RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Leeuwarden parketnummer : 18-266457-21 v.i. nummer : 89-000022-34 raadkamernummer : 23-000830 beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering in de zaak van: [veroordeelde], geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats], ingeschreven in de Basisiadministratie Personen op het adres [adres], hierna te noemen: de veroordeelde, raadsman mr. D. Eijpe, advocaat te Amsterdam. Feiten De meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft de veroordeelde bij vonnis van 30 september 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De veroordeelde kan, gelet op artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), op 31 januari 2023 in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Het openbaar ministerie heeft op 28 december 2022 beslist dat de veroordeelde niet voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld. Namens veroordeelde is een bezwaarschrift ingediend tegen deze beslissing. Procedure Het bezwaarschrift tegen de beslissing van het openbaar ministerie is op 9 januari 2023 - en daarmee tijdig - ingediend ter griffie van deze rechtbank. Het openbaar ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft op 18 januari 2023 het bezwaar tijdens een openbare zitting van de raadkamer behandeld. Het openbaar ministerie werd vertegenwoordigd door mr. J.T.D. Stoffels. De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn raadsman, en de officier van justitie op zitting gehoord. Bezwaar De veroordeelde kan zich niet verenigen met de beslissing van het openbaar ministerie om de veroordeelde niet voorwaardelijk in vrijheid te stellen. Namens de veroordeelde is aangevoerd dat de enige concrete aanleiding die wordt aangedragen is dat veroordeelde een aantal keren disciplinair gestraft zou zijn omdat hij geblowd had. De raadsman stelt dat het veroordeelde niet duidelijk is waarom dit gegeven in de weg zou moeten staan van een voorwaardelijke invrijheidstelling en dat er geen enkel verband is tussen het blowen en het feit waarvoor hij is veroordeeld. Zijn vriendin kan hem ondersteunen in zijn terugkeer in de maatschappij en eventuele recidiverisico's kunnen worden opgevangen door bijzondere voorwaarden. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie in redelijkheid de beslissing heeft kunnen nemen omdat veroordeelde door zijn gedrag niet heeft laten zien dat hij beschikt over bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de maatschappij. Veroordeelde scoorde meerdere malen op het gebruik van cannabis en hij heeft onvoldoende gewerkt aan activiteiten in het kader van zijn re-integratie. Het risico op recidive werd op het moment van het nemen van de beslissing hoog ingeschat. Wat de belangen van de slachtoffers betreft: een aantal slachtoffers heeft wensen ingediend ten aanzien van voorwaarden bij een eventuele invrijheidstelling. Beoordeling Bij het nemen van een beslissing over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling betrekt het openbaar ministerie de in artikel 6:2:10 lid 3 Sv genoemde aspecten, waaronder de mate waarin en de wijze waarop de veroordeelde door zijn gedrag heeft doen blijken van een bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samenleving. Op grond van het eerste lid van artikel 6:6:9 Sv dient de rechtbank te onderzoeken of het openbaar ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. De rechtbank constateert dat uit de stukken voldoende naar voren komt dat veroordeelde tijdens zijn detentie niet de bijzondere geschiktheid heeft laten zien voor zijn terugkeer in de maatschappij. Hij is tijdens zijn detentie cannabis gaan regelen en heeft dit gerookt terwijl het hem duidelijk was dat het regelen en gebruiken van cannabis niet was toegestaan. Het daardoor beëindigen van het plusprogramma in juli 2022 was een stevige waarschuwing voor veroordeelde maar heeft er niet toe geleid dat hij niet meer ging blowen. In november 2022 is er toch nog een keer een positieve test geweest. De stelling van de raadsman dat er enig verband zou moeten zijn tussen het gebruik van cannabis en het plegen van de onderliggende feiten, gaat niet op. De wet stelt dit niet als voorwaarde en het vloeit evenmin voort uit het recht. De rechtbank komt tot het oordeel dat het openbaar ministerie, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Het bezwaarschrift moet dan ook ongegrond worden verklaard. Beslissing De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond. Deze beslissing is gegeven door Mr. M. Brinksma, voorzitter, Mr. G.C. Koelman en mr. F. van der Meulen, rechters, in tegenwoordigheid van T.L. Komrij, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2023. Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter en de griffier.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.