← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2024:3778

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/3745 uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 september 2024 in de zaak tussen [naam] , uit [woonplaats] , verzoeker en de gemeente Veendam, verweerder. Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker dat is ingediend op 17 september
  2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.
  3. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Onder “kennelijk” wordt verstaan dat in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. Onder “niet-ontvankelijk” wordt verstaan dat het verzoek niet-vatbaar is voor berechting. Daarom doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen.
  5. De voorzieningenrechter is gehouden ambtshalve na te gaan of processuele connexiteit aanwezig is. Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. De processuele connexiteit houdt in dat het door verzoeker ingediende verzoek betrekking moet hebben op een aan hem gericht besluit van de gemeente, waartegen hij bij de gemeente bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld.
  6. De rechtbank heeft op 19 september 2024 een brief aan verzoeker gezonden. Verzocht is om uiterlijk vrijdag 20 september om 13:00 uur een kopie van het volledige besluit waartegen bezwaar is gemaakt, evenals een kopie van het ingediende bezwaarschrift of beroepschrift, toe te sturen. 4.1 Verzoeker heeft op 23 september kenbaar gemaakt dat er op het moment van indiening van het verzoekschrift geen besluit beschikbaar was, en dat dit juist de kern vormt van het ingediende verzoek. 4.
  7. De voorzieningenrechter stelt vast dat in deze voorlopige voorziening procedure niet duidelijk is geworden met welk besluit van de gemeente verzoeker het niet eens is. Evenmin is een kopie toegestuurd van het bezwaarschrift. Niet kan worden vastgesteld dat aan het vereiste van processuele connexiteit is voldaan. Conclusie
  8. Gelet op het bovenstaande stelt de voorzieningenrechter vast dat er geen bezwaar- dan wel beroepsprocedure loopt. Het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening voldoet dus niet aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde vereiste van processuele connexiteit. Om die reden zal het verzoek om voorlopige voorziening niet inhoudelijk behandeld worden. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N. Ouahim, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 september
  9. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.