RECHTBANK Noord-Nederland Civiel recht Zittingsplaats [woonplaats] Zaaknummer: C/17/190788 / HA ZA 23-172 Vonnis van 16 oktober 2024 in de zaak van 1 [A] , wonende te [woonplaats] ,
(3)[H c.s.] zal veroordelen in de kosten van deze procedure krachtens een daartoe door de rechtbank uit te spreken proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. 3.2. [A c.s.] hebben aan die vordering - kort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. [H c.s.] hebben uitvoering gegeven aan het Covid 19: The Great Reset Project. Dit is een project gericht op de door [Y] in zijn boek Covid-19: The Great Reset beschreven totale herschikking van de samenlevingen in alle landen die lid zijn van de Verenigde Naties (hierna: VN). Bij die herschikking worden alle voor een mensenleven bepalende factoren door het WEF en de VN tot voorwerp van gedwongen verandering gemaakt. Kenmerkend aan dit politieke gedachtegoed is dat deze gedwongen en geplande verandering als gerechtvaardigd wordt voorgesteld door te doen alsof de wereld gebukt gaat onder grote crisissen die alleen maar door gecentraliseerd hard wereldwijd ingrijpen kunnen worden opgelost. Een van die voorgewende grote crisissen betreft de Covid-19 pandemie. [H c.s.] hebben individueel en als groep onrechtmatig jegens [A c.s.] gehandeld door hen in het kader van de uitvoering van het Covid 19: The Great Reset Project te misleiden tot het laten zetten van Covid-19 injecties waarvan [H c.s.] wisten, althans hadden behoren te weten, dat deze injecties niet veilig en effectief waren. Deze Covid-19 injecties zijn nooit bedoeld geweest om [A c.s.] te beschermen tegen een vermeend virus. [A c.s.] hebben als gevolg van deze injecties geestelijk en lichamelijk letsel opgelopen, aldus nog steeds [A c.s.] 4Het geschil in het incident 4.1. [X] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: i. zich ten aanzien van [X] onbevoegd zal verklaren tot kennisneming van de vorderingen van [A c.s.] ; ii. [A c.s.] zal veroordelen in de kosten van dit incident, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het in dezen te wijzen vonnis; iii. met veroordeling van [A c.s.] in de nakosten, conform het liquidatietarief begroot op € 173,00 dan wel, in het geval van betekening, € 271,00. 4.2. [X] heeft - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aan de vordering ten grondslag gelegd. Volgens de hoofdregel van het commune internationaal bevoegdheidsrecht is de rechter van de woonplaats van de gedaagde partij bevoegd kennis te nemen van het geschil. Omdat [X] niet woonachtig is in Nederland, kan de rechtbank geen bevoegdheid ontlenen aan deze hoofdregel. Voorts is gesteld noch aannemelijk geworden dat is voldaan aan de vereisten voor bevoegdheid van de rechtbank op de bevoegdheidsgronden in artikel 6 aanhef en onder e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), 7 lid 1 Rv en 9 aanhef en onder c Rv, waar [A c.s.] een beroep op hebben gedaan. 4.3. [A c.s.] bestrijden de incidentele vordering en concluderen tot afwijzing van deze vordering, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [X] in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling in het incident Onderwerp van het geschil en het algehele toetsingskader 5.1. Het geschil in dit incident draait om de vraag of deze rechtbank bevoegd is van de door [A c.s.] in de hoofdprocedure ingestelde vorderingen tegen [X] kennis te nemen. [X] is woonachtig in de Verenigde Staten. Tussen Nederland en de Verenigde Staten is geen verdrag van toepassing dat regels bevat over de bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken zoals hier aan de orde. De vraag of de Nederlandse rechter ten aanzien van [X] rechtsmacht heeft, moet daarom worden beantwoord aan de hand van het commune internationaal bevoegdheidsrecht, zoals onder meer neergelegd in de artikelen 1-14 Rv. 5.2. Bij de invoering en latere wijzigingen van de artikelen 1-14 Rv heeft de Nederlandse wetgever aansluiting gezocht bij, onder meer, de voorlopers van de huidige Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: Verordening Brussel I-bis). Bij de uitleg van de commune regels voor internationale rechtsmacht moet daarom in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJEU over (de voorlopers van) de Verordening Brussel I-bis. Dit is anders indien aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever heeft beoogd om bij de inrichting van een commune regel af te wijken van de Unierechtelijke instrumenten of de uitleg daarvan door het HvJEU. 5.3. Uit de rechtspraak van het HvJEU volgt dat de rechter die in het kader van de toepassing van (de voorlopers van) de Verordening Brussel I-bis onderzoekt of hem bevoegdheid toekomt, zich bij dit onderzoek niet moet beperken tot de stellingen van de eiser, maar ook acht moet slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en, in voorkomend geval, op de stellingen van de verweerder. Het onderzoek naar de rechtsmacht aan de hand van de Unierechtelijke instrumenten mag dus niet plaatsvinden op basis van enkel de door de eisende partij gekozen grondslag van haar vordering. De rechtszekerheid verlangt dat de nationale rechter zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kan uitspreken, zonder dat hij de zaak ten gronde hoeft te onderzoeken. Indien de verweerder de stellingen van de eiser betwist, hoeft de rechter in het kader van de bepaling van zijn bevoegdheid geen gelegenheid te geven voor bewijslevering met betrekking tot de zowel voor de bevoegdheid als voor de gegrondheid relevante feiten, omdat daarmee op het onderzoek naar de gegrondheid van de vorderingen vooruit zou worden gelopen. Hieruit volgt dat de rechter zich bij beantwoording van deze vraag beperkt tot een oordeel op het eerste gezicht (prima facie-oordeel). Op grond van hetgeen hiervoor in r.o. 5.2 is overwogen, geldt deze maatstaf ook indien de Nederlandse rechter in het kader van de toepassing van de commune regels voor internationale rechtsmacht onderzoekt of hem bevoegdheid toekomt. Immers, niet aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever heeft beoogd op dit punt af te wijken van de Unierechtelijke instrumenten of de uitleg daarvan door het HvJEU. Is de rechtbank bevoegd op grond van artikel 7 lid 1 Rv? 5.4. In aanvulling op de hoofdregel dat de gedaagde partij wordt opgeroepen voor de gerechten van het land waar de gedaagde partij woonplaats heeft, geeft Rv enkele andere bevoegdheidsregels die tot extra bevoegdheidsgronden leiden. Het beginsel van rechtszekerheid vereist onder meer dat deze bevoegdheidsregels die van de hoofdregel afwijken, zo worden uitgelegd, dat een gemiddeld oordeelkundig gedaagde op grond daarvan redelijkerwijs kan voorzien, voor welke andere rechter dan die van de staat van zijn woonplaats hij zou kunnen worden opgeroepen. 5.5. [A c.s.] hebben een beroep gedaan op enkele van die extra bevoegdheidsgronden, waaronder de bevoegdheidsgrond neergelegd in artikel 7 lid 1 Rv. [X] heeft die bevoegdheidsgronden gemotiveerd betwist. 5.6. Artikel 7 lid 1 Rv bepaalt dat indien de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van een van de gedaagden, hem ook rechtsmacht toekomt ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. 5.7. In het in voetnoot 2 vermelde arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat als eerste voorwaarde voor toepassing van artikel 7 lid 1 Rv geldt dat de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de andere gedaagden (de zogenoemde ankergedaagde) rechtsmacht moet hebben op een andere grond dan vermeld in artikel 7 lid 1 Rv zelf. Als aan die voorwaarde is voldaan, geldt als tweede voorwaarde voor toepassing van artikel 7 lid 1 Rv dat de vorderingen tegen de andere gedaagde(
- n)voldoende samenhang vertonen met de vorderingen tegen de ankergedaagde. 5.8. Bij de uitleg van artikel 7 lid 1 Rv is van belang dat deze bepaling is gebaseerd op (de voorloper van) artikel 8, aanhef en onder 1, Verordening Brussel I-bis. Voor het antwoord op de vraag of de vorderingen samenhangen in de zin van artikel 7 lid 1 Rv, kan de rechtspraak van het HvJEU als richtsnoer worden genomen. Van samenhangende vorderingen is volgens de rechtspraak van het HvJEU sprake wanneer (
- i)aan de vorderingen hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt, en (
- ii)de vorderingen juridisch zo nauw met elkaar samenhangen, dat van de eiser in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij de zaken door verschillende gerechten laat behandelen . Indien de beide voorwaarden zijn vervuld, mag worden aangenomen dat de gezamenlijke behandeling van de vorderingen om doelmatigheidsredenen gerechtvaardigd is en dat aan het voorzienbaarheidsvereiste is voldaan. Het HvJEU stelt voor de toepassing van artikel 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis de voorwaarde dat sprake is van gevaar voor een divergentie in de beslechting van het geschil, die zich voordoet in het kader van ‘eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens’. Bij de beoordeling of hiervan sprake is moet rekening worden gehouden met alle noodzakelijke elementen van het dossier. Het HvJEU heeft in dit verband enkele gezichtspunten geformuleerd die de rechter in zijn beoordeling dient te betrekken. Wat betreft de vraag of sprake is van eenzelfde feitelijke situatie, is van belang of de gedaagden hun gedragingen op elkaar hebben afgestemd. Ten aanzien van de vraag of in juridisch opzicht sprake is van eenzelfde situatie, vormen de rechtsgrondslagen van de ingestelde vorderingen een relevant gezichtspunt. 5.9. Op grond van artikel 2 Rv en artikel 99 Rv is deze rechtbank zowel internationaal als relatief bevoegd kennis te nemen van de vorderingen tegen [H] , omdat hij in het arrondissement van deze rechtbank woont. [H] kan daarom als ankergedaagde in de zin van artikel 7 lid 1 Rv worden aangemerkt. 5.10. [A c.s.] hebben aan hun vorderingen tegen [H c.s.] onder meer ten grondslag gelegd dat [H c.s.] in groepsverband onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld. Naar de rechtbank begrijpt, stellen [A c.s.] daartoe dat [H c.s.] , en [X] dus ook, onderdeel uitmaken van een wereldwijde groep van personen, rechtspersonen en andere entiteiten die in het kader van de uitvoering van een project genaamd Covid 19: The Great Reset mensen hebben misleid tot het zetten van Covid-19 injecties, terwijl zij wisten althans hadden behoren te weten, dat deze injecties niet veilig en effectief waren. Uit de pleitnota van [X] leidt de rechtbank af dat [X] het standpunt van [A c.s.] ook zo heeft begrepen. De rechtbank begrijpt dat [A c.s.] in dit kader verder betogen, dat [X] deze misleiding internationaal heeft gepleegd door twee video's die op YouTube zijn gepubliceerd in april en december 2020, waarin [X] een valse voorstelling van zaken zou hebben gegeven over de noodzaak van de Covid-19 injecties respectievelijk de veiligheid van die injecties. Voor zover [A c.s.] hebben bedoeld te stellen dat daarnaast ook enig handelen van de [stichting] aangemerkt moet worden als onrechtmatige handelingen van [X] in dit groepsverband, gaat de rechtbank daar in het kader van dit incident aan voorbij, nu zij dit niet hebben onderbouwd. Volgens [A c.s.] hebben sommige andere gedaagden die deelnemen aan de gestelde groep, onder wie [M] en [K] , de misleiding in Nederland gepleegd en daarbij hen misleid, onder meer door het houden van persconferenties. Omdat voor [X] voorzienbaar was dat het groepsoptreden het gevaar schiep voor het ontstaan van schade zoals die door [A c.s.] is geleden, is hij, zo stellen [A c.s.] , voor die schade aansprakelijk op grond van artikel 6:166 Burgerlijk Wetboek (BW). 5.11. De rechtbank overweegt dat hieruit volgt dat de juridische grondslag van de vorderingen tegen [H c.s.] dezelfde is. Aan [X] kan worden toegegeven dat de hem verweten concrete onrechtmatige handelingen verschillen van de aan [H] (en de overige gedaagden) verweten concrete onrechtmatige handelingen. Dit laat echter onverlet dat van al die handelingen door [A c.s.] wordt gesteld dat zij vanuit een groep zijn verricht en dat deze kwalificeren als onrechtmatige daad in groepsverband. De rechter in de hoofdzaak zal bij de beoordeling van deze grondslag van de vorderingen eerst moeten beoordelen of er, zoals [A c.s.] stellen en [X] betwist, een wereldwijde groep personen, rechtspersonen en andere entiteiten bestaat die in het kader van de uitvoering van een project genaamd Covid 19: The Great Reset mensen hebben misleid tot het zetten van Covid-19 injecties, waarvan zij wisten althans hadden behoren te weten, dat deze injecties niet veilig en effectief waren. Het risico bestaat dat afzonderlijke berechting van de vorderingen tegen [H c.s.] zal [woonplaats] tot onverenigbare oordelen over dit feitencomplex, dat bij alle gedaagden hetzelfde is en de basis vormt voor de gestelde aansprakelijkheid van [H c.s.] op grond van onrechtmatige daad in groepsverband. Daarmee is, gezien het hiervoor genoemde toetsingskader, de vereiste samenhang als bedoeld in artikel 7 lid 1 Rv tussen de vorderingen jegens [X] en de vorderingen jegens ankergedaagde [H] gegeven. 5.12. [X] heeft de stellingen van [A c.s.] in het kader van dit incident in algemene zin betwist en betoogd dat een deugdelijke en logische onderbouwing van de stellingen van [A c.s.] ontbreekt. Deze algehele betwisting is niet nader onderbouwd en onvoldoende om op basis daarvan te kunnen oordelen dat de stellingen van [A c.s.] dusdanig ongefundeerd zijn dat zij de hiervoor in r.o. 5.3 bedoelde (beperkte) toets in het kader van dit bevoegdheidsincident niet kunnen doorstaan. 5.13. Op grond van het voorgaande is deze rechtbank op grond van artikel 7 lid 1 Rv internationaal bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen jegens [X] . Dit betekent dat het beroep van [A c.s.] op artikel 6 aanhef en onder e Rv en 9 aanhef en onder c Rv en de hierover door partijen ingenomen stellingen, niet meer aan de orde hoeven te komen. Is de rechtbank relatief bevoegd van de vordering jegens [X] kennis te nemen? 5.14. Voor zover [X] in het kader van dit incident ook de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank heeft betwist, overweegt de rechtbank dat zij relatief bevoegd is op grond van artikel 107 Rv juncto artikel 99 Rv. Artikel 107 Rv bepaalt namelijk dat, indien een rechter ten aanzien van een van de gezamenlijk in het geding betrokken gedaagden bevoegd is, die rechter ook ten aanzien van de overige gedaagden bevoegd is, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank relatief bevoegd kennis te nemen van de vorderingen tegen [H] . De hiervoor aangenomen samenhang in het kader van artikel 7 lid 1 Rv geldt ook voor de relatieve bevoegdheid als bedoeld in artikel 107 Rv. Slotsom en proceskosten 5.15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de vordering van [X] worden afgewezen. [X] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [A c.s.] worden begroot op: - salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten × € 614,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.406,00 6De beoordeling in de hoofdzaak 6.1. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een conclusie van antwoord door [X] . 7De beslissing De rechtbank in het incident 7.1. wijst de vordering van [X] af, 7.2. veroordeelt [X] in de proceskosten van € 1.406,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [X] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 7.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, in de hoofdzaak 7.4. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 27 november 2024 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [X] . Dit vonnis is gewezen door mr. T.P. Hoekstra en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2024. fn: 445 Zie HvJEU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music/Schilling), r.o. 42-46 en HvJEU 5 juli 2018, ECLI:EU:C:2014:2319 (flyLAL-Lithuanian Airlines), r.o. 54. Zie Hoge Raad 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443. Vlg. conclusie A-G Vlas vóór HR 24 juni 2022, ECLI:NL:PHR:2021:1145, punt 2.39 en gerechtshof Amsterdam 13 augustus 2024; ECLI:NL:GHAMS:2024:2238. Vgl. conclusie A-G Trstenjak vóór HvJEU 1 december 2011, ECLI:EU:C:2011:798 (Eva Maria Painer), punt 86 e.v. Zie o.a. HvJEU 13 juli 2006, C-539/03, ECLI:EU:C:2006:458 (Roche/Primus). Zie HvJEU 1 december 2011, ECLI:EU:C:2011:798 (Eva Maria Painer).