RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie Groningen Zaak\rolnummer: 10891069 VZ VERZ 24-6 Beschikking van de kantonrechter in een deelgeschilprocedure van 26 april 2024 inzake [verzoeker] , wonende te [woonplaats], verzoekende partij, hierna [verzoeker] te noemen, gemachtigde: mr. C.C. Wijburg, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Groningen, gevestigd en kantoorhoudend te Groningen, verwerende partij, hierna de gemeente te noemen, gemachtigde: mr. M. Zanting. 1Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift, met producties; het verweerschrift, met producties; de mondelinge behandeling op 22 maart 2024, in aanwezigheid van partijen (de gemeente vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger]) en hun gemachtigden; de door de gemachtigden overgelegde spreekaantekeningen; de door de griffier gemaakte aantekeningen van het verhandelde ter zitting. 1.2. Uitspraak is bepaald op heden. 2De feiten 2.1. Het volgende staat tussen partijen vast en acht de kantonrechter van belang. 2.2. [verzoeker] reed op 30 september 2019 op haar elektrische fiets door het Noorderplantsoen over de Kruissingel in Groningen. Zij kwam uit de richting van de Wilhelminakade en fietste in de richting van de Boteringestraat. 2.3. Op de hoek van de Kruissingel en de Boteringestraat bevindt zich een basketbalveld. Ter hoogte van dit basketbalveld is [verzoeker] ten val gekomen met haar fiets. Zij kan zich van de valpartij niets herinneren en is enige tijd buiten kennis geweest. 2.4. Na het ongeval was de politie vrijwel direct ter plaatse. De politie heeft een mutatierapport opgemaakt waarin het volgende staat vermeld: Mevrouw is met haar fiets over een overrollende basketbal gefietst en daardoor onderuit gegaan. De tegenpartij is onbekend gebleven. 2.5. [verzoeker] is met een ambulance naar het UMCG Groningen gebracht. Daar bleek dat zij een gecompliceerde bovenarmfractuur aan de rechterarm, een wond aan het voorhoofd, een hersenschudding, een pijnlijke rechterheup en een duimblessure aan de rechterhand had opgelopen. Zij is dezelfde avond nog aan haar arm geopereerd en heeft tot en met 18 oktober 2019 in het ziekenhuis gelegen. Zij heeft maandenlang moeten revalideren en heeft ernstige restklachten gehouden. 2.6. [verzoeker] heeft de gemeente op 12 december 2019 aansprakelijk gesteld voor de schade. De gemeente heeft de schade gemeld bij haar aansprakelijkheidsverzekeraar, die de aansprakelijkheid op 24 maart 2020 heeft afgewezen. 2.7. Vervolgens hebben partijen langere tijd over de schuldvraag gecorrespondeerd. Dit heeft niet tot een voor [verzoeker] bevredigende oplossing geleid. 3Het geschil 3.1. [verzoeker] heeft de kantonrechter – zakelijk weergegeven – verzocht op basis van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv): I. te verklaren voor recht dat er sprake is van een gebrek en dat de gemeente aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade als gevolg van haar val op de ongevalslocatie; II. de gemeente te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen twee dagen na betekening van deze beschikking aan [verzoeker] te betalen een voorschot ter zake de nader vast te stellen c.q. nog te lijden (materiële en immateriële) schade ten bedrage van € 10.000,00; III. de gemeente te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de materiële en immateriële schade verschuldigd vanaf 30 september 2019, althans vanaf het moment dat de schade geleden is; IV. de gemeente te veroordelen in de kosten van deze procedure, het salaris van de gemachtigde van [verzoeker] en het griffierecht inbegrepen; V. de gemeente te veroordelen in voldoening van buitengerechtelijke kosten van € 4.366,57 inclusief BTW gemoeid in de voorfase van het geding vanaf de dag van het verzoekschrift tot de dag der algehele vergoeding. 3.2. De gemeente voert gemotiveerd verweer. 3.3. De kantonrechter zal hierna, voor zover van belang voor de uitkomst van deze zaak, nader ingaan op hetgeen partijen ter onderbouwing van hun stellingen naar voren hebben gebracht en aan stukken hebben overgelegd. 4De beoordeling 4.1. In dit deelgeschil vordert [verzoeker], kort gezegd, een verklaring voor recht dat de gemeente aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade als gevolg van haar val met de fiets. De gemeente heeft volgens [verzoeker] een gevaarlijke situatie geschapen door een basketbalveld aan te leggen vlakbij een doorgaand fietspad en onvoldoende maatregelen te treffen om te voorkomen dat basketballen het fietspad oprollen. [verzoeker] stelt dat zij als gevolg van die nalatigheid ten val is gekomen. De toedracht van het ongeval 4.2. [verzoeker] stelt dat zij met haar fiets is gevallen over een basketbal die vanaf het basketbalveld het fietspad is opgerold. De gemeente betwist dit en voert als verweer dat niet vast staat wat de oorzaak is van de val van [verzoeker]. De geschetste toedracht is volgens de gemeente niet aannemelijk en roept volgens haar verschillende vragen op, zoals: waar lag de bal of waar kwam deze vandaan en hoe is [verzoeker] ten val gekomen: door aanraking of door een schrikreactie. 4.3. De kantonrechter overweegt dat de stelplicht en de bewijslast van de toedracht van het ongeval ingevolge artikel 150 Rv op [verzoeker] rust. De kantonrechter is met de gemeente van oordeel dat de toedracht van het ongeval niet is komen vast te staan. [verzoeker] kan zich van de val niets meer herinneren, maar gaat ervan uit dat zij tegen een basketbal is aangereden. Ter zitting heeft [verzoeker] verklaard dat zij, toen zij op de grond lag en weer bijkwam na de val, een omstander heeft horen zeggen dat zij, voordat zij viel, is gewaarschuwd voor een bal die haar richting uit kwam. Een onderbouwing van die stelling mist echter, omdat getuigenverklaringen in het door de politie opgemaakte mutatierapport ontbreken. De politie heeft in het mutatierapport enkel vermeld dat [verzoeker] is gevallen over een overrollende basketbal. Een toelichting op basis waarvan de politie – die niet ter plaatse was op het moment van de val – dit heeft geconcludeerd, ontbreekt. De politie heeft ook geen onderzoek gedaan naar de toedracht. Verklaringen van getuigen die de lezing van [verzoeker] bevestigen zijn er niet. De vragen die de gemeente, begrijpelijk, heeft opgeworpen over de toedracht blijven daarmee onbeantwoord. Dit brengt mee dat onvoldoende is komen vast te staan dat [verzoeker] is gevallen over een basketbal die het fietspad overrolde. Hoewel dit tot gevolg heeft dat de verzoeken om voor recht te verklaren dat de gemeente aansprakelijk is voor de schade en een voorschot op de schade toe te kennen niet toewijsbaar zijn, zal de kantonrechter hierna, geheel ten overvloede, nog aandacht besteden aan hetgeen partijen naar voren hebben gebracht over de zorgplicht van de gemeente ten aanzien van de inrichting van de openbare ruimte ter plaatse. Een gevaarlijke situatie 4.4. Wanneer er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat [verzoeker], zoals zij stelt, is gevallen over een overrollende basketbal, dan heeft het volgende te gelden. 4.5. [verzoeker] verwijt de gemeente dat zij haar zorgplicht als wegbeheerder, waaronder ook de verantwoordelijkheid als terreinbeheerder en beheerder van opstallen met een publieke of openbare functie valt, ingevolge artikel 6:174 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet is nagekomen. De gemeente heeft in haar ogen een gevaarlijke situatie in het leven geroepen door de openbare ruimte in te richten zoals zij heeft gedaan, onder meer door een basketbalveld aan te leggen naast een druk fietspad zonder afdoende voorzorgsmaatregelen te treffen om ongelukken als deze te voorkomen. De combinatie van een fietspad en een basketbalveld voldeed volgens [verzoeker] niet aan de daaraan redelijkerwijze te stellen veiligheidseisen. Wegrollende of -stuiterende ballen konden, indien niet tegengehouden, de straat op rollen. Daardoor werd een risico voor fietsers en voetgangers geschapen op het ontstaan van een ongeval. 4.6. De gemeente betwist dat zij haar zorgplicht heeft geschonden. Primair omdat de oorzaak van de val niet is gelegen in de opstal maar (volgens [verzoeker]) in een overrollende basketbal zodat artikel 6:174 BW niet van toepassing is, subsidiair omdat er geen sprake is van een gebrekkige opstal. 4.7. De kantonrechter overweegt als volgt. 4.8. Artikel 6:174 BW bepaalt dat de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, in beginsel aansprakelijk is wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt. Op grond van het tweede lid van dit artikel rust de aansprakelijkheid bij openbare wegen op het overheidslichaam dat moet zorgen dat de weg in goede staat verkeert. De stelplicht en de bewijslast dat sprake is van een gebrekkige opstal ligt bij [verzoeker]. 4.9. Het verweer van de gemeente dat het verzoek reeds moet worden afgewezen omdat [verzoeker] niet ten val is gekomen door de opstal zelf, maar (volgens [verzoeker]) door een overrollende bal en dat daarom artikel 6:174 BW niet aan de orde zou zijn, volgt de kantonrechter niet. De omstandigheid dat – zoals de gemeente onbetwist heeft aangevoerd – het fietspad, het voetpad, het basketbalveld en de daartussen liggende groenstrook goed zijn onderhouden en dat ook de CROW-richtlijnen bij de aanleg in acht zijn genomen, neemt namelijk niet weg dat er desondanks aan de (inrichting van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.