← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2023:1780

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 23/1491 uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 mei 2023 in de zaak tussen [naam] , uit Groningen, verzoeker (gemachtigde: H.H. Yildiz), en Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) (gemachtigde: mr. B.C. Rots). Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker. 1.
  2. Het IMG heeft deze aanvraag met het besluit van 7 maart 2023 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 1.
  3. Het IMG heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.
  4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 april 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het IMG. Totstandkoming van het besluit en het verweerschrift
  5. De gemachtigde van verzoeker heeft namens verzoeker een aanvraag ingediend voor een vaste vergoeding van fysieke schade aan een woning. Bij brief van 14 februari 2023 heeft het IMG bericht dat de machtiging onjuist is en dat een nieuwe machtiging nodig is. Op 16 februari 2023 heeft een e-mailwisseling tussen het IMG en de gemachtigde van verzoeker plaatsgevonden. Bij brief van 20 februari 2023 heeft het IMG bericht dat de machtiging onjuist is en dat een nieuwe machtiging nodig is. De gemachtigde heeft een nieuwe machtiging ingediend. Bij brief van 28 februari 2023 heeft het IMG bericht dat de machtiging onjuist is en dat een nieuwe machtiging nodig is. De gemachtigde heeft een nieuwe machtiging ingediend. Bij het bestreden besluit van 7 maart 2023 heeft het IMG bericht dat de aanvraag wordt afgewezen omdat de machtiging niet voldoet aan de daarvoor gestelde eisen.
  6. In het verweerschrift deelt het IMG mee dat H.H. Yildiz inmiddels is geaccepteerd als gemachtigde in de procedure over de vaste vergoeding. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  7. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 5.
  8. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. 5.
  9. In het verweerschrift stelt het IMG zich op het standpunt dat niet voldaan wordt aan het vereiste van spoedeisendheid omdat het gaat om een financieel geschil en omdat er niet een onomkeerbare situatie dreigt. 5.
  10. De voorzieningenrechter deelt dit standpunt niet. In de brieven en in het besluit hierboven genoemd (zie 2.) stelt het IMG elke keer dat de machtiging niet voldoet, maar geen enkele keer bevat dit de toelichting welk gebrek de machtiging heeft. Aan verzoekers gemachtigde is daarmee ook niet de mogelijkheid geboden een eventueel gebrek te herstellen. Daardoor werd het voor verzoeker uitzichtloos of het IMG het wel mogelijk zou maken om een aanvraag in te dienen. Omdat het zeker in een aardbevingszaak niet zo mag zijn dat geen procedurele duidelijkheid wordt gegeven, merkt de voorzieningenrechter deze situatie als spoedeisend aan. 6.
  11. Zoals ter zitting is besproken, heeft de gemachtigde van verzoeker het doel bereikt dat hij beoogde aangezien hij alsnog als gemachtigde is geaccepteerd (zie 3.). De gemachtigde van het IMG heeft voorts toegezegd dat in de toekomst zal worden gestreefd naar een duidelijke communicatie met de gemachtigde van verzoeker. 6.
  12. Dit betekent dat het belang aan het verzoek is komen te ontvallen. Om die reden zal het verzoek afgewezen worden. 6.
  13. Omdat het IMG tegemoet is gekomen, is er aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Conclusie en gevolgen
  14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het IMG het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Het IMG moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 837,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.674,-. Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om voorlopige voorziening af; - bepaalt dat het IMG het griffierecht van € 184,- aan verzoeker moet vergoeden; - veroordeelt het IMG tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 mei
  15. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.