RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 22/4053 uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 januari 2023 op het verzoek om proceskostenveroordeling in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. B.J.P. Toonen), en het dagelijks bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân, (het dagelijks bestuur) (gemachtigde: F.B. Visser). Procesverloop
- Met het besluit van 16 november 2022 (het bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur verzoekers uitkering op grond van de Participatiewet (de PW) met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW met ingang van 1 oktober 2022 ingetrokken. 1.1 Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 1.2 Met het besluit van 15 december 2022 heeft het dagelijks bestuur het bestreden besluit herzien en aan verzoeker medegedeeld dat de aan hem toegekende uitkering ongewijzigd wordt voortgezet per 1 oktober
- 1.3 Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken met daarbij het verzoek het dagelijks bestuur te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. 1.4 De voorzieningenrechter heeft het dagelijks bestuur in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het dagelijks bestuur heeft de voorzieningenrechter medegedeeld dat zij meerdere malen de gevraagde bankafschriften bij verzoeker heeft opgevraagd maar dat verzoeker deze niet heeft ingediend. Bij het verzoek om een voorlopige voorziening zijn de gevraagde bankafschriften alsnog overgelegd. Gelet hierop heeft het dagelijks bestuur, uit coulance, het besluit van 16 november 2022 herroepen. Een veroordeling in de proceskosten is, aldus het dagelijks bestuur, in zo’n geval niet aan de orde. 1.5 Verzoeker heeft in het e-mailbericht van 22 december 2022 gereageerd op het schrijven van het dagelijks bestuur. 1.6 Het dagelijks bestuur heeft op 23 december 2022 gereageerd op het e-mailbericht van verzoeker van 22 december
- Overwegingen
- De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. 2.1 De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige voorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
- Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is het dagelijks bestuur tegemoet gekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening, nu met het besluit van 15 december 2022 de uitkering van verzoeker op grond van de PW per 1 oktober 2022 is voorgezet.
- Het dagelijks bestuur is weliswaar tegemoetgekomen aan het bezwaar en het verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker, maar toch bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker pas bij zijn verzoek om voorlopige voorziening de gevraagde informatie met betrekking tot zijn bankafschriften van de periode 1 april 2022 tot en met 30 juni 2022 heeft overgelegd, ondanks dat het dagelijks bestuur deze bankafschriften meerdere malen bij verzoeker had opgevraagd. Nadat verzoeker de gevraagde bankafschriften alsnog heeft overgelegd heeft het dagelijks bestuur besloten om het besluit van 16 november 2022 te herroepen en de aan verzoeker toegekende uitkering ongewijzigd voort te zetten per 1 oktober
- Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het dagelijks bestuur het bestreden besluit van 16 november 2022 niet herroepen wegens aan haar te wijten onrechtmatig, maar omdat verzoeker alsnog de verlangde gegevens heeft verstrekt. Het verzoek om een proceskostenveroordeling wordt daarom afgewezen. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 januari
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.