beschikking RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling privaatrecht Locatie Groningen zaakgegevens : C/1 8/223295 / JE RK 23/347 en C/18/223370 / FA RK 23-2434 datum uitspraak: 1 augustus 2023 beschikking over het verzoek beëindiging van het ouderlijk gezag en het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing in de zaken van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Nederland, locatie Groningen, hierna te noemen “de Raad”, en de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen “de GI”, betreffende [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] [geboortemaand 1] 2016 te [geboorteplaats 1] , hierna te noemen “ [de minderjarige 1] ”, [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] [geboortemaand 2] 2018 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen “ [de minderjarige 2] ”. De kinderrechter c.q. de rechtbank (hierna “de kinderrechter”) merkt als belanghebbenden aan: [de vader] , wonende te [woonplaats 1] , hierna te noemen “de vader”, advocaat: mr. M. Schlepers, kantoorhoudende te Groningen, [de moeder] , wonende te [woonplaats 2] , hierna te noemen “de moeder”, [de pleegouders] , wonende te [woonplaats 3] , hierna te noemen “de pleegouders”. Het procesverloop In de zaak C/18/223370 / FA RK 23-2434 Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift met bijlage van de Raad van 15 juni 2023, ingekomen bij de griffie op 15 juni 2023. Daarin verzoekt de Raad om het ouderlijk gezag van de vader ten aanzien van de kinderen te beëindigen en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. In de zaak C/18/223295 / JE RK 23/347 Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift met bijlagen van de GI van 7 juni 2023, ingekomen bij de griffie op 15 juni 2023. Daarin verzoekt de GI om de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van één jaar en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. In beide zaken Op 26 juli 2023 heeft de kinderrechter de zaken mondeling, met gesloten deuren, behandeld. De kinderrechter heeft toen gesproken met de moeder, de vader, de advocaat van de vader, de pleegvader, [naam 1] die de Raad vertegenwoordigde en [naam 2] en [naam 3] die de GI vertegenwoordigden. Ten slotte is bepaald dat deze beschikking wordt gegeven. De feiten De kinderrechter kan bij de beoordeling van het verzoek uitgaan van de volgende feiten, die blijken uit de onweersproken gebleven inhoud van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn geboren uit een affectieve relatie tussen de ouders. De ouders zijn sinds oktober 2020 uit elkaar. Het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de ouders samen. De vader is door de kinderrechter met het gezag belast bij beschikking van 15 april 2021. Bij beschikking van de kinderrechter van 4 augustus 2020 is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uitgesproken. Op 29 september 2020 zijn de kinderen met een spoedmaatregel uithuisgeplaatst en bij beschikking van 15 oktober 2020 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verleend. Deze maatregelen zijn nadien steeds verlengd en gelden vooralsnog tot 4 augustus 2023. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven sinds 29 september 2020 in het Gezinshuis in de [locatie gezinshuis] , dat gerund wordt door de pleegouders. De kinderen hebben één keer per drie weken samen 1,5 uur begeleide omgang met de moeder en in de andere weken heeft één van de kinderen 1,5 uur begeleide omgang met de moeder. Vanaf februari 2022 was er een zorgregeling waarbij de vader in de weekenden en in de vakanties voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zorgde. De kinderen hebben sinds januari 2023 geen contact meer gehad met de vader. Op 20 maart 2023 is er bij de Raad een verzoek van de GI binnengekomen om onderzoek te doen naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . De verzoeken In de zaak C/18/223370 / FA RK 23-2434 De Raad verzoekt om het ouderlijk gezag van de vader ten aanzien van de kinderen te beëindigen en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad heeft het verzoek onderbouwd in een daartoe strekkend verzoekschrift waarin de gronden staan vermeld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad, samengevat weergegeven, het volgende naar voren gebracht. In januari 2023 heeft de vader plotseling elk contact met de kinderen en de hulpverlening verbroken. Ook de Raad heeft geen contact met hem kunnen krijgen. Dit lijkt onderdeel te zijn van een patroon bij de vader: hij trekt zich terug als hij problemen ervaart. Deze situatie is voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onvoorspelbaar en ze hebben hier vragen over. De Raad vindt het belangrijk dat het perspectief voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] duidelijk wordt omdat de kinderen onder de situatie lijden. In de zaak C/18/223295 / JE RK 23/347 De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van één jaar en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI heeft dit verzoek onderbouwd met een daartoe strekkend verzoekschrift waarin de gronden staan vermeld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI, samengevat weergegeven, het volgende naar voren gebracht. De GI is van mening dat er hoe dan ook een verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing moet komen. Als het gezag van de vader wordt beëindigd, dan is het moeilijk in te schatten welke (gezags)taken de moeder op zich kan nemen, zij is erg kwetsbaar. Als het gezag van de vader niet wordt beëindigd, is een verlenging van de maatregelen nodig omdat het contact met de kinderen al geruime tijd is verbroken en er ondersteuning nodig is om dit contact weer op te bouwen. De standpunten van de belanghebbenden Het standpunt van de moeder De moeder heeft aan de GI verteld dat zij blij is met het gezinshuis en dat zij begrijpt dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] daar zullen opgroeien. Verder heeft ze tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de omgangsregeling met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] haalbaar voor haar is. De moeder ziet graag dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing verlengd worden. Ze is bang dat wanneer er iets verandert in de situatie, het niet goed zal gaan met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Het standpunt van de vader Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader verteld dat hij het contact met de kinderen en de hulpverlening heeft verbroken vanwege persoonlijke omstandigheden. Hij geeft aan dat dit een domme fout was. De vader geeft aan dat er vorig jaar een goed ritme was gevonden met de omgang. Hij zou graag weer afspraken maken en opbouwen naar het contact zoals dat eerder bestond. De vader wil graag zijn gezag over de kinderen behouden. Namens de vader is aangegeven dat het verzoek tot gezagsbeëindiging afgewezen dient te worden, of anders aangehouden moet worden. Er bestond een uitgebreide omgang met de vader en hij wil dit graag weer gaan opbouwen. De vader is verschenen tijdens de mondelinge behandeling en heeft uitgelegd wat er aan de hand was. Hij verdient een kans. Een gezagsbeëindiging is op dit moment dan ook prematuur. Tegen het verzoek om de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing te verlengen verzet de vader zich niet. Het standpunt van de pleegouders Het gaat naar omstandigheden goed met de kinderen. De plotselinge verdwijning van de vader uit het leven van de kinderen heeft bij hen voor verdriet en onduidelijkheid gezorgd. De pleegouders geven aan tegen problemen aan te zijn gelopen doordat er geen contact met de vader te krijgen was. Zo was zijn handtekening nodig om met de kinderen op vakantie te kunnen gaan. Het advies van de Raad over de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing De Raad heeft op grond van artikel 1:265j lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) schriftelijk geadviseerd, omdat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] langer dan twee jaar duren. De Raad adviseert de kinderrechter de maatregelen te verlengen. De Raad is van mening dat, mocht de rechtbank het gezag van de vader beëindigen, binnen een ondertoezichtstelling moet worden onderzocht of de moeder eenhoofdig het gezag kan dragen en of toegewerkt kan worden naar het vrijwillig kader. Er moet ook voldoende tijd te zijn voor de overgang naar het vrijwillige kader. De beoordeling in beide zaken. Waar gaat het om in deze zaken? Het gaat in de zaak met het zaaknummer C/18/223370 / FA RK 23-2434 om de vraag of het ouderlijk gezag van de vader over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] moet worden beëindigd. Het gaat in de zaak met het zaaknummer C/18/223295 / JE RK 23/347 om de vraag of de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] moeten worden verlengd voor de door de GI verzochte duur van één jaar. Omdat beide zaken zo nauw met elkaar samen hangen ziet de kinderrechter aanleiding om beide verzoeken gelijktijdig te beoordelen. Wettelijk kader De kinderrechter overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of de ouder het gezag misbruikt. Een gezagsbeëindigende maatregel betreft een verregaande inbreuk op het privé-en gezinsleven zoals dat wordt beschermd door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna ‘het EVRM’). Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat een inbreuk op dat recht alleen is toegestaan voor zover deze bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is ter bescherming van onder andere de goede zeden en de vrijheid van anderen. De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen als aan de wettelijke voorwaarden zoals opgenomen in artikel 1:260 in samenhang met artikel 1:255 BW is voldaan. Dat is het geval als, samengevat weergegeven, de minderjarigen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.