← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2024:2031

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/59 uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 mei 2024 in de zaak tussen [verzoeker] uit [woonplaats] , verzoeker en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder. Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.
  2. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  3. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
  4. Voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening is gelet op bovengenoemd artikel derhalve vereist dat een connex bezwaar of beroep tegen het bestreden besluit aanhangig is.
  5. In zijn verzoekschrift heeft verzoeker aangegeven dat hij verzet aantekent tegen de uitspraak van deze rechtbank van 22 december 2023 omdat hij wegens omstandigheden niet in staat is om het griffierecht te voldoen. Vervolgens geeft verzoeker aan dat het voor het voor het komen tot een oplossing nodig is dat een voorlopige voorziening wordt getroffen. 4.
  6. De voorzieningenrechter stelt vast dat deze rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 7 april 2023 op 22 december 2023 kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat verzoeker het griffierecht niet heeft betaald en dat het niet betalen niet verontschuldigbaar is. 4.
  7. Tegen deze uitspraak van 22 december 2023 heeft verzoeker verzet ingesteld. Bij uitspraak van 3 mei 2023 is dit verzet door de rechtbank ongegrond verklaard nu het beroep op betalingsonmacht terecht is afgewezen. 4.
  8. Gelet op het bovenstaande stelt de voorzieningenrechter vast dat er geen bezwaar- dan wel beroepsprocedure meer loopt. Het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening voldoet dus niet aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde vereiste van processuele connexiteit. Om die reden zal het verzoek om voorlopige voorziening niet inhoudelijk behandeld worden. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 mei
  9. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.