RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 22/2497 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 mei 2023 in de zaak tussen [verzoekster] , handelend onder de naam [verzoekster], uit [plaats], verzoekster (gemachtigde: mr. A.J. Roos), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weststellingwerf, verweerder (gemachtigde: J. van Weperen). Procesverloop
- Op 1 november 2021 heeft verweerder besloten tot invordering van een dwangsom van € 17.500,- omdat eiseres schroot inzamelde op het perceel aan de [adres] en daarmee niet voldaan werd aan de op 24 juni 2021 opgelegde last onder dwangsom. 1.
- In het besluit van 23 mei 2022 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. 1.
- Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. 1.
- Op 13 april 2023 heeft verweerder meegedeeld dat de bevoegdheid tot invordering van de dwangsom is verjaard en dat verweerder daarom afziet van invordering. 1.
- Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. 1.
- De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. 1.
- Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat hij bereid is de betaalde griffiekosten en de proceskosten te vergoeden. Overwegingen
- De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
- De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb. 3.
- Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster. 3.
- Verzoekster heeft tijdens de bezwaarfase niet verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase. 3.
- Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 1). Omdat aan verzoekster een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. 3.
- De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 184,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 837,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Steenbergen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 mei
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.