Uitspraak RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Assen parketnummer 18/297010-22 beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 5 juni 2024 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in de zaak tegen de veroordeelde [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] . Procesverloop De officier van justitie heeft op 13 juli 2023 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 413.135,- ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/297010-22 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel. De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 22 mei 2024, waarbij de veroordeelde is verschenen, bijgestaan door diens raadsvrouw mr. P. Figge, advocaat te Amsterdam. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Hoekman. Beoordeling van de procesafspraken door de rechtbank De ontnemingsvordering maakt onderdeel uit van procesafspraken die het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben gemaakt in de strafzaak tegen de veroordeelde. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de procesafspraken. Deze procesafspraken zijn opgenomen in een overeenkomst die zij voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling op 22 mei 2024, en voorzien van de handtekeningen van zowel de officier van justitie als die van de veroordeelde en zijn raadsvrouw, hebben overgelegd aan de rechtbank. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de zaak. Met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel komen het Openbaar Ministerie en de veroordeelde overeen dat: de veroordeelde in het kader van procesafspraken over deze ontnemingszaak: - schriftelijk reageert op de ontnemingsberekening en daarbij een alternatieve berekening van het voordeel indient (bijlage 2 bij de procesafspraken); geen onderzoekswensen indient en al ingediende onderzoekswensen intrekt; geen nadere bewijsverweren voert; zich niet zal onttrekken aan de betalingsverplichtingen die voortvloeien uit de maatregel tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; - aangeeft betalingsbereid te zijn, in staat te zijn tot betaling en geen draagkrachtverweer te zullen voeren, zowel voor wat betreft zijn financiële verplichtingen voortvloeiende uit de strafzaak zelf als uit de ontnemingszaak; - zich zal inspannen om voornoemde betalingsverplichtingen te voldoen, waaronder het nader onderzoeken van zijn vermogensrechten op een appartement / vastgoed in Egypte, teneinde de uitwinning ervan ten dienste van de betaling van de ontnemingsmaatregel; - ermee akkoord gaat dat de onderhavige overeenkomst en het in verband daarmee te wijzen vonnis aan het CJIB wordt verstrekt ter executie daarvan; en het Openbaar Ministerie in het kader van procesafspraken over deze ontnemingszaak: - de door de veroordeelde aangedragen alternatieve berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet onaannemelijk acht en deze alternatieve berekening van 90.138,75 wederrechtelijk verkregen voordeel niet zal betwisten; - ter terechtzitting aldus zal vorderen dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op 90.138,75; - ter terechtzitting zal vorderen dat de betalingsverplichting van de veroordeelde in het kader van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden vastgesteld op 90.138,75; - van oordeel is dat voor zover de veroordeelde voldoet aan de betalingsverplichting van de opgelegde maatregel kostenverhaal, deze betaling wordt afgetrokken van de betalingsverplichting van de ontnemingsmaatregel; - ten behoeve van de betaling van de ontnemingsmaatregel bij het CJIB onder de aandacht brengt dat de veroordeelde zichzelf bereid en in staat acht om te voldoen aan alle financiële verplichtingen die voortvloeien uit de op te leggen vonnissen; zich niet zal verzetten tegen een eventuele betalingsregeling die tussen het CJIB en de veroordeelde over de betaling van zowel de ontnemingsvordering als de maatregel kostenverhaal wordt getroffen; - de belastingdienst zal informeren over de in het kader van deze overeenkomst gemaakte financiële afspraken. De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen. Om daadwerkelijk acht te kunnen slaan op de procesafspraken, dient de rechtbank te beoordelen of de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) aan een eerlijk proces stelt, voldoende zijn gewaarborgd. Bij die beoordeling zijn leidend de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022.1 In dat kader heeft de rechtbank tijdens de inhoudelijke behandeling op 22 mei 2024 de totstandkoming, de inhoud en de gevolgen van de procesafspraken met de veroordeelde besproken, op welke terechtzitting hij werd bijgestaan door zijn raadsvrouw. De veroordeelde heeft ter terechtzitting uitdrukkelijk bevestigd achter de gemaakte afspraken te staan. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij begrijpt wat de procesafspraken inhouden alsook wat de consequenties zijn als de rechtbank de procesafspraken volgt, waaronder het afzien van het voeren van verweren en het afzien van het instellen van hoger beroep. Een en ander heeft hij ook met zijn raadsvrouw besproken. Hij heeft vrijwillig en met zijn volle verstand ervoor gekozen de procesafspraken te ondertekenen en accepteert de op te leggen ontnemingsmaatregel zoals deze is voorgesteld. Ondanks de gemaakte procesafspraken behoudt de rechtbank haar eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen of de vaststelling van het wederrechtelijk voordeel en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichting plaatsvindt in overeenstemming met de daarvoor geldende wettelijke regeling. Dit betekent dat zij in de onderhavige zaak zelfstandig moet beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 36e Sr is voldaan. Het standpunt van de officier van justitie De vordering van de officier van justitie, die is gegrond op artikel 36e, eerste en tweede lid, Sr, en die ter terechtzitting mondeling is aangepast door de officier van justitie, strekt tot: - het vaststellen van het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op 413.135,94; - het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een bedrag van 90.138,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.