RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Assen Parketnummer 18/304349.22 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 8 oktober 2024 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboorte datum] 1995 te [geboorte plaats] , wonende te [adres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 september
(116)keer gezocht werd naar de brand aan de [adres] . Verdachte gebruikte zoekopdrachten als:- 'autobrand'- 'autobrand assen'- ‘autobrand assen 31 oktober'- ‘auto brand assen 31 oktober [adres] '. Bewijsoverwegingen Op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 1 september 2022 tussen 01:55 uur en 02:10 uur opzettelijk brand is gesticht bij een auto die geparkeerd stond in een steeg tussen de [adres] en [adres] te Assen (feit 7). Daarnaast is op 31 oktober 2022 omstreeks 01:30 uur opzettelijk brand gesticht bij een geparkeerde auto aan de [adres] te Assen (feit 8). Uit het forensisch onderzoek naar de beide branden blijkt dat daarbij telkens gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de persoon is geweest die de branden heeft gesticht. De rechtbank antwoordt deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe als volgt. Feit 7: de autobrand op 1 september 2022 Uit de verklaring van getuige [naam] blijkt dat de getuige op het tijdstip van de brand in de steeg een oranje licht zag. Kort daarop zag hij een persoon door de steeg fietsen in de richting van de [adres] . Op de ochtend na de brand is door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] op een plat dak een plastic flesje aangetroffen. Dit dak bevond zich in de steeg, in de richting van de [adres] , vlak naast de betrokken auto. Het flesje viel verbalisanten op omdat het flesje, anders dan de andere op het dak aanwezige flesjes, erg schoon was, hetgeen er naar het oordeel van de rechtbank op duidt dat het flesje maar kort op het dak heeft gelegen. Ook was het flesje voorzien van een etiket met daarop vermeld ‘wasbenzine’. In het flesje zat nog een klein beetje vloeistof. Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat deze vloeistof kookpuntbenzine betreft. Op deze fles is bovendien op drie verschillende locaties (onderzijde, bovenzijde en in het midden van de fles) een DNA-profiel aangetroffen. Dit DNA-profiel komt overeen met het DNA-profiel van verdachte. De matchkans is kleiner dan één op één miljard. De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte de donor moet zijn geweest van dit celmateriaal. Feit 8: de autobrand 31 oktober 2022 In de nacht van de brand heeft verbalisant [verbalisant] de camerabeelden bekeken die van de brand zijn gemaakt. Verbalisant ziet één persoon wegrennen nadat er een steekvlam bij de auto was ontstaan. Op de ochtend na de brand is door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] op (zeer) korte afstand van de brandhaard een rode dop aangetroffen. Op deze dop is een DNA-profiel aangetroffen. Het DNA-profiel van verdachte komt overeen met het op de dop aangetroffen DNA-profiel. De matchkans is kleiner dan één op één miljard. De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte de donor moet zijn van dit celmateriaal. Uit de telefoongegevens van verdachte blijkt voorts dat hij op de dag van de brand, tussen 03:40 uur en 22:36 uur, op internet 116 zoekslagen heeft gemaakt die (rechtsreeks) verband houden met de brand aan de [adres] te Assen. De rechtbank acht het hierbij opvallend dat verdachte reeds om 03:40 uur, ongeveer twee uur na de melding van de brand, is begonnen met zoeken naar berichtgeving over de brand. Verdachte heeft, desgevraagd, ter terechtzitting verklaard dat hij ’s-nachts, terwijl hij lag te slapen, van een vriend een Whatsapp-berichtje heeft gekregen over de brand en dat hij daarna op internet is gaan zoeken naar informatie. Omdat hij niets kon vinden, is hij gedurende de dag blijven zoeken. Op de vraag van de rechtbank waarom hij 116 zoekslagen heeft gemaakt, heeft verdachte geen aannemelijke verklaring kunnen geven. Op de telefoon van verdachte is het bericht van de vriend ook niet aangetroffen. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte dan ook niet geloofwaardig. Alternatief scenario Verdachte heeft zijn betrokkenheid bij de beide brandstichtingen ontkend. Door verdachte is een alternatieve verklaring gegeven voor de wijze waarop het DNA van verdachte op het plastic flesje en de dop is terechtgekomen: verdachte heeft drie flessen wasbenzine gekocht voor een jongen. Deze aankopen waren de enige aankopen die hij heeft gedaan. Verdachte kreeg hiervoor 50 euro per fles. Hij heeft niet stil gestaan bij wat die jongen met de wasbenzine zou gaan doen. De rechtbank acht dit alternatieve scenario niet aannemelijk. Verdachte heeft ter terechtzitting geen controleerbare informatie kunnen verstrekken over de identiteit van de jongen. Voorts strookt het scenario niet zonder meer met de inhoud van het strafdossier. Zo blijkt uit onderzoek naar de financieel historische gegevens van verdachte dat hij op 21 september 2022, 5 oktober 2022 en op 2 november 2022 wasbenzine heeft gekocht, hetgeen volgens de verklaring van verdachte ter terechtzitting de enige data zijn geweest waarop hij wasbenzine heeft gekocht. De onder feit 7 ten laste gelegde autobrand dateert echter van 1 september
- Het geschetste alternatieve scenario geeft dan ook geen aannemelijke verklaring voor het feit dat het DNA van verdachte is aangetroffen op het in de directe nabijheid van de betrokken auto aangetroffen plastic flesje wasbenzine. Tot slot weegt de rechtbank bij haar oordeel mee dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft verdachte bij de politie verklaard dat het onmogelijk is dat zijn DNA op het plastic flesje en de dop is aangetroffen. Tegelijkertijd heeft hij in zijn tweede verhoor verklaard dat ‘het kan zijn’ dat hij bij iemand thuis een fles heeft aan geraakt en dat hij in het verleden misschien wel een fles wasbenzine heeft gekocht, maar dit betrof ammoniak. Nadat verdachte door de rechter-commissaris werd geconfronteerd met de bevindingen van de politie dat hij drie keer wasbenzine heeft gekocht, heeft verdachte verklaard dat hij dit ‘misschien’ voor iemand anders heeft gedaan, nu hij zoiets niet van zijn eigen geld zou kopen. Pas ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij inderdaad de wasbenzine heeft gekocht, dat hij dit voor een jongen heeft gedaan en dat hij daarvoor 50 euro per fles heeft gekregen. De rechtbank schuift het alternatieve scenario van verdachte dan ook terzijde Conclusie Gelet op de hierboven onder feit 7 weergegeven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte de persoon is geweest die op 1 september 2022, met behulp van kookpuntbenzine (wasbenzine), de autobrand heeft gesticht. De rechtbank acht het onder 7 ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het, gelet op de hierboven onder feit 8 weergegeven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, niet anders kan zijn dan dat verdachte ook de persoon is geweest die op 31 oktober 2022, met behulp van kookpuntbenzine, de autobrand heeft gesticht. De rechtbank acht het onder 8 ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen. Met de raadsvrouw is de rechtbank evenwel van oordeel dat het strafdossier geen concrete informatie bevat waaruit kan worden afgeleid dat bij de brandstichting ook (levens)gevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van personen te duchten is geweest, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging van feit 8 zal worden vrijgesproken. Vrijspraak van het onder 6 ten laste gelegde feit De rechtbank acht het onder 6 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Niet ter discussie staat dat op 14 augustus 2022 aan de [adres] te Assen een auto (Fiat 500L) in brand is gestoken. Voor een bewezenverklaring op grond van artikel 157 Wetboek van Strafrecht (Sr) is echter vereist dat door die brandstichting gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest. Dit is het geval indien het gevaar zich (voorzienbaar) uitstrekt tot andere goederen dan het goed waarin de brand is gesticht. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van het brandonderzoek niet blijkt dat zich in de (directe) nabijheid van de in brand gestoken auto andere goederen bevonden (zoals bijvoorbeeld geparkeerde auto’s, scooters of afvalcontainers). Naar het oordeel van de rechtbank kan voorts niet zonder meer gesteld worden dat er gevaar te duchten is geweest voor de bestrating waar de in brand gestoken auto op stond, nu uit het proces-verbaal niet blijkt waar het gevaar voor de bestrating dan concreet uit heeft bestaan. De enkele mededeling dat er schade aan de onderliggende bestrating is ontstaan, acht de rechtbank hiertoe onvoldoende. Op grond van het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat er op enig moment, als gevolg van de brandstichting, gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest. Vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde feit De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Op 23 juli 2022, omstreeks 04:08 uur, is door verbalisanten aan ’ [adres] te Assen een scooter aangetroffen die volledig in brand stond. De scooter stond op één á twee meter van een glazen pui van een winkelpand. Door de hitte van de brand was deze glazen pui geknapt en er was een aanzienlijke rookontwikkeling in het pand. Ter plaatse waren meerdere omstanders aanwezig, die naar (het blussen van) de brand aan het kijken waren. Verdachte was één van deze omstanders. Verbalisant [verbalisant] herkende verdachte en heeft een foto van hem gemaakt. Tijdens het forensisch onderzoek naar de brand is bij de ingang van een snackbar, gelegen tegenover de brandhaard, een rode, deels weggesmolten, dop aangetroffen. Deze dop is door het NFI onderzocht op de aanwezigheid van DNA. Dit onderzoek heeft echter geen resultaat opgeleverd. Door verbalisant [verbalisant] zijn de camerabeelden van de snackbar bekeken. Op deze beelden ziet verbalisant een persoon bij de ingang van de snackbar staan. Te zien is dat deze persoon handschoenen aantrekt, een fles uit een tas pakt, naar de scooter de loopt en de inhoud van de fles over de scooter gooit. Kort daarna is te zien dat er een grote steekvlam ontstaat en dat de persoon snel bij de scooter wegloopt, zijn tas pakt en uit beeld verdwijnt. Verbalisant [verbalisant] heeft deze beelden vergeleken met de foto die in de betreffende nacht van verdachte is gemaakt. Verbalisant concludeert dat de uiterlijke kenmerken van verdachte op drie punten sterke overeenkomsten vertonen met de persoon die op de camerabeelden te zien is. Verbalisant noemt de aanwezigheid van een sik, een donker kleurverschil op de bovenzijde van de linkerhand en de kleuraccenten van de bovenkleding. Op 22 november 2022, vier maanden na de brandstichting, is onder verdachte een zwarte jas van Black Bananas in beslag genomen. Deze jas is door verbalisant [verbalisant] vergeleken met de jas die op de camerabeelden is te zien. Verbalisant concludeert dat de jas van verdachte sterk overeenkomt met de jas die op de camerabeelden is te zien. Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend de brand te hebben gesticht. Destijds woonde hij in de [adres] , op zo’n 50 meter afstand van de plek waar de brand is ontstaan. Hij was die nacht thuis. Op enig moment heeft hij met een vriend afgesproken om samen een sigaretje te roken. Om naar die vriend toe te gaan, moest hij langs de plek van de brand. De rechtbank stelt voorop dat de op de aangetroffen rode dop geen DNA van verdachte is aangetroffen. Ook uit de andere feiten en omstandigheden kan de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat verdachte de persoon is geweest die de brand heeft gesticht. Verdachte woonde op zeer korte afstand van de plek waar de brand is ontstaan. Dat hij ten tijde van de brand, net als enkele andere personen, op die plek door verbalisanten is gezien, acht de rechtbank dan ook niet zonder meer onbegrijpelijk. Daarnaast acht de rechtbank de door verbalisant [verbalisant] genoemde punten waaraan hij verdachte op de camerabeelden herkent, onvoldoende specifiek en onderscheidend om daaraan in bewijsrechtelijke zin doorslaggevende betekenis toe te kennen. Voorts acht de rechtbank het enkele feit dat bij verdachte, vier maanden na de brandstichting, een jas in beslag is genomen die gelijkenissen vertoont met de jas die door de dader van de brandstichting werd gedragen, onvoldoende om een bewezenverklaring te dragen. Ook in samenhang bezien acht de rechtbank deze feiten en omstandigheden onvoldoende om te komen tot wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank heeft bij haar oordeel tot slot ook in aanmerking genomen dat de handelswijze zoals deze op de camerabeelden is te zien (de zogenaamde modus operandi) op essentiële punten niet overeenkomt met de handelswijze van verdachte bij eerdere bewezenverklaarde brandstichtingen op 1 september 2022 en 31 oktober
- Zo heeft verdachte bij deze brandstichtingen geen handschoenen gedragen, hetgeen blijkt uit het aantreffen van zijn DNA op respectievelijk een plastic flesje wasbenzine en een dop en is hij niet naderhand gezien op de plaats delict. Bewezenverklaring De rechtbank acht de feiten 1, 2, 3, 4, 7 en 8 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: 1) hij in de periode van 5 maart 2022 tot en met 21 juni 2022 te Hoogeveen [slachtoffer] heeft bedreigd met- enig misdrijf tegen het leven gericht, en- zware mishandeling, en- brandstichting,door die [slachtoffer] (via Facebook Messenger) onder andere de volgende berichten te doen toekomen:- afbeeldingen van een man met een bivakmuts die een (vuur)wapen vasthoudt, en berichten met de volgende tekst:-"Als ik nog maar een klein dingetje hoor over mij wat jij de wereld in helpt steek ik je kankerhuis persoonlijk in de brand wanneer jullie liggen te slapen",-"Zal maar oppassen en met 1 oog open slapen. Ook bij jou schiet ik ze dwars door de ramen. Doe ze de groeten!",- "Ze gaan je kop verbouwen",-"Mensen gaan je in de brand steken",-"Zodra ik 1 keer hoor dat jij de politie inschakelt voor mij ben je de zelfde nacht nog kanker dood en kanker verbrand",-"Volgende keer laat ik je platbranden, kanker zwarte. Slaap lekker. Hou je in de gaten!", althans woorden van gelijke dreigende strekking en/of aard; 2) hij in de periode van 13 maart 2022 tot en met 15 april 2022 te [plaats] [naam] heeft bedreigd met - enig misdrijf tegen het leven gericht, en- zware mishandeling, en- verkrachting, en- brandstichting,door die [naam] (via Whatsapp) onder andere de volgende berichten te doen toekomen:-"Volgende keer laat ik alles op het ggz afbranden",-"Kom snel het afmaken! En jij bent als eerst.",-"Jullie krijgen nog 1 kans om los te laten. Zit in de auto om de hoek bij je huis. Laatste kans volgende keer is (afbeelding van een bom).",-"Laat dit een grote waarschuwing zijn want anders is [slachtoffer] de eerste die aangerand gaat worden en daarna blazen wij alles op inclusief de flat op het ggz wanneer de mensen liggen te slapen.",-"Wij rijden nu weer netjes bij je huis weg. Volgende keer gaat die de lucht in.",-"Wanneer ik die prik nog een keer voel, luister, laat ik je in brand steken.",-"Als je naar de politie gaat steek ik die hele kanker flat op het ggz in de brand inclusief River", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking; 3) hij op meerdere momenten in de periode van 11 juli 2022 tot en met 11 november 2022 te Hoogeveen medewerkers van het bewindvoeringskantoor [naam] heeft bedreigd met - enig misdrijf tegen het leven gericht, en - brandstichting, door op 11 juli 2022 een medewerkster per e-mail de volgende teksten toe te sturen:- “Vliegen er kogels door je raam zo”,- “Als ik geld mis, blazen ze je op”,- “Flikker jou ook zo op de brandstapel”, enop 11 november 2022 telefonisch een medewerkster de volgende woorden te doen toekomen:-"dan maak ik jou dood dadelijk!”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking; 4) hij op 29 maart 2022 te Hoogeveen [slachtoffer] , heeft bedreigd met- verkrachting, en- enig misdrijf tegen het leven gericht, en- brandstichting,door die [slachtoffer] (via Facebook Messenger) de volgende berichten te doen toekomen:-"Ga op je knieën voor me want elke nacht kan het maar zo zijn dat er een paar brandbommen bij jou en je vrouw inclusief je kinderen naar binnen gegooid worden",-"Zorg dat jij je kinderen nooit uit het oog verliest. Dan kan het maar zo zijn dat ze de auto worden ingetrokken en dan verkracht ik ze zo hard dat het kutje van je dochter kapot gescheurd gaat worden en dan zuig ik al het bloed uit dat levenloze lichaampje van haar en dan ben jij aan de beurt. Mager komt. Slaap lekker.", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking; 7) hij op 1 september 2022 te Assen (in een steeg gelegen tussen de [adres] en de [adres] ), opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met wasbenzine, ten gevolge waarvan een personenauto (kenteken [kenteken] ) en de goederen die zich in voornoemde personenauto bevonden zijn verbrand en daarvan gemeen gevaar voor de bestrating, de nabij gelegen bosschages, een prullenbak en een elektriciteitsmast te duchten was; 8) hij op 31 oktober 2022 te Assen opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met kookpuntbenzine (wasbenzine), ten gevolge waarvan een personenauto (Renault Clio, kenteken [kenteken] ) geparkeerd (op een oprit) aan de [adres] gedeeltelijk is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor te duchten was. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, met zware mishandeling en met brandstichting; feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, met zware mishandeling, met verkrachting en met brandstichting; feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting; feit 4: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, met verkrachting en met brandstichting; feit 7: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is; feit 8: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Motivering van de straf en de maatregel Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van alle acht ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 434 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) wordt opgelegd met de voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering, waaronder ook bewindvoering. De officier van justitie vordert voorts de dadelijke uitvoerbaarheid van die voorwaarden. Ten slotte heeft de officier van justitie oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht gevorderd, zodat er na afloop van de tbs-maatregel nog toezicht op verdachte mogelijk is. De officier van justitie heeft in zijn eis meegewogen dat de feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft geen (strafmaat)verweer gevoerd. Zij acht de door de officier van justitie geëiste straf en maatregel in het belang van een (verdere) positieve ontwikkeling van verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting uitdrukkelijk verklaard bereid te zijn zich aan de te stellen voorwaarden te houden. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie (het strafblad), alsmede de vordering van de officier van justitie en het standpunt van de raadsvrouw. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee brandstichtingen. Op 1 september 2022 en 31 oktober 2022 heeft verdachte -telkens midden in de nacht- een in een woonwijk geparkeerde auto in brand gestoken. In beide gevallen is daarbij gemeen gevaar voor de omliggende goederen te duchten geweest. Met zijn handelen heeft verdachte niet alleen forse (materiële) schade en overlast veroorzaakt, maar ook gevoelens van onrust en onveiligheid bij de aangevers én de buurtbewoners. Verdachte heeft ter terechtzitting geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Door de ontkennende houding van verdachte heeft de rechtbank ook geen zicht kunnen krijgen op wat hem heeft gedreven om het bewezenverklaarde feit te plegen. De rechtbank kan zich evenwel niet aan de indruk onttrekken dat een (grote) fascinatie voor vuur en brand hierbij een rol heeft gespeeld. Dit baart de rechtbank zorgen voor de toekomst. Daarnaast heeft verdachte zich in een periode van ongeveer negen maanden tijd schuldig gemaakt aan verschillende bedreigingen van onder meer zijn oom, neef, bewindvoerster en sociaal juridisch dienstverlener. Met zijn handelen heeft verdachte de grenzen van de slachtoffers ernstig overschreden en heeft hij een inbreuk gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zijn bedreigingen heeft geuit uit boosheid en frustratie als gevolg van een conflictsituatie of gespannen verhoudingen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij daarbij geheel voorbij is gegaan aan de gevoelens van en de gevolgen voor de slachtoffers en slechts oog heeft gehad voor zichzelf en het uiten van zijn eigen gevoelens. Tegelijkertijd waardeert de rechtbank het dat verdachte ter terechtzitting openheid van zaken heeft gegeven en dat hij zijn excuses aan de slachtoffers heeft aangeboden. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 1augustus
- Hieruit blijkt dat verdachte eerder -en meerdere malen- onherroepelijk is veroordeeld wegens een bedreiging. Verdachte is in het Pieter Baan Centrum onderzocht door klinisch psycholoog M.G.H. van Willigenburg en psychiater J.C. Laheij. Deze gedragsdeskundigen hebben hun bevindingen over verdachte neergelegd in een Pro Justitita rapport van 22 september
- Uit dit rapport volgt dat bij verdachte sprake is van een (lichte) verstandelijke ontwikkelingsstoornis, een andere gespecificeerde posttraumatische stressstoornis en schizofrenie. Deze stoornissen hebben voortdurend een forse invloed op het functioneren van verdachte, met name op het gebied van denken, waarnemen en handelen. Nu de stoornissen ten tijde van de ten laste gelegde feiten reeds aanwezig waren, achten de gedragsdeskundigen het dan ook onwaarschijnlijk dat deze de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte destijds niet hebben beïnvloed. Gelet hierop adviseren de gedragsdeskundigen om verdachte de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. Het recidivegevaar wordt ingeschat als hoog en beschermende factoren zijn nauwelijks aanwezig. Om het recidiverisico te verminderen wordt een langdurige klinische opname geadviseerd, gevolgd door een langdurig en gefaseerd resocialisatietraject met passende ondersteuning en structurering. Het hiervoor vereiste stringente en langdurige kader kan volgens de gedragsdeskundigen alleen binnen het kader van een tbs-maatregel worden gerealiseerd. Omdat verdachte heeft aangegeven open te staan voor medicatie en klinische behandeling, heeft meegewerkt aan eerdere GGZ-opnames en thans ook zelf verzoekt om een langdurig ondersteunend en structurerend traject, komen de gedragsdeskundigen tot het advies om de behandeling te laten plaatsvinden binnen het kader van een tbs met voorwaarden in combinatie met een GVM, zodat ook na het aflopen van de tbs-maatregel langer durend forensisch toezicht mogelijk blijft. In haar rapport van 12 december 2023 heeft de reclassering zich aangesloten bij de bevindingen van de gedragsdeskundigen en daarbij positief geadviseerd over de maatregel tbs met voorwaarden (in combinatie met een GVM). Verdachte ziet in dat hij hulp nodig heeft en is bereid om ook op de lange termijn behandeling en begeleiding te aanvaarden. Als te stellen voorwaarden adviseert de reclassering (onder meer) opname in een zorginstelling en (aansluitend) ambulante behandeling en begeleid wonen, een alcohol- en drugsverbod en reclasseringstoezicht. Uit het aanvullende reclasseringsadvies van 7 maart 2024 volgt dat verdachte op 30 januari 2024, in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis, opgenomen is in de forensisch psychiatrische kliniek (FPK) te Assen. Verdachte heeft in de FPK zijn draai gevonden, lijkt goed ingesteld op medicatie, stelt zich meewerkend op en heeft een start gemaakt met het inzichtelijk maken van zijn financiën. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij open staat voor een (langdurige) klinische behandeling. Hij merkt dat de periode die hij reeds in de FPK heeft doorgebracht hem goed heeft gedaan en hij is gemotiveerd om de positieve weg die hij is ingeslagen voort te zetten. Hij is dan ook bereid om zich aan de voorwaarden te houden die de reclassering in het kader van een tbs met voorwaarden heeft geadviseerd. Toerekenbaarheid De rechtbank neemt de (gemotiveerde) conclusies van de gedragsdeskundigen over. Ten tijde van de ten laste gelegde feiten werd het (psychisch) functioneren van verdachte fors beïnvloed en beperkt door de bij hem aanwezige stoornissen. Dit leidt tot het oordeel van de rechtbank dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. De maatregel tbs met voorwaarden Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de maatregel tbs met voorwaarden moet worden opgelegd. Gelet op de complexe problematiek van verdachte, het hoge recidiverisico en de door de gedragsdeskundigen beschreven noodzaak van een langdurige behandeling en begeleiding in een strikt en langdurig kader enerzijds en de oprecht gemotiveerde houding van verdachte om mee te werken aan de behandeling anderzijds, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van de maatregel tbs met voorwaarden passend en geboden is. De rechtbank zal aan deze maatregel de voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering. Door de gedragsdeskundigen is opgemerkt dat het de voorkeur verdient dat verdachte zijn behandeling en verblijf voortzet in de FPK te Assen. Ook verdachte heeft ter terechtzitting verklaart het heel belangrijk te vinden dat hij juist in de FPK Assen zijn behandeling krijgt. Hij voelt zich bij de daar veilig en vertrouwd. De rechtbank onderschrijft deze voorkeur voor een verblijf en behandeling van verdachte bij FPKAssen. De rechtbank heeft bij haar oordeel in aanmerking genomen dat aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de tbs-maatregel is voldaan. Uit het Pro Justitia rapport volgt dat bij verdachte ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten sprake was van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Voorts betreffen de onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten een bedreiging (genoemd in artikel 37a, eerste lid onder 2 Wetboek van Strafrecht) en de onder 7 en 8 bewezenverklaarde feiten een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld (genoemd in artikel 37a, eerste lid onder 1 Wetboek van Strafrecht). Tot slot eist de algemene veiligheid van personen en goederen oplegging van de tbs-maatregel. De rechtbank heeft hierbij gelet op de aard, ernst en hoeveelheid van de bewezenverklaarde feiten en op hetgeen de deskundigen hebben gerapporteerd over het recidiverisico. De rechtbank stelt vast dat de op te leggen tbs-maatregel in duur is gemaximeerd. Het strafbare handelen van verdachte levert, hoe kwalijk ook, geen misdrijf op dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Mocht omzetting in een tbs met dwangverpleging (wegens het niet naleven van de voorwaarden) aan de orde zijn, dan kan deze gelet op artikel 38e Sr derhalve de periode van vier jaar niet te boven gaan. De officier van justitie heeft gevorderd de tbs-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Op grond van artikel 38e Sr kan de rechtbank dit bevel slechts geven indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is naar het oordeel van de rechtbank aan deze voorwaarde niet voldaan. De rechtbank zal dan ook de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden niet gelasten. Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z Sr (GVM) Naast de maatregel van tbs met voorwaarden zal de rechtbank ook de door de gedragsdeskundigen en de reclassering geadviseerde GVM opleggen. Uit de Pro Justitia rapportage volgt dat verdachte langdurig behandeling en begeleiding nodig heeft om het recidiverisico (blijvend) te beperken. Met oplegging van een GVM wordt de mogelijkheid gecreëerd om verdachte ook na beëindiging van de tbs-maatregel onder toezicht te stellen om zo het recidiverisico (verder) terug te dringen dan wel op een aanvaardbaar niveau te houden. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van deze maatregel is voldaan nu de rechtbank aan verdachte de tbs-maatregel zal opleggen en oplegging van een GVM voorts in het belang is van de algemene veiligheid van personen of goederen. In hoeverre en op welke wijze invulling aan de GVM moet worden gegeven, komt in een later stadium aan de orde. , De straf De aard, ernst en hoeveelheid van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen dat naast oplegging van de tbs-maatregel en GVM ook een straf in de vorm van een gevangenisstraf aan verdachte wordt opgelegd. Rekening houdend met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, zijn proceshouding en gelet op het feit dat de rechtbank het van groot belang acht dat verdachte zo snel mogelijk begint met de voor hem noodzakelijke behandeling, zal de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen gelijk aan de duur van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 435 dagen. Benadeelde partij De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
- [naam] , als wettelijke vertegenwoordiger (op grond van artikel 1:245 lid 4 BW) van haar dochter, benadeelde partij [slachtoffer] . Bij de hoogte van de schade is geen bedrag ingevuld. Wel is verzocht de achternaam van de benadeelde partij te wijzigen.
- [slachtoffer] heeft zich in het geding gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 150,- ter zake van materiële schade en € 1.500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel; Standpunt van de officier van justitie Benadeelde partij [slachtoffer] De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet voor toewijzing vatbaar is. Benadeelde partij [slachtoffer] De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel dient te worden toegewezen, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel, nu deze schade voldoende is komen vast te staan. Standpunt van de verdediging Benadeelde partij [slachtoffer] De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen over de vordering van de benadeelde partij. Benadeelde partij [slachtoffer] De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsvrouw heeft hiertoe primair aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het feit waarop de vordering is gebaseerd. Subsidiair heeft de raadvrouw aangevoerd dat de gestelde materiële schade door de verzekering wordt vergoed. De gestelde immateriële schade kan, zonder nadere en concrete onderbouwing niet worden aangemerkt als psychisch letsel dat voor vergoeding op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking komt. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade te matigen nu het gevorderde bedrag niet passend is gelet op wat in vergelijkbare zaken wordt toegekend. Oordeel van de rechtbank Benadeelde partij [slachtoffer] (feit 4) De rechtbank stelt voorop dat een benadeelde partij zich op grond van artikel 51f Wetboek van Strafvordering (Sv) in het strafproces (enkel) kan voegen met een verzoek tot schadevergoeding. Om deze reden kan de benadeelde partij niet in haar verzoek tot naamswijziging worden ontvangen. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, nu de benadeelde partij geen schadebedrag heeft ingevuld op het voegingsformulier. Benadeelde partij [slachtoffer] (feit 6) De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38, 38a, 38z, 63, 157 en 285 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 5 en feit 6 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder feit 1, 2, 3, 4, 7 en 8 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 435 dagen. Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht. Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:
- veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
- veroordeelde werkt mee aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat veroordeelde: zich meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is; een of meer vingerafdrukken laat nemen en een geldig identiteitsbewijs laat zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen; zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden; de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid; meewerkt aan huisbezoeken; de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners; zich niet vestigt op een ander adres zonder toestemming van de reclassering; meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, als dat van belang is voor het toezicht;
- veroordeelde laat zich opnemen in FPK te Assen of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering dat in afstemming met de behandelcoördinator van de FPK nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen zal onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- veroordeelde laat zich, aansluitend aan zijn klinische opname, behandelen door een ambulante forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;
- indien de reclassering het, in samenspraak met de behandelaars, nodig vindt dat veroordeelde gaat wonen en zich laat begeleiden in een setting voor begeleid wonen, dan werkt veroordeelde daaraan mee. Het begeleid wonen duurt zolang de reclassering dat in afstemming met de behandelaars nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de instelling geeft;
- als de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, dan wel na rechterlijke toestemming, kan veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering, veroordeelde of de rechtbank deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
- veroordeelde gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;
- veroordeelde gebruikt geen alcohol, zolang de reclassering dat nodig vindt en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;
- veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering. Draagt de reclassering op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen. Legt aan verdachte op de maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking . Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van de dag waarop onderhavig vonnis onherroepelijk wordt. Benadeelde partij Ten aanzien van feit 4 Verklaart de vordering van [slachtoffer] , wettelijk vertegenwoordigd door [naam] , niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Bepaalt dat [slachtoffer] haar eigen proceskosten draagt. Ten aanzien van feit 6 Verklaart de vordering van [slachtoffer] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Bepaalt dat [slachtoffer] haar eigen proceskosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Fuhler, voorzitter, mr. F. Sieders en mr. E.C. Hellinga, rechters, bijgestaan door mr. K. Bodewes-Maas, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 oktober
- Mr. Hellinga is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (inclusief bijlagen) d.d. 24 november 2022, opgenomen op pagina 562 van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .