheken deed. Toen zijn zoon en zijn schoondochter een woning kochten, heeft verdachte de hypotheek geregeld. Op een gegeven moment bleek dat zij de hypotheek niet rond konden krijgen en heeft verdachte aangever geholpen om een extra hypotheek op zijn eigen woning te nemen van 100.000. Hiervan was 50.000 voor zijn zoon bestemd. Daarna bleek dat dit niet nodig was, omdat de zoon van aangever toch een hypotheek kon krijgen. Aangever heeft tegen verdachte gezegd dat hij het geld terug wilde. Verdachte heeft dit toen afgeraden, omdat dat financieel ongunstig zou zijn. In plaats daarvan raadde zij aangever aan om het geld te storten in het bedrijf waarvan zij directeur was, [onderneming 2] . Aangever zou daarvoor 8% rente krijgen. Verdachte had hem verteld dat zij op haar beurt het geld zou gebruiken voor het uitgeven van kortlopende leningen, waar zij dan 8 tot 12% rente voor zou krijgen. Daaruit konden de rentebetalingen voor aangever betaald worden en de winst was voor haar. Op 19 april 2007 heeft aangever 50.000 overgemaakt naar de rekening van [onderneming 2] . Verdachte vertelde dat zij het geld direct nodig had en dat aangever het moest overmaken met een spoedoverboeking, omdat anders de banken er te veel geld aan zouden verdienen. Twee maanden later stuurde verdachte een overeenkomst van lening, die aangever op 19 juni 2007 heeft getekend. In de overeenkomst stond de lening uitsluitend zou worden aangewend ter financiering van de normale bedrijfsvoering van haar onderneming [onderneming 1] .5 Een jaar later heeft verdachte aan aangever verzocht om een tweede lening aan te gaan. Achtergrond daarvan was dat zijn schoondochter zonder werk kwam te zitten en verdachte haar zorgen uitte over haar financiële situatie. Verdachte heeft aangever voorgesteld haar een bedrag van 30.000 te lenen, waarbij verdachte als rentebetaling maandelijks 11%, dat wil zeggen 333, zou overmaken naar de rekening van de zoon van aangever. Verdachte zou dit geld investeren in haar bedrijf. Aangever heeft op 14 oktober 2008 het betreffende bedrag overgemaakt naar een privérekening van verdachte. Op 1 december 2008 heeft aangever een geldleningsovereenkomst ondertekend, waarin stond dat aangever 80.000 (het totaal van beide uitgeleende bedragen) leent aan [onderneming 1] en dat de lening uitsluitend zal worden aangewend ter financiering van de normale bedrijfsvoering van deze onderneming.6 Gevraagd naar [onderneming 1] heeft verdachte tegen aangever gezegd dat zij directeur was van een groot bedrijf, waar [onderneming 1] onderdeel van was. Verder heeft aangever verklaard dat verdachte hem had gezegd dat zij met niemand mochten praten over de lening die zij hadden afgesloten of over het geld dat zij aan (het bedrijf van) verdachte hadden geleend, omdat anderen dan ook 8% rente wilden krijgen. Bij de rechter-commissaris heeft aangever verklaard dat aangever haar altijd erg aardig vond en dat ze als een moeder voor hun gezin was. Ook wekte het verhaal dat verdachte 12 % rente zou krijgen voor de kortlopende lening, vertrouwen bij aangever.7 De politie heeft de geldstromen op de bankrekeningen van (de bedrijven van) verdachte onderzocht naar aanleiding van de door aangever overgeboekte 80.000. Hieruit is gebleken dat dit bedrag niet, zoals overeengekomen, is aangewend voor kortlopende geldleningen of de normale bedrijfsvoering van [onderneming 1] , maar geheel of gedeeltelijk is besteed aan betalingen ten gunste van verdachte en/of [onderneming 2] .8 De rechtbank stelt gelet op hetgeen aangever daarover heeft verklaard vast dat tussen verdachte en aangever een vertrouwensrelatie bestond, in die zin dat verdachte in de ogen van aangever een kundig en betrouwbaar financieel adviseur was. Verdachte heeft vanuit die vertrouwensrelatie tweemaal het initiatief genomen om geld te lenen van aangever, waarbij aangever hoge rendementen zijn voorgespiegeld. Over de besteding van het geld en de wijze waarop zij deze rendementen zou kunnen betalen heeft zij daarbij, zo moet worden geconcludeerd, onware mededelingen gedaan. Uit de bankafschriften volgt immers dat het geld van aangever helemaal niet is aangewend voor kortlopende leningen, zoals aan aangever is medegedeeld en hetgeen voor aangever (mede) reden is geweest om de lening te verstrekken. Ook is het geld uiteindelijk niet gerestitueerd en zijn de rentebetalingen (groten)deels niet gedaan. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte de valse hoedanigheid van bonafide financieel deskundige en ondernemer heeft aangenomen en er ook sprake is van een samenweefsel van verdichtsels. De door de oplichtingsmiddelen in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken hebben aangever bewogen tot het overboeken van de geldbedragen, waarover verdachte vervolgens is gaan beschikken. Uit de feitelijke gang van zaken leidt de rechtbank af dat verdachte ook heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. In dit verband is ook nog relevant dat verdachte de geldleningen met aangever heeft geïnitieerd, dat aangever van verdachte de instructie kreeg om met niemand te praten over de leningen en de rente van 8 % en dat de betalingen - zonder goede reden - met een spoedoverboeking moest worden gedaan. Dat er wel enkele rentebetalingen zijn gedaan, doet daar verder niet aan af. Immers, een enkele rentebetaling is geen bewijs van bonafide ondernemerschap; gezien de hierboven geschetste gang van zaken kan veeleer kan worden aangenomen dat verdachte hiermee aangever tevreden heeft willen proberen te houden. 2.3 Feit 1 - [gedupeerde 1] heeft op 16 april 2009 aangifte gedaan van oplichting tegen [nickname verdachte] .9 Bij de rechter- commissaris heeft aangever verklaard dat hij verdachte kent als [nickname verdachte] .10 Aangever heeft op 19 april 2007 een bedrag van 25.000 overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [onderneming 2] . Op 16 mei 2007 is namens aangever een bedrag van 284.970,98 overgemaakt naar datzelfde rekeningnummer. Over de gang van zaken heeft aangever verklaard dat hij en zijn echtgenote eind 2006 hadden besloten een toeristische onderneming in Portugal te beginnen, samen met zijn dochter en schoonzoon. Omdat zij onvoldoende kennis hadden van de financiële kant van het opzetten van een dergelijke onderneming, hebben zij zich tot verdachte, die op dat moment directeur was van [onderneming 2] , gewend voor financieel advies. Verdachte kwam zeer deskundig op hen over in het gesprek en zij kregen vertrouwen in haar. Op advies van verdachte heeft aangever een beheer-BV (genaamd [onderneming 3] ) opgericht, om investeerders te werven voor hun onderneming in Portugal. De afspraak was dat aangever de BV zou beheren, maar dat verdachte dit zou regelen. Op advies van verdachte hebben zij 25.000 overgemaakt naar de rekening van [onderneming 2] , om de oprichtingskosten en andere noodzakelijke kosten voor [onderneming 3] van te betalen. Ook hebben zij op advies van verdachte een bankrekening geopend op naam van [onderneming 3] . De bescheiden van deze bankrekening heeft aangever direct aan verdachte gegeven zodat zij betalingen kon verrichten ten behoeve van deze onderneming. Op 15 mei 2007 heeft verdachte zijn huis in Nederland verkocht met een behoorlijke overwaarde. Op advies van verdachte is deze overwaarde, in totaal 284.970,98, via de notaris overgemaakt naar de bankrekening van [onderneming 2] . Een deel van dit geld zou besteed worden aan de aankoop van onroerend goed in Portugal en verschillende andere betalingen. Daarnaast zou op advies van verdachte 75.000 worden geïnvesteerd in haar call center. Aangever zou hiervoor een rente van 10% per jaar ontvangen, maandelijks uit te betalen. Hiertoe is nadien een geldleningsovereenkomst opgesteld (waarin overigens staat genoteerd dat de rente 8% bedraagt), die door partijen is getekend op 7 september 2007. In de overeenkomst staat verder vermeld dat de debiteur de lening uitsluitend zal aanwenden ter financiering van de normale bedrijfsvoering van haar onderneming.11 Aangever heeft verklaard het geleende geldbedrag niet terug te hebben gekregen en dat er geen rentebetalingen zijn gedaan. Ook heeft niemand geïnvesteerd in de onderneming in Portugal. De politie heeft de geldstromen op de bankrekeningen van (de bedrijven van) verdachte onderzocht naar aanleiding van de door/namens aangever overgeboekte geldbedragen van in totaal 100.000. Hieruit is gebleken dat deze bedragen niet (geheel), zoals overeengekomen, zijn aangewend voor oprichtingskosten of noodzakelijke kosten van [onderneming 3] of voor de normale bedrijfsvoering van [onderneming 1] , maar geheel of gedeeltelijk zijn besteed aan betalingen ten gunste van verdachte en/of [onderneming 2] en/of diens persoonlijk direct betrokken personen zoals vriendin [naam 1] .12 De rechtbank stelt vast dat het eerste geldbedrag van 25.000 op dezelfde dag en op dezelfde bankrekening is bijgeboekt als het eerste geldbedrag afkomstig van [gedupeerde 2] (feit 2). Ook aan [gedupeerde 1] heeft verdachte voorgehouden dat hij een hoge rente en gedurende een aantal jaren maandelijkse rentebetalingen zou ontvangen als hij zou investeren in één van haar bedrijven. Uit de overzichten van de geldstromen volgt echter dat de gelden grotendeels anders zijn besteed dan voorgehouden. Ook heeft [gedupeerde 1] zijn geld niet teruggekregen en hebben er geen rentebetalingen plaatsgevonden. Ten aanzien van [gedupeerde 2] (feit 2) heeft de rechtbank reeds overwogen dat verdachte de valse hoedanigheid van bonafide financieel deskundige en ondernemer heeft aangenomen en er ook sprake is van een samenweefsel van verdichtsels. Gelet op de overeenkomsten in tijd, rekeningnummers en modus operandi van verdachte acht de rechtbank dat niet anders ten aanzien van [gedupeerde 1] . Zo is het eerst betaalde bedrag door [gedupeerde 1] , tezamen met de eerste betaling van de (mede door middel van vertelde onwaarheden) opgelichte [gedupeerde 2] , gezamenlijk besteed aan betalingen ten gunste van verdachte en/of [onderneming 2] en/of vriendin [naam 1] . De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte ook ten aanzien van [gedupeerde 1] niet de bedoeling heeft gehad om de afspraken met hem na te komen, maar heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. Dat er wel enige kosten zijn betaald die mogelijk in overeenstemming waren met het voorgespiegelde doel, te weten de oprichtingskosten of noodzakelijke kosten voor [onderneming 3] , doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan die conclusie. Het laat zich immers zeer wel voorstellen dat er enkele kosten zijn betaald om te doen alsof alles zou verlopen zoals was overeengekomen. 2.4 Feit 3 - [gedupeerde 3] heeft op 27 februari 2012 aangifte gedaan van oplichting dan wel verduistering tegen een vrouw die hij kent als [nickname verdachte] .13 Als de politie hem een foto toont van verdachte, verklaart aangever dat dat de vrouw is die hij bedoelt en die hij kent als [nickname verdachte] . Aangever heeft op 27 maart 2008 25.000 overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer 2] van [onderneming 1] , het bedrijf van verdachte. Op 2 april 2008 heeft aangever 21.000 overgemaakt naar dezelfde bankrekening. Aangever, woonachtig in Lunteren, heeft verklaard dat hij eind 2006 in contact kwam met verdachte via zijn zwager, voor wie verdachte een hypotheek had verzorgd. Verdachte heeft toen ook voor aangever en zijn vrouw een hypotheek geregeld en zij is vervolgens ook de boekhouding voor aangever gaan doen. Aangever heeft verklaard dat hij en zijn vrouw verdachte altijd hebben gezien als hun financiële moeder. In oktober 2007 heeft verdachte aangever geadviseerd om hun spaargeld, waarvan zij afwist, te investeren in haar bedrijf [onderneming 1] , omdat zij een hoge rente kon bieden (8%). Verdachte heeft aangever ook geadviseerd het te investeren bedrag te verhogen door een lening aan te gaan en het geleende geld ook bij haar onder te brengen. Aangever heeft daarop een lening afgesloten bij de Nederlandse Voorschotbank van 25.000. Zodra de lening op de rekening van aangever werd gestort, belde verdachte met de vrouw van aangever en vertelde verdachte dat zij het geld middels een spoedopdracht moest overmaken naar [onderneming 1] . Dit is op 27 maart 2008 gebeurd. Waarom er spoed bij was vertelde verdachte niet. Op 2 april 2008 heeft de vrouw van aangever het spaargeld, 21.000, naar dezelfde rekening overgeboekt. Ten behoeve van de leningen zijn twee overeenkomsten opgesteld door verdachte, die door beide partijen zijn getekend. Op 30 november 2009 zijn nieuwe overeenkomsten opgesteld door verdachte, nadat zij tegen aangever had gezegd dat de oorspronkelijke overeenkomsten een fout bevatten. In beide versies van de overeenkomsten staat dat de lening uitsluitend zal worden aangewend ter financiering van de normale bedrijfsvoering van haar onderneming.14 Aangever heeft verder verklaard dat hij van verdachte met niemand mocht spreken over de lening die zij hadden afgesloten en het geld dat zij aan het bedrijf van verdachte hadden geleend, omdat het rentepercentage zo hoog was. Verdachte zei daarbij dat zij dit aanbod had gedaan aan aangever en zijn vrouw omdat zij er vertrouwen in had dat zij goed met geld om konden gaan. Aangever heeft nooit geld of rentebetalingen ontvangen. De politie heeft de geldstromen op de bankrekeningen van de (bedrijven van) verdachte onderzocht naar aanleiding van de door aangever overgeboekte geldbedragen van in totaal 46.000. Hieruit is gebleken dat dit bedrag niet, zoals overeengekomen, is aangewend voor de normale bedrijfsvoering van [onderneming 1] , maar geheel of gedeeltelijk is besteed aan betalingen ten gunste van verdachte en/of [onderneming 2] en/of diens persoonlijk direct betrokken personen zoals vriendin [naam 1] .15 De rechtbank acht ook oplichting van aangever [gedupeerde 3] wettig en overtuigend bewezen. Hij is op gelijke wijze als aangever [gedupeerde 2] bewogen tot afgifte van de geldbedragen, terwijl verdachte niets heeft terugbetaald, ook geen rente. De gelden zijn in strijd met de afspraken besteed aan betalingen ten gunste van verdachte en/of [onderneming 2] en/of vriendin [naam 1] . Ook in dit geval constateert de rechtbank dat verdachte nooit de intentie heeft gehad om de voorgespiegelde afspraken na te komen en (dus) heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. 3. Feit 4 primair witwassen van door oplichting verkregen gelden Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van het geld van [gedupeerde 5] onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, nu met de stukken niet is aangetoond dat aangever daadwerkelijk geld heeft afgegeven. In zoverre zal verdachte worden vrijgesproken. De rechtbank acht het overige ten laste gelegde witwassen wettig en overtuigend bewezen. De op de tenlastelegging vermelde bedragen afkomstig van [gedupeerde 1] , [gedupeerde 2] en [gedupeerde 3] zijn, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, afkomstig uit oplichting.16 Verdachte heeft deze gelden verworven, voorhanden gehad en/of (ook) overgedragen. Ten aanzien van het geld afkomstig van [gedupeerde 4] stelt de rechtbank het volgende vast. [gedupeerde 4] heeft op 11 november 2015 aangifte gedaan van verduistering cq oplichting tegen een vrouw die hij kent als [nickname verdachte] .17 Als de politie hem een foto toont van verdachte, verklaart aangever dat dat de vrouw is die hij bedoelt en die hij kent als [nickname verdachte] . Aangever heeft verklaard dat hij in 2007 in contact kwam met verdachte, die toen een financieel adviesbureau had genaamd [onderneming 2] . Zij heeft vanuit die hoedanigheid voor aangever en zijn vrouw naar tevredenheid een hypotheek verzorgd. Enige tijd later adviseerde verdachte aangever om een bedrag van 15.000, dat aangever had gereserveerd ten behoeve van een verzekering bij Aegon, aan haar uit te lenen, aangezien zij een hoog rendement (8%) op die lening kon bieden. Daarnaast heeft verdachte aangever geadviseerd om een lening aan te gaan, en het geleende geld ook bij haar te investeren, vanwege het hoge rendement. Aangever heeft vervolgens bij Avero een lening afgesloten van 50.000 en kort daarop nog een lening van 25.000 bij de Interbank. Ten behoeve van de leningen heeft verdachte een overeenkomst opgemaakt waarin staat dat aangever 75.000 leent aan [onderneming 1] . In de overeenkomst staat dat de debiteur de lening uitsluitend zal aanwenden ter financiering van de normale bedrijfsvoering van haar onderneming. Deze overeenkomst is op 30 augustus 2007 door partijen ondertekend.18 Aangever heeft het geleende geld van 50.000 en 25.000 overgeboekt naar de rekening van [onderneming 1] . Eind 2010 hield de betaling van de maandelijkse rente op. Eind 2011 heeft aangever nog een keer een maandelijkse betaling gehad, maar daarna was het contact verbroken. Aangever heeft zijn geld niet terug gekregen. De politie heeft de geldstromen op de bankrekeningen van (de bedrijven van) verdachte onderzocht naar aanleiding van de door aangever overgeboekte geldbedragen van in totaal 75.000. Hieruit is gebleken dat deze bedragen niet, zoals overeengekomen, zijn aangewend voor de normale bedrijfsvoering van [onderneming 1] , maar geheel of gedeeltelijk zijn besteed aan betalingen ten gunste van verdachte en/of [onderneming 2] en/of diens persoonlijk direct betrokken personen zoals vriendin [naam 1] .19 De rechtbank is van oordeel dat ook aangever [gedupeerde 4] door verdachte is opgelicht. [gedupeerde 4] is door verdachte op dezelfde wijze benaderd als [gedupeerde 2] en [gedupeerde 3] , waarbij eerstgenoemde al eerder was opgelicht. De geleende bedragen zijn niet besteed zoals afgesproken en het geleende bedrag is niet terugbetaald. Uit de samenhang met de eerdergenoemde aangiftes kan ook hier worden vastgesteld dat bij verdachte iedere intentie om de voorgespiegelde afspraken na te komen heeft ontbroken. Ook in het geval van [gedupeerde 4] heeft verdachte dus gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling en zich aldus schuldig gemaakt aan oplichting. De door aangever betaalde bedragen heeft zij (zodoende) verworven, voorhanden gehad en overgedragen. Nu verdachte zich gedurende een langere periode herhaaldelijk heeft schuldig gemaakt aan het verwerven, voorhanden hebben en overdragen van geld met een criminele herkomst, acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte daarvan een gewoonte heeft gemaakt. Op de vraag of de onder feit 4 primair bewezenverklaarde handelingen het strafbare feit van witwassen opleveren, gaat de rechtbank hieronder nog nader in. 4. Bespreking van het verweer met betrekking tot het ontbreken van ontlastend materiaal De rechtbank is in het voorgaande tot de conclusie gekomen dat de besproken feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op de bewijsmiddelen zoals die zich in het procesdossier bevinden. De verdediging heeft in algemene zin bepleit dat de inhoud van het dossier geen volledig beeld geeft van alle afspraken met aangevers en de geldstromen die daarmee verband houden, nu de gegevensdragers waarop deze informatie stond niet meer leesbaar zijn en de forensische kopie die in opdracht van de officier van justitie is verstrekt, niet toegankelijk is (gemaakt). De verdediging heeft zich dan ook op het standpunt gesteld dat de juistheid van de aangiftes en van de conclusies die de politie heeft getrokken uit het onderzoek naar de bankrekeningen niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld, zodat reeds om die reden voor alle feiten vrijspraak moet volgen. De rechtbank heeft bij de beraadslaging uitdrukkelijk stilgestaan bij de vraag of de gestelde onmogelijkheid om de gegevens te raadplegen, gevolgen zou moeten hebben voor de beoordeling van de bewijsmiddelen die zich wel in het dossier bevinden. Het antwoord daarop is nee. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat de rechtbank hierboven heeft geoordeeld dat, zo de stelling van de verdediging dat de oorspronkelijke gegevensdragers niet meer leesbaar waren voor juist zou moeten worden gehouden, van de verdediging kon en mocht worden gevergd dat zij de benodigde stappen zouden nemen om de door de politie verstrekte forensische kopie uit te lezen. Op die manier had eventuele relevante informatie tijdig aan de rechtbank en de officier van justitie verstrekt kunnen worden. De verdediging heeft dat echter naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte nagelaten. Verder is van belang dat de verdediging onvoldoende geconcretiseerd heeft waarom de informatie die op de gegevensdragers zou staan een ander licht op de zaak zou werpen dan uit het politieonderzoek volgt. De rechtbank wijst er in dit verband ook op dat verdachte tot op heden niet of nauwelijks inhoudelijk verklaard heeft over de aan haar gemaakte verwijten, en dat dus ook niet duidelijk is wat er in haar visie anders met aangevers zou zijn afgesproken dan zij hebben verklaard, of waarom de geldstromen waarnaar onderzoek is gedaan anders geïnterpreteerd zouden moeten worden dan de politie heeft gedaan. Ten slotte constateert de rechtbank dat er op verzoek van de verdediging een groot aantal getuigen zijn gehoord, waaronder de aangevers in deze zaak. De verdediging had derhalve de mogelijkheid om hen nader te bevragen over de exacte inhoud van de afspraken of hen te confronteren met (vermeende) onjuistheden in hun verklaringen daarover. Op die manier had het (gestelde) ontbreken van de informatie op de gegevensdragers in ieder geval deels gecompenseerd kunnen worden. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat, voor zover er al informatie zou zijn die een ander licht op de zaak had kunnen werpen, de verdediging voldoende gelegenheid heeft gehad om die informatie in te brengen, dan wel op andere wijze te onderbouwen dat de verklaringen van de aangevers en de conclusies van de politie onjuist zijn. Dat dit niet is gebeurd moet voor rekening en risico van de verdediging blijven. Hoe dan ook ziet de rechtbank in deze situatie geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de bewijsmiddelen die zich wel in het dossier bevinden. Bewezenverklaring De rechtbank acht feiten 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: 1. zij in de periode van 10 februari 2007 tot en met 16 mei 2007 te Hoogeveen en/of elders in Nederland, meermalen, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [gedupeerde 1] heeft bewogen tot de afgifte van 25.000 euro en 75.000 euro, hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid tegen die [gedupeerde 1] gezegd dat die 25.000 euro zou worden gebruikt om een rechtspersoon op te richten, namelijk een besloten vennootschap, ten behoeve van die [gedupeerde 1] , en tegen die [gedupeerde 1] gezegd dat die 75.000 euro zou worden gebruikt en behoeve van of als investering in een call center en/of daarbij die [gedupeerde 1] maandelijks verschuldigde rente beloofd voor de lening van dat geld, alsmede de uiteindelijke restitutie van dat geld, en jegens die [gedupeerde 1] zich voorgedaan als bonafide financieel deskundige en/of adviseur en/of ondernemer, waardoor die [gedupeerde 1] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte; 2. zij in de periode van 1 april 2007 tot en met 14 oktober 2008 te Ede en/of Hoogeveen en/of elders in Nederland, meermalen, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [gedupeerde 2] heeft bewogen tot de afgifte van 50.000 euro en 30.000 euro, hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid tegen die [gedupeerde 2] gezegd dat dat geld tegen een aantrekkelijke vergoeding zou worden geïnvesteerd en/of zou worden uitgeleend en daarbij die [gedupeerde 2] maandelijks verschuldigde rente beloofd voor die investering en lening van dat geld, alsmede de uiteindelijke restitutie van dat geld, en jegens die [gedupeerde 2] zich voorgedaan als bonafide financieel deskundige en/of adviseur en/of ondernemer, waardoor die [gedupeerde 2] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte; 3. zij in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 2 april 2008, te Lunteren en/of Hoogeveen en/of elders in Nederland, meermalen, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [gedupeerde 3] heeft bewogen tot de afgifte van 25.000 euro en 21.000 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid tegen die [gedupeerde 3] gezegd dat dat geld tegen een aantrekkelijke vergoeding zou worden geïnvesteerd en daarbij die [gedupeerde 3] maandelijks verschuldigde rente beloofd voor de lening van dat geld, alsmede de uiteindelijke restitutie van dat die lening, en jegens die [gedupeerde 3] zich voorgedaan als bonafide financieel deskundige en/of adviseur en/of ondernemer, waardoor die [gedupeerde 3] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte; 4. zij in de periode van 26 juni 2007 tot 4 november 2015 te Hoogeveen en/of elders in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte meermalen, op na te noemen tijdstippen in genoemde periode, na te noemen voorwerpen, te weten in de periode van 10 februari 2007 tot en met 16 april 2009, 25.000 euro en 75.000 euro (aangifte [gedupeerde 1] ), en in de periode van 1 april 2007 tot en met 27 februari 2012, 50.000 euro en 30.000 euro (aangifte [gedupeerde 2] ), en in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 27 februari 2012, 25.000 euro en 21.000 euro (aangifte [gedupeerde 3] ), en in de periode van 31 juli 2007 tot 4 november 2015, 50.000 euro en 25.000 euro (aangifte [gedupeerde 4] ), verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl zij telkens wist dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan witwassen niet worden gekwalificeerd bij het enkele verwerven en/of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is van eigen misdrijf, tenzij verdachte handelingen heeft verricht die gericht zijn op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp. Dat het in dit geval gaat om gelden die onmiddellijk afkomstig zijn uit de door verdachte zelf gepleegde oplichtingen staat vast. De rechtbank stelt echter ook vast dat verdachte, na ontvangst van de gelden van [gedupeerde 1] , [gedupeerde 2] en [gedupeerde 3] , deze gelden meermalen in kleinere bedragen heeft doorgestort naar meerdere (zakelijke en privé)rekeningnummers, waarbij in meerdere gevallen gebruik is gemaakt van nietszeggende of versluierende omschrijvingen, en dat deze gelden soms ook zijn doorbetaald aan derden. Hierdoor, en dat blijkt ook uit het omvangrijke onderzoek naar de vele bankrekeningen dat de politie heeft moeten verrichten, is de herkomst van de bedragen alleen nog met veel moeite te traceren. Nu enige redelijke verklaring voor het op deze wijze schuiven met het geld ontbreekt, zijn de gedragingen van verdachte naar het oordeel van de rechtbank kennelijk gericht geweest op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld, en daartoe, zoals al opgemerkt, ook geëigend, zodat het onder 4 primair bewezenverklaarde het strafbare feit witwassen oplevert. Het bewezen verklaarde levert op: oplichting, meermalen gepleegd; oplichting, meermalen gepleegd; 3. oplichting, meermalen gepleegd; 4. van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft, mocht de rechtbank komen tot een bewezenverklaring, primair gepleit voor oplegging van een voorwaardelijke straf. Zij heeft betoogd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet meer opportuun is, gelet op het enorme tijdsverloop, de mensonterende behandeling die verdachte rondom de uitlevering en in detentie heeft gehad, de financiële consequenties en de langdurige vrijheidsbeperking door het elektronisch toezicht gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis. Subsidiair heeft zij gepleit voor matiging van de op te leggen straf. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van meerdere particulieren en aan het witwassen van het geld dat zij zodoende voorhanden heeft gekregen. Zij heeft, misbruik makend van het vertrouwen dat zij in haar hadden als financieel dienstverlener, de slachtoffers bewogen om grote bedragen aan haar of haar bedrijf over te maken door hen financieel zeer aantrekkelijke beloftes te doen die zij nooit van plan was om na te komen. Vrijwel al het geld dat zij zo ter beschikking heeft gekregen heeft verdachte naar eigen goeddunken besteed, waaronder ook aan aanzienlijke privé-uitgaven. Van de beloofde rentebetalingen is het op een enkele uitzondering na nooit gekomen, van terugbetaling al helemaal niet. De financiële schade die zij zo heeft veroorzaakt is enorm, niet in het minst omdat een aantal van de slachtoffers op haar initiatief zelf leningen hebben afgesloten om aan het geld te komen dat zij aan haar hebben overgemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank doet alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf recht aan de ernst van deze feiten, in het bijzonder vanwege het grove misbruik van vertrouwen en het planmatig handelen van verdachte, en aan het leed dat de slachtoffers is toegebracht. Strafverzwarend werkt bovendien dat verdachte eerder is veroordeeld voor vergelijkbare fraude, waarbij eveneens vele gedupeerden met grote financiële schade zijn achtergebleven. In deze zaak springt in het oog het zeer forse tijdsverloop tussen de vervolging van verdachte en haar uiteindelijke berechting. De uitspraak van de rechtbank vindt ver buiten de redelijke termijn plaats. Deels vindt dat zijn oorzaak in verdedigingswensen, maar voor een deel is dit ook te wijten aan factoren waarvoor het openbaar ministerie of de rechtbank verantwoordelijk zijn. Bij het bepalen van de hoogte van de straf zal de rechtbank hier dan ook rekening mee moeten houden. Aan het oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden is, doet deze constatering echter niet af. Daarvoor zijn de gedragingen, zoals gezegd, te ernstig. De officier van justitie heeft bij de motivering van zijn strafeis aangegeven dat hij, als er geen sprake was geweest van een schending van de redelijke termijn, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden zou hebben geëist. Vanwege het tijdsverloop heeft hij zijn strafeis beperkt tot 24 maanden. De rechtbank acht zowel het uitgangspunt als de door de officier van justitie voorgestelde strafkorting, die overigens aanzienlijk uitgaat boven wat de Hoge Raad in zijn rechtspraak op dit punt doorgaans als maatstaf neemt, passend in het licht van alle hierboven besproken feiten en omstandigheden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. Benadeelde partijen De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding: 1. [gedupeerde 1] , tot een bedrag van 114.000,00 ter zake van materiële schade en 1.000,00 ter vergoeding van proceskosten; 2. [ [gedupeerde 2] , tot een bedrag van 123.761,92 ter vergoeding van materiële schade en 1.459,41 ter vergoeding van proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan; 3. [ [gedupeerde 3] , tot een bedrag van 97.707,40 ter vergoeding van materiële schade en 1.459,41 ter vergoeding van proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan; 4. [ [gedupeerde 5] , tot een bedrag van 41.000,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Ten aanzien van [gedupeerde 2] en [gedupeerde 3] kan volgens de officier van justitie wel een schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd ter hoogte van het gevorderde bedrag. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Mocht de rechtbank tot een veroordeling komen, dan dient de vordering van [gedupeerde 1] te worden afgewezen in verband met het ontbreken van causaal verband en het geen rechtstreekse schade betreft. Meer subsidiair dient die vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat deze een onevenredige belasting van het strafgeding vormt. De vorderingen van [gedupeerde 2] en [gedupeerde 3] dienen, bij een bewezenverklaring, niet- ontvankelijk te worden verklaard gelet op het veroordelende vonnis van de civiele rechter in 2011. De vordering van [gedupeerde 5] dient, bij een bewezenverklaring, te worden afgewezen. Oordeel van de rechtbank [gedupeerde 1] (feit 1) Het bedrag dat de benadeelde partij [gedupeerde 1] vordert betreft, zo volgt uit de toelichting, het totale bedrag dat hij aan verdachte heeft overgeboekt, met aftrek van de bedragen die door haar zijn gebruikt voor betalingen in overeenstemming met de afspraken die daarover waren gemaakt. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat verdachte zich ten opzichte van de benadeelde partij [gedupeerde 1] schuldig heeft gemaakt aan oplichting, en daarmee vaststaat dat de benadeelde partij nooit enig geldbedrag zou hebben overgeboekt indien hij van een juiste voorstelling van zaken op de hoogte was geweest, kan het gevorderde bedrag als rechtstreekse schade van het strafbare handelen van verdachte worden aangemerkt. De vordering, die voor het overige onvoldoende is betwist, zal dan ook worden toegewezen. De gevorderde proceskosten zijn niet nader onderbouwd, zodat deze thans op nihil worden begroot. De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. [gedupeerde 2] (feit 2) en [gedupeerde 3] (feit 3) De vorderingen van deze benadeelde partijen zijn in 2011 reeds grotendeel toegewezen door de civiele rechter. Voor zover de schade reeds is toegewezen, zullen de vorderingen daarom niet ontvankelijk worden verklaard. Het bedrag dat door benadeelde partij [gedupeerde 3] is gevorderd voor het opnemen van verlof voor het bijwonen van de zitting acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Ook dit deel van de vordering acht de rechtbank niet ontvankelijk. De door beide benadeelde partijen gevorderde reiskosten acht de rechtbank wel toewijsbaar, voor zover het gaat om de reiskosten naar SHN als materiële schade ( 2,74 in het geval van [gedupeerde 2] en 4,42 in het geval van [gedupeerde 3] ) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 mei 2022, en voor zover het gaat om de reiskosten naar de zitting ( 91,28 in het geval van [gedupeerde 2] en 90,16 in het geval van [gedupeerde 3] ) als proceskosten. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partijen tot op heden geen enkele schadevergoeding hebben ontvangen van verdachte. De rechtbank zal daarom de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd ten aanzien van het eerder door de civiele rechter toegewezen en thans toe te wijzen bedrag aan materiële schade en rente, maar niet voor de reis- en proceskosten, nu deze kosten niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. [gedupeerde 5] (feit 4) De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 60a, 326, 420bis, 420ter van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging. Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht. Ten aanzien van feit 1 Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [gedupeerde 1] te betalen: het bedrag van 114.000,00 (zegge: honderdveertienduizend euro en nul cent). de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [gedupeerde 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 114.000,00. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 365 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden. Ten aanzien van feit 2 Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [gedupeerde 2] te betalen: het bedrag van 2,74 (zegge: twee euro en vierenzeventig cent); de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 mei 2022 tot de dag van algehele voldoening; de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op 91,28. Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [gedupeerde 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 123.672,62. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 365 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden. Ten aanzien van feit 3 Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [gedupeerde 3] te betalen: het bedrag van 4,42 (zegge: vier euro en tweeënveertig cent); de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 mei 2022 tot de dag van algehele voldoening. de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op 90,16. Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [gedupeerde 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 97.462,76. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 365 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden. Ten aanzien van feit 4 Verklaart de vordering van [gedupeerde 5] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Bepaalt dat [gedupeerde 5] zijn eigen proceskosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. S. Timmermans en mr. H. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. B.E. Oosterhout, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 juni 2022. Mr. Brouwer en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. 1. De documenten waarnaar wordt verwezen, zijn opgenomen in het dossier van de Politie Noord-Nederland met nummer 2015180138 (onderzoek Bobolink) van 12 mei 2016. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. 2 Uittreksel van de Kamer van Koophandel van [onderneming 2] BV, p. 174 e.v. 3 Uittreksel van de Kamer van Koophandel van [onderneming 1] , p. 181 e.v. 4 Proces-verbaal van aangifte van [gedupeerde 2] d.d. 27 februari 2012, p. 500 e.v. 5 Overeenkomst van geldlening tussen [onderneming 1] C.V. en [gedupeerde 2] met een looptijd van vijf jaren d.d. 19 juni 2007, p. 260 e.v. 6 Overeenkomst van geldlening tussen [onderneming 1] C.V. en [gedupeerde 2] met een looptijd van drie jaren d.d. 1 december 2008, p. 263 e.v. 7 Verklaring aangever [gedupeerde 2] bij de rechter-commissaris 8 Relaasproces-verbaal d.d. 12 mei 2016, p. 20-23 en het overzicht met geldstromen en de bijbehorende processen-verbaal, p. 507 e.v. 9 Proces-verbaal van aangifte van [gedupeerde 1] d.d. 27 februari 2012, p. 353 e.v. 10 Een proces-verbaal van getuigenverhoor van [gedupeerde 1] door de rechter-commissaris d.d. 24 april 2017. 11 Overeenkomst van geldlening tussen [onderneming 1] C.V. en [gedupeerde 1] met een looptijd van vijf jaren d.d. 7 september 2007, p. 251 e.v. 12 Relaasproces-verbaal d.d. 12 mei 2016, p. 13-17 en het overzicht met geldstromen en de bijbehorende processen-verbaal, p. 360 e.v. en p. 421 e.v. 13 Proces-verbaal van aangifte van [gedupeerde 3] d.d. 27 februari 2012, p. 583 e.v. 14 Overeenkomst van geldlening tussen [onderneming 1] C.V. en [gedupeerde 3] met een looptijd van vijf jaren d.d. 30 november 2009, p. 273 e.v. 15 Relaasproces-verbaal d.d. 12 mei 2016, p. 25-26 en het overzicht met geldstromen en de bijbehorende processen-verbaal, p. 589 e.v. 16 De bewijsmiddelen en overwegingen ten aanzien van de feiten 1 t/m 3 moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 17 Proces-verbaal van aangifte van [gedupeerde 4] d.d. 11 november 2015, p. 593 e.v. 18 Overeenkomst van geldlening tussen [onderneming 1] C.V. en [gedupeerde 4] met een looptijd van vijf jaren d.d. 30 augustus 2007, p. 601 e.v. 19 Relaasproces-verbaal d.d. 12 mei 2016, p. 30 en het overzicht met geldstromen en de bijbehorende processen-verbaal, p. 610 e.v.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.