RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Groningen Zaaknummer: 11021193 \ CV EXPL 24-2053 Vonnis van 19 november 2024 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., tegen OAK PENSIOEN, te Zeist, gedaagde partij, hierna te noemen: Oak Pensioen, procederend in persoon. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [bedrijf] is in [jaartal] opgericht en is een grote onderneming geweest, die was gericht op het meubileren van huizen, winkels, schepen (onder andere de [voorbeeld] ) en paleizen (zoals [voorbeeld] ). 2.2. Oak Pensioen, of althans haar rechtsvoorganger Pensioenfonds Meubel, is een pensioenfonds dat op 16 juli 1954 is opgericht. 2.3. Bij beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 19 januari 1955 is, met ingang van 1 februari 1955, deelname aan het bedrijfspensioenfonds Meubel verplicht gesteld voor werknemers in de meubelindustrie en meubileringsbedrijven. 2.4. [eiser] , [geboortedatum] , is op [datum] 1961 in dienst getreden bij [bedrijf] . [eiser] is vanaf [periode] in militaire dienst geweest. Daarna is hij weer in loondienst gaan werken bij [bedrijf] . 2.5. In 1970 is een vorm van samenwerking gestart tussen [bedrijf] en [bedrijf 2] , een interieur- en bouwfirma (hierna: [bedrijf 2] ), waarna [bedrijf 2] in 1972 de aandelen van [bedrijf] heeft overgenomen. 2.6. [eiser] heeft tot [datum] 1972 bij [bedrijf] gewerkt. 2.7. In 1974 is [bedrijf] volledig overgenomen door [bedrijf 2] en is [bedrijf] opgehouden te bestaan. 2.8. De Zwitserse Maatschappij van Levensverzekering en Lijfrente (hierna: Zwitserleven) heeft verklaard dat zij het contract van [bedrijf] per [datum] 1974 in haar administratie heeft opgenomen. Verder heeft Zwitserleven verklaard dat [eiser] niet in haar administratie voorkomt. 2.9. [eiser] is op [datum] 2010 met pensioen gegaan. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: a. voor recht te verklaren dat Oak Pensioen de pensioenaanspraken van [eiser] moet administreren en moet uitkeren op basis van de aangeleverde loongegevens; Oak Pensioen te veroordelen tot het, met terugwerkende kracht, uitkeren van een levenslange pensioenuitkering die is gebaseerd op de [periode] , ingaande de AOW-leeftijd, te vermeerderen met de wettelijke rente; Oak Pensioen te veroordelen tot betaling van de proceskosten, de buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. [eiser] heeft zijn vordering op het volgende gebaseerd. [eiser] heeft vanaf [datum] 1967 (na het bereiken van zijn [leeftijd] en het vervullen van de militaire dienstplicht) tot [datum] 1972 pensioenaanspraken opgebouwd. Met ingang van [datum] 2010 heeft [eiser] de AOW-leeftijd bereikt en had Oak Pensioen aan hem pensioen moeten uitkeren. Gezien de aard van de werkzaamheden van zowel [bedrijf] als [bedrijf 2] vielen deze ondernemingen onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit. Oak Pensioen heeft de verplichte pensioenregeling voor de meubelindustrie uitgevoerd, zodat de pensioenaanspraken van [eiser] bij Oak Pensioen ondergebracht moeten zijn. 3.3. Oak Pensioen voert verweer. Oak Pensioen concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.4. Oak Pensioen heeft naar voren gebracht dat [eiser] bij haar geen pensioen heeft opgebouwd. Oak Pensioen erkent dat voor bedrijven in de meubelindustrie in beginsel sprake was van een verplichte aansluiting bij haar fonds. [bedrijf] was echter van die verplichting vrijgesteld, omdat zij een eigen pensioenregeling kende. [eiser] heeft daarom bij een andere pensioenuitvoerder aanspraken opgebouwd, namelijk bij Zwitserleven. Daar had [bedrijf] immers de pensioenen van haar medewerkers ondergebracht. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De kern van de zaak is de vraag of Oak Pensioen aan [eiser] pensioen moet uitkeren vanaf 2010. Tussen partijen staat vast dat er in beginsel een verplichte aansluiting van de pensioenregeling van Oak Pensioen gold voor [bedrijf] , de werkgever van [eiser] . Voor het beantwoorden van de vraag of Oak Pensioen aan [eiser] pensioen moet uitkeren, is van belang of aan [bedrijf] een vrijstelling is verleend voor deelname aan de verplichte pensioenregeling. Volgens Oak Pensioen had [bedrijf] een eigen pensioenregeling en had zij geen andere keuze dan het verlenen van een vrijstelling. [eiser] heeft daarentegen gesteld dat een vrijstelling aangevraagd moest worden, terwijl niet is gebleken dat dat is gebeurd. 4.2. De kantonrechter stelt vast dat een aanvraag om een vrijstelling van de verplichte aansluiting door een werkgever aangevraagd moet worden. Dat blijkt uit de huidige en eerdere wet- en regelgeving, zoals hierna weergegeven. 4.2.1. In de Wet verplichte deelneming in een bedrijfspensionfonds (Wet van 18 maart 1949, Stb. 1949, J 121) is in artikel 5, lid 3 bepaald dat er richtlijnen moeten worden vastgesteld, waarbij als uitgangspunt geldt dat bedrijfsgenoten, die reeds tenminste zes maanden vóór de indiening van een verzoek als in artikel 3, eerste lid, bedoeld (het verzoek tot verplichtstellen), deelnamen in een ondernemings- pensioenfonds, of zich bij een levensverzekeringsmaatschappij hadden verzekerd, niet aan het bedrijfspensioenfonds behoeven deel te nemen, dan wel van de verplichting tot premiebetaling geheel of voor een redelijk deel zijn vrijgesteld; een en ander indien en zolang zij kunnen aantonen, dat zij over de periode dat zij niet behoeven deel te nemen dan wel geheel of voor een redelijk deel zijn vrijgesteld van de verplichting tot premiebetaling pensioenaanspraken verwerven, welke tenminste gelijkwaardig zijn aan die welke zij bij deelneming aan het bedrijfspensioenfonds zouden verwerven. 4.2.2. Verder is in de ministeriële regeling op basis van voornoemde wet, de ‘Vrijstellingsregeling Wet Bpf’ (Staatscourant 1 1953, 29 december 1952), in artikel 1 bepaald dat vrijstelling van de verplichting tot deelneming in een bedrijfspensioenfonds of van de verplichting tot premiebetaling aan een zodanig fonds op verzoek van een belanghebbende door dat fonds kan worden verleend, indien voor de betrokken bedrijfsgenoot een bijzondere pensioen voorziening geldt, welke voldoet aan de daarna opgesomde voorwaarden. 4.2.3. In april 1998 is de ministeriële regeling ingrijpend aangepast (Staatscourant 1998, 78, 23 april 1998). Deze aanpassing betrof met name het aantal gronden op basis waarvan een bedrijfstakpensioenfonds verplicht is vrijstelling te verlenen. In artikel 2 (Vrijstelling in verband met bestaande voorziening) is het volgende bepaald: ‘Op verzoek wordt aan een bedrijfsgenoot met ingang van de dag dat de verplichtstelling, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet in werking treedt of op hem van toepassing wordt, vrijstelling verleend indien de bedrijfsgenoot deelneemt in een pensioenregeling die reeds gold zes maanden voor het moment van indiening van het verzoek, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet. Vervolgens is de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet van 21 december 2000) in werking getreden. Op basis daarvan (artikel 13, lid 3) heeft de Minister het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 genomen. In artikel 2 van dat besluit is bepaald dat op verzoek van een werkgever door een bedrijfstakpensioenfonds voor alle werknemers (of een deel van de werknemers van die werkgever), met ingang van de dag dat de verplichtstelling in werking treedt respectievelijk als gevolg van gewijzigde bedrijfsactiviteiten op hem en zijn werknemers van toepassing wordt, vrijstelling wordt verleend, indien
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.