← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2023:2384

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Wrakingskamer zaaknummer: C/18/222359 KG RK 23-138 beslissing van 15 juni 2023 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van [verzoeker] wonende te [woonplaats] hierna te noemen: verzoeker, strekkende tot de wraking van mr. T.K. Hoogslag, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 juni 2023, met aangehecht een ter zitting overgelegd stuk; - de schriftelijke reactie van de rechter van 14 juni
  2. 2Het wrakingsverzoek 2.
  3. Het verzoek strekt tot wraking van mr. T.K. Hoogslag, kantonrechter, die is belast met de behandeling van de zaak met zaaknummer 10483793 / CV EXPL 23-2337, kort gezegd de behandeling van een dagvaarding in een civiele vordering. De verzoeker is in die procedure als gedaagde opgeroepen. De verzoeker richt zijn wrakingsverzoek, zo blijkt het aan het proces-verbaal gehechte stuk, tevens tot de griffier. 2.
  4. De verzoeker legt, kort samengevat, aan zijn verzoek ten grondslag dat de rechter heeft geweigerd zijn aanstellingsbesluit te tonen, evenals alle andere brondocumenten waaruit blijkt dat de rechter (en de griffier) bevoegd zijn tot het wijzen/schrijven van een vonnis. De verzoeker stelt zich tevens op het standpunt dat de rechter en de griffier fictieve personen zijn die niet bestaan en daarom handelingsonbekwaam zijn. Ook stelt de verzoeker dat de rechtbank een bedrijf met winstoogmerk is, dat doelbewust en opzettelijk slachtoffers maakt om winsten te behalen. De verzoeker is van mening dat de rechtbank niet onafhankelijk is, waardoor zijn vertrouwen in onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak is geschaad. 2.3 De rechter heeft op het verzoek gereageerd en heeft laten weten niet in de wraking te berusten. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken. 3De beoordeling 3.
  5. De wrakingskamer overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria. 3.
  6. Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Rv/artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van haar/zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening gehouden worden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend. 3.
  7. De wrakingskamer overweegt dat als uitgangspunt voor de beoordeling van een wrakingsverzoek geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel. De wrakingskamer is van oordeel dat uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 juni 2023 en uit de daar aangehechte bijlage door de verzoeker onvoldoende concrete feiten of omstandigheden volgen waaruit de vooringenomenheid van de rechter, of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid. Voor zover het verzoek zich richt op wraking van de griffier, overweegt de wrakingskamer dat de wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt. 3.
  8. Gelet op het voorgaande is de wrakingkamer van oordeel dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is. Een mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking kan op grond van artikel 4 lid 2 onder a van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Noord-Nederland achterwege blijven. 4De beslissing De rechtbank 4.
  9. verklaart het wrakingsverzoek ongegrond; 4.
  10. bepaalt dat de procedure met zaaknummer 10483793 / CV EXPL 23-2337 wordt voortgezet in de stand waarin het zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond; 4.
  11. beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan: - verzoeker; - mr. T.K. Hoogslag; - partijen in de hoofdzaak Deze beschikking is gegeven door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. M.A.M. Wolters en mr. C.W. Couperus-van Kooten, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2023 in tegenwoordigheid van mr. H.J. Boon als griffier. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.