RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 24/3372 en LEE 24/3370 (voorlopige voorzieningen) LEE 24/3310 (beroep) uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 september 2024 in de zaken tussen [verzoeker] , uit Drachten, verzoeker (gemachtigde: mr. D.J. Bomhof), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering (Uwv), (gemachtigde: M. Hoogeveen). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] , uit Langezwaag. Inleiding
- Bij besluit van 25 april 2024 heeft het Uwv verzoeker medegedeeld dat hij geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), omdat zijn werkgever hem zijn loon tijdens ziekte dient door te betalen.
- Zijn werkgever (derde-partij) heeft bezwaar ingesteld tegen dit besluit. Verzoeker heeft dat niet gedaan.
- Bij besluit van 27 juni 2024 heeft het Uwv het bezwaar van de werkgever tegen het besluit van 25 april 2024 ongegrond verklaard.
- Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen (LEE 24/3372).
- Bij besluit van 26 juni 2024 heeft het Uwv verzoeker medegedeeld dat hij geen recht heeft op een uitkering ingevolge de ZW omdat zijn werkgever hem zijn loon tijdens ziekte dient door te betalen. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen (LEE 24/3370).
- De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 9 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van het Uwv en derde-partij (hierna: werkgever). Totstandkoming van het besluit
- Verzoeker is met ingang van 22 mei 2023 bij [derde belanghebbende] te Langezwaag (werkgever) als uitzendkracht in dienst getreden in de functie van montagemedewerker. Hij heeft met werkgever een uitzendovereenkomst fase 1/2 (A) met uitzendbeding gesloten. Op de arbeidsovereenkomst is de NBBU-cao voor Uitzendkrachten van toepassing.
- Verzoeker heeft zich met ingang van 18 april 2024 ziek gemeld. De werkgever heeft dit op 19 april 2024 aan het Uwv doorgegeven.
- Bij besluit van 25 april 2024 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat verzoeker met zijn werkgever een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd heeft gesloten en dat zijn werkgever daarom verplicht is tijdens ziekte loon door te betalen.
- De werkgever heeft tegen dit besluit op 2 mei 2024 bezwaar gemaakt. De werkgever heeft aangevoerd dat verzoeker twee keer is uitgezonden: van 22 mei 2023 tot 10 januari 2024 en van 22 januari 2024 tot en met 18 april
- Verzoeker heeft zich vervolgens op 18 april 2024 ziek gemeld. Volgens de werkgever dient verzoeker in aanmerking te komen voor een ZW-uitkering.
- Verzoeker heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
- Bij besluit van 27 juni 2024 heeft het Uwv het bezwaar van werkgever ongegrond verklaard. Er bestaat geen recht op een ZW-uitkering. Volgens de gegevens van het Uwv is de werkgever met verzoeker op 22 mei 2023 een uitzendovereenkomst in fase 1-2 (A) met uitzendbeding aangegaan. De uitzendovereenkomst valt onder de NBBU-cao. Tijdens ziekte heeft de (ex-)werknemer recht op loondoorbetaling. Per 1 juli 2023 eindigt een uitzendovereenkomst met uitzendbeding niet meer automatisch bij arbeidsongeschiktheid van de uitzendkracht. Er zijn meerdere uitzendovereenkomsten overgelegd, maar het Uwv gaat enkel uit van de juistheid van de overgelegde door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst met als begindatum 22 mei 2023 en zonder einddatum. Zolang de uitzendovereenkomst loopt, is er recht op loondoorbetaling. Partijen zijn geen einddatum overeengekomen. Bovendien heeft verzoeker nog geen 52 weken gewerkt waardoor de uitzendovereenkomst niet van rechtswege is beëindigd.
- Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verzoeker heeft bestreden dat hij per 22 januari 2024 een nieuwe arbeidsovereenkomst is aangegaan. Verzoeker heeft verder aangevoerd dat het Uwv de afgesloten arbeidsovereenkomst zo moet lezen dat partijen een arbeidsovereenkomst hadden voor maximaal 52 weken. Op 22 mei 2024 zijn de 52 weken vol gemaakt en de werkgever heeft hem per 22 mei 2024 “ziek uit dienst” gemeld. Subsidiair heeft verzoeker een beroep gedaan op het redelijkheidsbeginsel. Er was sprake van een overgangsperiode waarin uitzendwerkgevers hun werkwijze moesten aanpassen aan de nieuwe CAO. Indien het Uwv er van uitgaat dat de arbeidsovereenkomst na 18 april 2024 althans 22 mei 2024 doorloopt dan dient te worden opgemerkt dat verzoeker de dupe wordt van het feit dat de werkgever de zaken nog niet op orde had. Het Uwv had uit dienen te gaan van de bedoeling van partijen en niet van de formele opname in de arbeidsovereenkomst. Verzoeker heeft er nog op gewezen dat hij in de laatste fase van zijn schuldsanering zit en in de problemen is geraakt. Verzoeker verwijst daarbij naar de uitspraak van de Centrale Raad van 18 april
- Bij besluit van 26 juni 2024 heeft het Uwv geweigerd om verzoeker in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat verzoeker met zijn werkgever een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd heeft gesloten en dat zijn werkgever daarom verplicht is tijdens ziekte loon door te betalen.
- Tegen dit besluit heeft verzoeker op 25 juli 2024 bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij met zijn werkgever een arbeidsovereenkomst is aangegaan voor maximaal 52 weken. Dat blijkt ook uit de artikelen 3 en 4 van de uitzendovereenkomst. De einddatum van de arbeidsovereenkomst is daarmee 22 mei
- Verzoeker heeft vanaf die datum een uitkering ingevolge de ZW aangevraagd.
- Op 9 augustus 2024 heeft de rechtbank de verzoeken om voorlopige voorziening ontvangen, waarin verzocht wordt om de voorlopige voorziening te treffen dat aan verzoeker met ingang van 22 mei 2024 een uitkering ter hoogte van een uitkering ingevolge de ZW wordt toegekend totdat op het beroep/bezwaar is beslist. Gesteld is dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, omdat hij niet meer in staat is aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen en in zijn levensonderhoud te voorzien. Verzoeker ontvangt inmiddels leenbijstand, maar dat maakt het vorenstaande niet anders. Hij ontvangt leenbijstand, opdat hij niet uit zijn huis zal worden gezet en een voorwaarde van de gemeente daarbij is dat hij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening zou vraagt. Beoordeling door de voorzieningenrechter
- Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te kijken of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld. De voorzieningenrechter acht een voldoende spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening aanwezig.
- De voorzieningenrechter kijkt in een voorlopige voorzieningenprocedure ook naar de vraag of het bezwaar - of het beroepschrift van verzoeker kans van slagen heeft. Hij geeft daarbij een voorlopig oordeel over deze zaak. Als deze zaak in beroep wordt voorgelegd aan de rechtbank, hoeft de rechtbank het oordeel van de voorzieningenrechter niet per se te volgen. Ten aanzien van de voorlopige voorziening hangende beroep (LEE 24/3372)
- De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat verzoeker geen bezwaar heeft ingesteld tegen het besluit van 25 april
- Uit artikel 8:1, gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van Awb volgt dat een belanghebbende, voordat hij beroep tegen een besluit kan instellen bij de bestuursrechter, eerst bezwaar moet maken tegen dat besluit. Dit is alleen anders als sprake is van één van de in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb genoemde uitzonderingen. Geen van die uitzonderingen doet zich hier voor. Dit betekent dat verzoeker eerst de bezwaarfase had moeten doorlopen.
- Omdat het beroep van verzoeker tegen het besluit van 25 april 2024 niet ontvankelijk is, wordt het verzoek, voor zover connex met dit besluit, afgewezen. Nu nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal de voorzieningenrechter het beroep bij zijn uitspraak afdoen.
- De voorzieningenrechter zal derhalve alleen een oordeel geven over de vraag of het bezwaarschrift van verzoeker tegen het besluit van 26 juni 2024 kans van slagen heeft. Ten aanzien van de voorlopige voorziening hangende bezwaar (LEE 24/3370)
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt hij uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
- Het wettelijk kader staat in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
- Tussen partijen staat niet ter discussie dat er slechts sprake is van één geldige arbeidsovereenkomst. Het gaat daarbij om de ongedateerde uitzendovereenkomst fase 1-2 (A) met uitzendbeding waarin staat vermeld dat verzoeker met ingang van 22 mei 2023 via [bedrijf 2] te werk zal worden gesteld bij [bedrijf 1] . De vermoedelijke einddatum van de werkzaamheden is blijkens deze uitzendovereenkomst onbekend.
- Tevens is tussen partijen niet in geding dat de NBBU-cao voor uitzendkrachten van toepassing is.
- De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers werkgever wist dan wel redelijkerwijs had kunnen weten dat de uitzendovereenkomst op het moment van ziekmelding niet van rechtswege was geëindigd nu er geen sprake was van een overeengekomen einddatum in de uitzendovereenkomst. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in het zich onder de gedingstukken bevindende app-bericht van 10 januari 2024 waarin werkgever verzoeker te kennen geeft verzoeker ziek te zullen melden bij het Uwv. Mocht het Uwv over een paar dagen papieren van verzoeker willen hebben – zo luidt het appbericht van werkgever – dan moet werkgever die even aanpassen met einddatum. Dan - aldus het appbericht - mag het Uwv de ZW-uitkering betalen en niet werkgever. Ook ter zitting heeft de werkgever zich in soortgelijke bewoordingen uitgelaten.
- Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wist de werkgever dan wel had hij redelijkerwijs kunnen weten dat de uitzendovereenkomst evenmin van rechtswege was geëindigd nu verzoeker niet meer dan 52 weken voor hem had gewerkt. Dit staat namelijk vermeld in artikel 3 van de uitzendovereenkomst, hetgeen overigens ook in lijn is met artikel 10 en 15 van de NBBU-cao.
- Verzoeker voert aan dat het Uwv miskent dat partijen de bedoeling hebben gehad dat de arbeidsovereenkomst maximaal 1 jaar zou duren en dat werkgever maximaal 52 weken voor betaling instond. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter slaagt dit betoog niet nu deze bedoeling niet blijkt uit de stukken en evenmin blijkt uit hetgeen ter zitting is besproken.
- Het voorgaande betekent dat op de werkgever de verplichting rust tot loondoorbetaling aan verzoeker. Dat betekent dat het Uwv terecht heeft beslist dat verzoeker geen recht heeft op ziekengeld.
- Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Hij ziet geen aanleiding om in dit geval een voorlopige voorziening te treffen. Conclusie en gevolgen
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om voorlopige voorziening geregistreerd onder LEE 24/3370 af: - wijst het verzoek om voorlopige voorziening geregistreerd onder LEE 24/3372 af; - verklaart het beroep geregistreerd onder LEE 24/3310 niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Derks, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 september
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarbij is beslist op het beroep, daartegen binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van beroep. Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening, staat geen beroepsmogelijkheid open. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving: Artikel 29 van de ZW luidt voor zover hier van belang:
- Behoudens het tweede lid, onderdeel e, en de artikelen 29a, 29b en 29d wordt geen ziekengeld uitgekeerd, indien de verzekerde uit hoofde van de dienstbetrekking op grond waarvan hij de arbeid behoort te verrichten: a. recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel indien het recht op loon door toepassing van het derde, vijfde, zesde of negende lid van dat artikel geheel of gedeeltelijk ontbreekt; b. recht heeft op bezoldiging als bedoeld in artikel 76a, eerste lid, dan wel indien het recht op die bezoldiging op grond van artikel 76a, derde of zevende lid, of artikel 76b, eerste, tweede of derde lid, geheel of gedeeltelijk ontbreekt. (..)
- Als eerste dag van de ongeschiktheid tot werken geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld en kunnen dagen waarop niet zou worden gewerkt als werkdag worden aangemerkt. Artikel 10 NBBU (Rechtspositie) luidt als volgt:
- Fase 1-2 a. De uitzendkracht is werkzaam in fase 1-2* zolang deze nog niet in meer dan 52 weken voor dezelfde uitzendonderneming heeft gewerkt. b. Vervallen. c. De 52 weken in fase 1-2 worden doorgeteld (alleen de gewerkte weken en doorbetaalde vakantieweken tellen mee, conform artikel 2 sub e), zolang er geen onderbreking is van meer dan zes maanden tussen twee uitzendovereenkomsten. Als er wel sprake is van een onderbreking van meer dan zes maanden, dan begint de telling van fase 1-2 opnieuw. d. De uitzendovereenkomst, volgend binnen een maand op een eerdere uitzendovereenkomst bij dezelfde uitzendonderneming en dezelfde opdrachtgever, kan alleen worden aangegaan voor de minimale duur van vier weken. Artikel 15 NBBU (Einde van de uitzendovereenkomst) luidt als volgt: Einde van de uitzendovereenkomst met uitzendbeding:
- De uitzendovereenkomst met uitzendbeding eindigt van rechtswege: a. zodra de in de uitzendovereenkomst overeengekomen einddatum is bereikt; b. aan het einde van 1-2; c. als de terbeschikkingstelling van de uitzendkracht door de uitzendonderneming aan de opdrachtgever eindigt: op verzoek van de opdrachtgever, omdat de opdrachtgever om welke reden dan ook de uitzendkracht niet langer wil of kan inlenen. Gedurende arbeidsongeschiktheid van de uitzendkracht eindigt de terbeschikkingstelling niet waardoor ook de uitzendovereenkomst niet eindigt; doordat de uitzendkracht om welke reden dan ook de bedongen arbeid niet langer wil of kan verrichten, tenzij de uitzendkracht de bedongen arbeid niet verricht in verband met arbeidsongeschiktheid. Gedurende de arbeidsongeschiktheid van de uitzendkracht eindigt de uitzendovereenkomst nog wel zodra de in de uitzendovereenkomst overeengekomen einddatum is bereikt (sub a) ECLI:NL:CRVB:2024:726.