vonnis RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling privaatrecht Locatie Groningen zaaknummer / rolnummer: C/18/199419 / HA ZA 20-126 Vonnis van 9 maart 2022 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. W.M. van Agt te Amsterdam, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. J. Scholtens te Stadskanaal. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 3 november 2021, het B8-formulier met producties 31 t/m 33, ingediend door [eiser] , het B8-formulier met producties 8 en 9, ingediend door [gedaagde] , het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 februari 2022 met inbegrip van de pleitaantekeningen van beide partijen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [gedaagde] was bestuurder van de besloten vennootschap [gedaagde] Beheer B.V. [gedaagde] Merge B.V. is de dochtervennootschap van [gedaagde] Beheer B.V. 2.2. [gedaagde] Beheer B.V. en [gedaagde] Merge B.V. hebben zich de laatste jaren bezig gehouden met de ontwikkeling van de ‘Air Gravity Mill’ (AGM), een innovatieve molen gericht op het opwekken van energie. 2.3. [gedaagde] en [eiser] zijn op enig moment met elkaar in contact gekomen via de heer [naam 1] (zakenpartner van [gedaagde] , hierna: [naam 1] ). 2.4. Op 8 november 2018 heeft [eiser] [naam 1] en [gedaagde] in de werkplaats van [gedaagde] Beheer/ [gedaagde] Merge bezocht. [gedaagde] heeft een rondleiding gegeven en partijen hebben daarna tijdens een lunch gesproken over de ontwikkeling van AGM en een (eventuele) investering van [eiser] . Partijen hebben daarna notaris [notaris] (hierna: de notaris) bezocht. 2.5. [gedaagde] heeft op 9 november 2018 de notaris een e-mail gezonden en daarin - voor zover relevant - het volgende geschreven: “Had het idee gisteren dat je heel erg druk was en heb je maar even niet aangesproken en ik hoop dat je goed bent hersteld. (…) Heb gisteren de informatie van [eiser] achter gelaten. Hij zal in de toekomst nog veel meer geld gaan investeren maar begint nu met 100,000€ in [gedaagde] Merge B.V. (NL) tegen een mooie aanbieding nu. Hij gaat [naam 1] ondersteunen en later in zijn eigen regio uitbreiden met investeringen. Het gaat nu dus om 10 aandelen [gedaagde] Merge B.V. 10.000 euro per stuk. (…) Graag ziet hij de stukken tegemoet en de bankrekening waar het geld naar toe moet worden gestort.” 2.6. Op 19 november 2018 heeft [eiser] een bedrag van € 100.000,- overgemaakt op de rekening van [gedaagde] Beheer B.V. onder de vermelding “loan”. [gedaagde] heeft in een e-mail van 20 november 2018 bevestigd dat het bedrag is ontvangen. 2.7. Op 21 november 2018 heeft [eiser] een e-mail naar [gedaagde] gestuurd waarin hij schrijft: “Please find attached the loan agreement in word and also in pdf format. Please print them and sign them, then send me back one in pdf by e-mail and 2-3 copies with original ink signature by post to me. I will also sign them by ink and will post you back 1-2 copies. The agreement is without interest to avoid any additional tax problems.” 2.8. Op 22 november 2018 heeft [gedaagde] de geldleningsovereenkomst namens [gedaagde] Beheer B.V. getekend. De overeenkomst is geantedateerd en vermeldt als datum 1 november 2018. In de overeenkomst, die zowel in het Hongaars als het Engels is geschreven, is – voor zover relevant – het volgende bepaald: “1.1 The Parties agree that based on the present loan agreement, the Creditor [rechtbank: [eiser] ] pays EUR 100 000 as loan to the Debtor [rechtbank: [gedaagde] Beheer B.V.] via bank transfer to its bank account no. [bankrekeningnummer] within 15 calander days subsequent to the signature of the present loan agreement by both Parties. 1.2 The Parties agree that the Debtor repays the amount of the loan specified In Section 1.1. in lump-sum until 30 November 2019 (…)” 2.9. In een e-mail van 10 december 2018 schrijft [eiser] aan [gedaagde] : “(…) Do you have any news from your notary and do you know when I can get reply regarding my questions?” 2.10. In een e-mail van 20 december 2018 schrijft [eiser] aan [gedaagde] : “Any news from the notary and regarding the business plan? I think if there are no persuasive answers I would rather stay out. So I would like to ask you to transfer me back the 100.000.€.” 2.11. Op 23 januari 2019 schrijft de notaris in een e-mail aan [eiser] , voor zover relevant: “My apologies that you had to wait for some time. You have bought 10 shares in [gedaagde] Merge B.V. for the amount of € 100.000,00. The amount has already been paid and is for the time being a loan.” 2.12. Op 1 maart 2019 brengt [eiser] samen met [naam 2] , private capital investor, een tweede bezoek aan [gedaagde] . 2.13. [eiser] e-mailt [gedaagde] op 2 maart 2019: “Based on my previous and present visit considering my possibilities, capacities and rights as well as the potential returns and risks of the money I wanted to invest I made the decision, that I will not buy the shares in [gedaagde] Merge and want you to transfer the 100.000 € I borrowed you by next week.” En op 4 maart 2019: “As I do not have any interest to invest into your company because the conditions were not clear I am asking you again to transfer my money back latest by the end of March. I offered this loan just for the period to decide on the investment and you were aware of it.” 2.14. In de periode van 4 maart 2019 tot november 2019 heeft [gedaagde] meerdere keren aan [eiser] toegezegd het geld terug te betalen zodra de middelen daartoe beschikbaar zijn. [gedaagde] Beheer B.V. heeft het bedrag niet terugbetaald. 2.15. [eiser] is een Europees Betalingsbevel procedure gestart tegen [gedaagde] Beheer B.V. Er is een bevel afgegeven. Op 21 april 2020 is de executoriale titel en een bevel tot betaling aan [gedaagde] Beheer B.V. betekend. [gedaagde] heeft daarop contact opgenomen met [eiser] en aangegeven dat [gedaagde] Beheer B.V. niet aan haar betalingsverplichtingen kon voldoen en [gedaagde] daarom het faillissement van [gedaagde] Beheer B.V. heeft aangevraagd. 2.16. De advocaat van [eiser] heeft op 1 mei 2020 een brief aan [gedaagde] gestuurd, waarin hij [gedaagde] aansprakelijk heeft gesteld voor de door [eiser] geleden schade als gevolg van het handelen van [gedaagde] als bestuurder van [gedaagde] Beheer B.V. uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid en/of uit hoofde van een persoonlijke onrechtmatige daad. [gedaagde] heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen. 2.17. Op 2 juni 2020 is het faillissement van [gedaagde] Beheer B.V. uitgesproken en op 13 juli 2020 is het faillissement van [gedaagde] Merge B.V. uitgesproken. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert samengevat - een verklaring voor recht dat [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en te lijden schade, [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] een bedrag van € 100.000,- te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rechte daarover vanaf 1 december 2019, en [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding. 3.2. [gedaagde] voert verweer. 4De beoordeling Internationaal karakter 4.1. Nu [eiser] woonachtig is in Hongarije, heeft de zaak een internationaal karakter. In het vonnis in incident van 10 maart 2021 heeft de rechtbank al geoordeeld dat zij bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van [eiser] en dat het Nederlandse recht van toepassing is. De rechtbank verwijst naar de rechtsoverwegingen 4.1. t/m 4.4. van dat vonnis. Inleiding 4.2. Deze zaak gaat over de overeenkomst die [gedaagde] Beheer B.V. in november 2018 met [eiser] heeft gesloten, naar aanleiding waarvan [eiser] op 19 november 2018 € 100.000,- aan [gedaagde] Beheer B.V. heeft overgemaakt. [eiser] betoogt dat hij dit bedrag uit hoofde van een geldleningsovereenkomst aan [gedaagde] Beheer B.V. ter beschikking heeft gesteld en dat [gedaagde] Beheer B.V. is tekortgeschoten in de nakoming van deze overeenkomst door het bedrag niet aan [eiser] terug te betalen. [eiser] stelt [gedaagde] , als bestuurder van [gedaagde] Beheer B.V., in deze procedure persoonlijk aansprakelijk voor de schade die [eiser] stelt te hebben geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] Beheer B.V. 4.3. [gedaagde] betwist allereerst dat partijen een geldleningsovereenkomst zijn aangegaan. Volgens [gedaagde] was het de bedoeling van partijen dat [eiser] het bedrag van € 100.000,- zou investeren en daarmee tien aandelen in [gedaagde] Merge B.V. zou verkrijgen. Volgens [gedaagde] kan daarbij van bestuurdersaansprakelijkheid geen sprake zijn, kort gezegd omdat [gedaagde] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst niet wist of behoorde te weten dat [gedaagde] Beheer B.V. tekort zou schieten in de nakoming daarvan. Uitleg van de overeenkomst 4.4. Gelet op de standpunten van partijen ziet de rechtbank zich allereerst voor de vraag gesteld wat de inhoud is van de tussen [eiser] en [gedaagde] Beheer B.V. gesloten overeenkomst. Aan de beantwoording van de vraag of [gedaagde] als bestuurder persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die [eiser] stelt te hebben geleden, wordt immers pas toegekomen indien vaststaat dat [gedaagde] Beheer B.V. toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van die overeenkomst. 4.5. [eiser] , op wie ten aanzien van het bestaan van de gestelde geldleningsovereenkomst op grond van artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast rust, stelt zich op het standpunt dat hij met [gedaagde] Beheer B.V. een overeenkomst van geldlening heeft gesloten met een looptijd van een jaar. Hij verwijst daartoe naar de schriftelijke overeenkomst die gedateerd is op 1 november 2018 (zie rov. 2.8) en stelt dat [gedaagde] Beheer B.V. uit hoofde hiervan de geldlening uiterlijk op 30 november 2019 ‘lump sum’ diende terug te betalen. Volgens [eiser] stond het partijen voor ogen dat [eiser] het bedrag van € 100.000,- uiteindelijk zou aanwenden om te investeren in [gedaagde] Merge B.V. en had de geldlening slechts het doel aan te tonen dat [eiser] hier serieus over was en over het geld beschikte. Na het bestuderen van het businessplan met betrekking tot de AGM heeft [eiser] verschillende vragen gesteld en [gedaagde] op 20 december 2018 meegedeeld dat als hij geen antwoord op deze vragen zou krijgen, hij zou afzien van de investering. Uiteindelijk heeft [eiser] naar aanleiding van zijn tweede bezoek aan [gedaagde] op 1 maart 2019 definitief besloten af te zien van de investering en heeft hij [gedaagde] verzocht de geldlening terug te betalen. 4.6. [gedaagde] daarentegen betoogt dat [eiser] het geld niet aan [gedaagde] Beheer B.V. heeft uitgeleend, maar dat hij het bedrag in [gedaagde] Beheer B.V. heeft betaald ten behoeve van een investering in [gedaagde] Merge B.V. Volgens [gedaagde] hebben partijen op 8 november 2018 mondeling overeenstemming bereikt over de koop van tien aandelen in [gedaagde] Merge B.V. [gedaagde] en [eiser] zijn dezelfde dag nog naar de notaris gereden om een en ander vast te leggen. Omdat de notaris echter niet op korte termijn tijd had de aandelen uit te geven, heeft [eiser] het bedrag alvast aan [gedaagde] Beheer B.V. overgemaakt, zodat zij verder kon met de ontwikkeling van de AGM. Later stelde [eiser] dat hij enige vorm van zekerheidsstelling wilde, waarna op initiatief van [eiser] de overeenkomst van geldlening is opgesteld en ondertekend. Het is echter uitdrukkelijk nooit de bedoeling van partijen geweest dat [gedaagde] Beheer B.V. dit bedrag aan [eiser] terug zou betalen. [gedaagde] Beheer B.V. had immers geen behoefte aan een kortdurende lening; zij had alleen baat bij investeerders die langdurig in het project wilden investeren. Dat is - volgens [gedaagde] - dan ook wat [eiser] heeft gedaan. 4.7. De rechtbank stelt bij de uitleg van de tussen [eiser] en [gedaagde] Beheer B.V. gesloten overeenkomst voorop dat de Hoge Raad in het Haviltex-arrest heeft overwogen, dat de uitleg over wat partijen zijn overeengekomen niet alleen wordt gegeven op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen in de overeenkomst, maar het tevens aankomt op de zin die partijen in gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de gebruikte bewoordingen mochten toekennen en op wat zij daaromtrent redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van de partijen verwacht kan worden. Bij de uitleg zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de redelijkheid en billijkheid meebrengen telkens van beslissende betekenis. Bij de uitleg van een overeenkomst moet worden gelet op de omstandigheden van het concrete geval ten tijde van het aangaan van de overeenkomst. In het algemeen kunnen echter ook omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat een rechtshandeling is verricht, medebepalend zijn voor de uitleg daarvan. Zo kan met name het gedrag van partijen bij de uitvoering van een overeenkomst aanwijzingen geven omtrent de wijze waarop zij hun afspraak hebben opgevat en omtrent hetgeen zij met hun afspraak hebben beoogd. 4.8. Met inachtneming van deze maatstaf overweegt de rechtbank het volgende. Tussen partijen is niet in geschil dat de schriftelijke geldleningsovereenkomst van 1 november 2018 is geantedateerd. Uit de stellingen van partijen leidt de rechtbank af dat [eiser] en [gedaagde] voor het eerst op 8 november 2018 met elkaar in contact zijn getreden en dat zij bij die gelegenheid gesproken hebben over de mogelijke investering van [eiser] in [gedaagde] Merge B.V. door aandelen in [gedaagde] Merge B.V. te kopen van [gedaagde] Beheer B.V. Van belang is daarbij dat [gedaagde] Merge B.V. een zogenaamde ‘startup’ betreft, het bedrijf hield zich bezig met de ontwikkeling van een vernieuwende vorm van energieopwekking door middel van de AGM. Inherent aan dit type onderneming is dat er in de ontwikkelingsfase geïnvesteerd moet worden voordat er sprake is van (mogelijke) opbrengsten. Voor investeerders geldt dat zij geld steken in een bedrijf waarbij ze een bovengemiddeld risico lopen dat hun investering op niets uitdraait. Aan de andere kant kunnen zij na een succesvolle ontwikkeling met een relatief kleine investering veel geld verdienen. [eiser] heeft op 8 november 2018 het businessplan van [gedaagde] Merge B.V. bestudeerd. Uit dit plan blijkt dat voor de gehele ontwikkeling van de AGM een bedrag van veertig miljoen euro noodzakelijk werd geacht. Het businessplan vermeldt in dit verband: “The process of starting up the enterprise will be financed by the sale of shares of [gedaagde] Merge B.V. that are currently in ownership of [gedaagde] Beheer B.V. being the main shareholder. It is anticipated that a total of 600 of the 1400 [gedaagde] Merge B.V. shares will be sold. This sale is expected to generate over € 20 million. (…) In addition to the € 20 million that will be raised in 2019 from the sale of shares, a further funding of € 20 million will be needed for the second phase in 2020. This € 20 million will be raised using finance of additional shares will be issued.” Uit het businessplan blijkt dus dat voor de ontwikkeling van de AGM veel geld nodig was en dat dit geld enkel gegenereerd zou worden door middel van de verkoop van aandelen in [gedaagde] Merge B.V. Gelet op dit ( [eiser] bekende) businessplan en de daarin omschreven beoogde wijze van financieren door middel van de verkoop van aandelen in [gedaagde] Merge B.V. acht de rechtbank aannemelijk dat het partijen voor ogen heeft gestaan dat [eiser] het bedrag van € 100.000,- zou investeren en niet slechts aan [gedaagde] zou uitlenen. Gelet op het type onderneming dat [gedaagde] dreef - een startup - was immers alleen behoefte aan (langdurige) investeerders en niet aan kortlopende leningen. [eiser] heeft daarbij niet weersproken dat hij en [gedaagde] op 8 november 2018 na afloop van hun bespreking een bezoek hebben gebracht aan de notaris. Uit de e-mail van [gedaagde] aan de notaris van 9 november 2018 (rov. 2.5) blijkt dat dit bezoek erop gericht was de investering van [eiser] juridisch vast te leggen. Gelet op dit alles gaat de rechtbank er vanuit dat het bedrag dat [eiser] vervolgens op 19 november 2018 aan [gedaagde] Beheer B.V. heeft overgemaakt, bedoeld was om te investeren. Pas nadat [eiser] het bedrag aan [gedaagde] Beheer B.V. heeft overgemaakt, heeft hij aan [gedaagde] een schriftelijke geldleningsovereenkomst toegezonden. Gelet op deze gang van zaken acht de rechtbank, conform de lezing van [gedaagde] , aannemelijk dat deze schriftelijke geldleningsovereenkomst achteraf is opgesteld om aan [eiser] enige zekerheid te bieden voor de terugbetaling van het bedrag, indien [gedaagde] iets zou overkomen voordat de aandelen in [gedaagde] Merge B.V. aan hem zouden worden geleverd. Tussen partijen is daarbij niet in geschil dat over de inhoud van deze schriftelijke geldleningsovereenkomst, waaronder de looptijd daarvan, niet is onderhandeld. [eiser] heeft vervolgens in e-mails van 10 en 20 december 2018 bij [gedaagde] geïnformeerd of er al nieuws van de notaris was, daarbij kennelijk doelend op de voortgang van de uitgifte van de aandelen. De notaris schrijft vervolgens op 23 januari 2019 aan [eiser] : “You have bought 10 shares in [gedaagde] Merge B.V. for the amount of € 100.000,00. The amount has already been paid and is for the time being a loan.” Ook dit wijst erop dat partijen de bedoeling hadden dat het bedrag van € 100.000,- zou worden geïnvesteerd en niet op korte termijn door [gedaagde] Beheer B.V. behoefde te worden terugbetaald. 4.9. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat tussen partijen weliswaar een akte van geldlening is getekend, maar dat het daarbij de bedoeling van partijen is geweest dat deze lening zou worden ingezet als investering van [eiser] waarbij hij tien aandelen in [gedaagde] Merge B.V. zou verkrijgen. Daarmee heeft het partijen bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen gestaan dat [gedaagde] Beheer B.V. het ter beschikking gestelde bedrag in beginsel niet aan [eiser] behoefde terug te betalen. Daarvan zou alleen sprake zijn als de levering van de aandelen in [gedaagde] Merge B.V. onverhoopt geen doorgang zou vinden. Dat in de schriftelijke geldleningsovereenkomst die gedateerd is op 1 november 2018 is opgenomen dat [gedaagde] Beheer B.V. gehouden is het gehele bedrag op 30 november 2019 terug te betalen maakt dit niet anders. Vast staat dat deze tekst eenzijdig door [eiser] is opgesteld en dat partijen hierover niet hebben onderhandeld. In het licht van de hiervoor geschetste omstandigheden, waaruit naar het oordeel van de rechtbank blijkt dat de schriftelijke overeenkomst alleen is opgesteld ter zekerheidsstelling voor het ter beschikking gestelde bedrag, kan aan deze bepaling geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. 4.10. [eiser] heeft begin maart 2019 verklaard af te zien van de investering in [gedaagde] Merge B.V. Daarmee was de uitgifte van de aandelen in [gedaagde] Merge B.V. aan [eiser] van de baan. [gedaagde] heeft vervolgens aan [eiser] toegezegd dat [gedaagde] Beheer B.V. het bedrag van € 100.000,- terug zal betalen. Zo schreef [gedaagde] op 4 maart 2019 aan [eiser] : “ [gedaagde] Beheer B.V. will transfer the money immediately if it is available within the coming weeks or months.” Deze boodschap heeft [gedaagde] daarna meerdere keren herhaald. Vaststaat dat [gedaagde] Beheer B.V. het bedrag niet aan [eiser] heeft terugbetaald en dat, als gevolg van het faillissement van [gedaagde] Beheer B.V., geen betaling aan [eiser] meer is te verwachten. Daarmee is duidelijk dat [gedaagde] Beheer B.V. jegens [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenis uit de geldleningsovereenkomst. [eiser] stelt dat [gedaagde] als bestuurder van [gedaagde] Beheer B.V. aansprakelijk is voor de schade die [eiser] dientengevolge heeft geleden. Bestuurdersaansprakelijkheid - het juridisch kader 4.11. Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van die aansprakelijkheid is vereist dat de bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarmee gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. 4.12. In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.