RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 23/2862 uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 augustus 2023 in de zaak tussen [namen] , uit [woonplaats] , verzoekers en het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel, verweerder. Inleiding
- In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de afwijzing van een aanvraag van verzoekers. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.
- Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Beoordeling door de voorzieningenrechter
- Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft overleggen. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren. 2.
- Bij het verzoekschrift is het besluit waarop het verzoek betrekking heeft niet overgelegd. De rechtbank heeft verzoekers bij brief van 11 juli 2023 verzocht om binnen een week dit verzuim te herstellen. Bij e-mail van 27 juli 2023 heeft de rechtbank verzoekers gevraagd een bevestiging te sturen dat zij de brief van 11 juli 2023 hadden ontvangen. Op dezelfde dag hebben verzoekers geantwoord dat zij de brief niet hadden ontvangen, maar alsnog zouden reageren. Bij e-mailbericht van 1 augustus 2023 hebben verzoekers aangekondigd de volgende dag stukken toe te sturen. De rechtbank heeft echter tot op heden niets ontvangen. 2.
- De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers geen afschrift van het besluit hebben overgelegd. Zij hebben geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim. Conclusie en gevolgen
- Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.