← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2024:1894

Uitspraak RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18/017118-24 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 mei 2024 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboorte datum] 2002 te [geboorte plaats] , wonende te [adres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 mei 2024. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P. Eefting, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: zij op of omstreeks 7 juli 2023 te [plaats] , binnen de gemeente Ooststellingwerf als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, type Golf, voorzien van het kenteken [kenteken] ) daarmede rijdende over de weg, de [adres] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag, terwijl zij (zeer) vermoeid en/of slaperig was is blijven rijden en/of in slaap is gevallen, althans weg is gedut en/of (daarbij) haar ogen heeft gesloten en/of niet voldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, waardoor een andere weggebruiker, een persoon genaamd [slachtoffer] , welke aldaar fietste, (van achteren) werd aangereden door de auto van verdachte en daardoor werd gedood; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: zij op of omstreeks 7 juli 2023 te [plaats] , binnen de gemeente Ooststellingwerf, als bestuurder van een voertuig (personenauto, type Golf, voorzien van het kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, de [adres] , terwijl zij (zeer) vermoeid en/of slaperig was heeft gereden en/of is blijven rijden en/of in slaap is gevallen, althans weg is gedut en/of (daarbij) haar ogen heeft gesloten en/of niet voldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, door welke gedraging(

  1. en)van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd en/of door welke gedraging(
  2. en)de aldaar aanwezige fietsster [slachtoffer] (van achteren) werd aangereden door de auto van verdachte en/of daardoor werd gedood. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit. Volgens de officier van justitie is sprake geweest van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ook de raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat sprake is geweest van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Met de officier van justitie en de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Deze opgave luidt als volgt: de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 mei 2024; een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal Aanrijding misdrijf d.d. 31 oktober 2023, opgenomen op pagina 41 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100- 2023278685 d.d. 31 oktober 2023, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ; 3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal FO Verkeer d.d. 14 augustus 2023, opgenomen op pagina 46 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] . Bewezenverklaring De rechtbank acht het primaire feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: zij op 7 juli 2023 te [plaats] , binnen de gemeente Ooststellingwerf, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, type Golf, voorzien van het kenteken [kenteken] , daarmede rijdende over de weg, de [adres] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag, terwijl zij slaperig was is blijven rijden en in slaap is gevallen en niet voldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse, waardoor een andere weggebruiker, een persoon genaamd [slachtoffer] , welke aldaar fietste, van achteren werd aangereden door de auto van verdachte en daardoor werd gedood. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood. Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primaire feit wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (hierna: rijontzegging) van achttien maanden waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft gepleit voor oplegging van een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke rij-ontzegging van zes maanden. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 april 2024, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. Verdachte is tijdens het rijden vermoeid geraakt en in slaap gevallen. Nadat ze al een keer was wakker geworden doordat zij met haar auto over de ribbels aan de zijkant van de weg reed, is verdachte blijven rijden omdat zij bijna thuis was. Verdachte is vervolgens nog een keer in slaap gevallen waardoor ze de fietsers die voor haar fietsten niet heeft gezien. Verdachte is met haar auto tegen de fiets van het slachtoffer aangereden waardoor deze ten val is gekomen. Het slachtoffer is diezelfde nacht in het ziekenhuis aan haar verwondingen overleden. Het slachtoffer was een echtgenote, moeder, grootmoeder en een vrouw die midden in het leven stond. Het gemis van het slachtoffer is ter zitting op indrukwekkende wijze door haar familieleden verwoord. Verdachte heeft door haar handelen diep en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. Verdachte is een jonge vrouw die haar leven op orde lijkt te hebben. Zij is vrachtwagenchauffeur en een rij-ontzegging zou betekenen dat zij haar baan kwijt zal raken. Verdachte heeft aangegeven open te staan voor contact met de nabestaanden. Zij heeft het ongeluk niet gewild en zij voelt zich verantwoordelijk. Uit het strafblad van verdachte volgt wel dat zij al eerder een boete heeft gehad voor te hard rijden buiten de bebouwde kom. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting passend bij de dood van het slachtoffer en aanmerkelijke schuld bij de verdachte. Deze gaan in een dergelijk geval uit van een taakstraf voor de duur van 240 uren en een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van 1 jaar. Gelet op alle feiten en omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om voor de taakstraf af te wijken van het oriëntatiepunt. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke rijontzegging recht doet aan de aard en de ernst van het feit. Wel ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om de onvoorwaardelijke rij-ontzegging te beperken tot de duur van 6 maanden. De rechtbank acht daarnaast een voorwaardelijke rij-ontzegging voor de duur van 12 maanden op zijn plaats en zal deze ook opleggen. De rechtbank doet dit om te voorkomen dat verdachte opnieuw de fout ingaat. Hierbij weegt de rechtbank mee dat verdachte een beginnend bestuurder is, vanwege haar werk veel kilometers rijdt en zij al eerder een boete heeft gekregen vanwege het overtreden van de verkeersregels. Concluderend legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren, een rijontzegging voor de duur van 18 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar op. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een taakstraf voor de duur van 240 uren. Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast. Ten aanzien van het primaire feit voorts: ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 18 maanden. Bepaalt dat van deze bijkomende straf een gedeelte, groot 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Langius, voorzitter, mr. M. Brinksma en mr. R.B. Maring, rechters, bijgestaan door mr. L.F. Beitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 mei 2024. Mr. R.B. Maring is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.