RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Groningen Zaaknummer: 11108682 \ CV EXPL 24-2959 Vonnis van 3 december 2024 in de zaak van [naam eisende partij] , te Godziesze Wielkie (Polen), eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij] , gemachtigde: mr. M.D. Liana, tegen [naam gedaagde partij] , te Groningen, gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde partij] , gemachtigde: mr. D. Pieterse. 1De procedure 1.1. De rechtbank De Haag heeft op verzoek van [eisende partij] op 19 december 2023 onder zaaknummer C/09/640268 / HA RK 22-521 ten laste van [gedaagde partij] een Europees betalingsbevel afgegeven. Nadat [gedaagde partij] vervolgens een verweerschrift heeft ingediend en [eisende partij] daarop te kennen heeft gegeven de procedure niet te willen staken, heeft de rechtbank Den Haag bij beschikking van 26 maart 2024 de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, als zijnde het bevoegde gerecht. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - de akte ter toelichting eis tevens houdende eiswijziging met producties,- de conclusie van antwoord met producties- de conclusie van repliek met producties,- de conclusie van dupliek met producties, - de akte uitlaten producties. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eisende partij] en [gedaagde partij] hebben in de periode februari 2021 tot maart 2022 samengewerkt. Deze samenwerking bestond eruit dat [gedaagde partij] diverse losse opdrachten aan [eisende partij] heeft gegeven die betrekking hadden op het transport van goederen. 2.2. [gedaagde partij] heeft diverse facturen, verder ‘de facturen’, van [eisende partij] onbetaald gelaten. Het betreft respectievelijk: Factuur Factuurbedrag Openstaand bedrag Factuurdatum Vervaldatum 1 28R/09/2021 EUR 230,00 EUR 230,00 17-09-2021 08-10-2021 2 38R/09/2021 EUR 350,00 EUR 350,00 30-09-2021 21-10-2021 3 87/10/2021 EUR 150,00 EUR 150,00 31-10-2021 21-11-2021 4 K4/10/2021 EUR 210,00 EUR 210,00 31-10-2021 21-11-2021 5 67R/12/2021 EUR 250,00 EUR 250,00 31-12-2021 18-01-2022 6 15R/01/2022 EUR 400,00 EUR 400,00 20-01-2022 10-02-2022 7 24R/02/2022 EUR 3.345,00 EUR 810,00 28-02-2022 23-03-2022 8 25R/02/2022 EUR 3.215,00 EUR 360,00 28-02-2022 24-03-2022 9 62R/02/2022 EUR 4.474,00 EUR 4.474,00 28-02-2022 07-04-2022 10 12R/03/2022 EUR 2.000,00 EUR 2.000,00 24-03-2022 11-04-2022 11 81/03/2022 EUR 558,20 EUR 558,20 31-03-2022 25-04-2022 Totaal EUR 15.182,20 EUR 9.792,20 Daarbij is van belang dat factuurnummer 4 (K4/10/2021) een correctiefactuur op factuurnummer 3 (87/10/2021) is en dus niet ziet op een afzonderlijke opdracht. 2.3. Bij e-mail van 10 mei 2022 heeft [eisende partij] aan [gedaagde partij] - voor zover relevant - geschreven: “Good morning, Thank you for making the payment. However, you still haven’t paid us all invoices. Below is an explanation.” In deze mail wordt vervolgens expliciet verwezen naar de facturen 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 (verwezen wordt naar de aanduiding en nummering van de facturen onder r.o. 2.2. hiervoor). Bij factuur 3 wordt door [eisende partij] opgemerkt dat daarop te weinig is betaald. 2.4. Bij een daaropvolgende e-mail van 12 mei 2022 heeft [eisende partij] aan [gedaagde partij] - voor zover relevant - geschreven: “Good morning, Ladies and gentlemen, I would like to inform you that we are waiting for your final answer till Monday (16.05.2022). After this date, we will start our money recovery procedures. Best Regards, [naam medewerker eisende partij] ” 3Het geschil 3.1. [eisende partij] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 11.652,20 (een bedrag van € 9.792,20 aan facturen en een bedrag van € 1.860,-- aan ‘extra fees’ vanwege de te late betalingen), vermeerderd met wettelijke handelsrente en kosten en te verminderen met een bedrag van € 1.507,40 vanwege een [gedaagde partij] , toekomende (tegen)vordering. 3.2. [gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij] niet inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de vorderingen van [eisende partij] maar zich beperkt tot de stelling dat deze vorderingen van [eisende partij] - geheel dan wel gedeeltelijk - zijn verjaard. Welke verjaringstermijn is van toepassing? 4.2. De eerste vraag die door de kantonrechter moet worden beantwoord is welke verjaringstermijn op de vorderingen van [eisende partij] van toepassing is. [eisende partij] heeft in haar inleidende akte gesteld dat op het geschil Nederlands recht van toepassing is en voor zover nodig een rechtskeuze voor Nederlands recht gesteld. [gedaagde partij] heeft gesteld dat de overeenkomst tussen haar en [eisende partij] met worden gekwalificeerd als een expeditie-overeenkomst en dat daarop het Nederlands recht van toepassing is. Op grond van artikel 8:1740 lid 1 BW heeft daarom een verjaringstermijn van negen maanden te gelden, welke termijn begint te lopen op de dag volgende op de dag van de aflevering. [eisende partij] heeft in reactie daarop naar voren gebracht dat de overeenkomst tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een vervoersovereenkomst waarop het CMR-Verdrag van toepassing is. Op grond van artikel 32 lid 1 van het CMR-Verdrag bedraagt de verjaringstermijn daarom één jaar, die steeds begint te lopen vanaf drie maanden na het sluiten van de betreffende vervoersovereenkomst. 4.3. De kantonrechter overweegt dat voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een vervoersovereenkomst in de zin van het CMR-Verdrag (dan wel een expeditie-overeenkomst in de zin van artikel 8:60 BW) in beginsel bepalend is of [eisende partij] zich heeft verbonden zelf het vervoer van de goederen uit te voeren (als feitelijk vervoerder of als ‘papieren vervoerder’) en daartoe vervolgens ook is overgegaan, dan wel partijen dit zo hebben begrepen en moeten begrijpen. Wanneer dat het geval is geweest, is sprake van een overeenkomst waarop het CMR-Verdrag van toepassing is. In het andere geval is sprake van een expeditie-overeenkomst waarop het CMR-Verdrag niet van toepassing (vgl. bijvoorbeeld HR 25 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2657). 4.4. [gedaagde partij] heeft ter onderbouwing van haar standpunt gesteld dat haar hoofdactiviteit (zoals haar naam ook expliciet aangeeft) de exploitatie van een expeditiebedrijf is en dat het vervoer van de goederen die onderwerp waren van de diverse overeenkomsten feitelijk ook niet is uitgevoerd door [eisende partij] zelf maar door een ander bedrijf, te weten PPHU RAFPOL, eveneens gevestigd te Polen (Godziesze Male). [gedaagde partij] geeft verder aan dat de vervoerde goederen ook niet van haar ( [gedaagde partij] ) zelf waren, maar van haar cliënten of van cliënten van relaties. [eisende partij] betwist, zoals de kantonrechter haar verweer begrijpt, als zodanig niet dat PPHU RAFPOL het vervoer van de goederen heeft verzorgd en geen onderdeel is van haar onderneming, maar stelt daartegenover dat de overeenkomst tussen partijen als vervoersovereenkomst moet worden aangemerkt omdat partijen dat hebben bedoeld en de overeenkomst op deze manier moet worden uitgelegd. [eisende partij] heeft als hoofdactiviteit het vervoer van goederen en heeft zich niet als expediteur gepresenteerd. [eisende partij] heeft ook, zo stelt zij, het vervoer zelf bij [gedaagde partij] gefactureerd en daarbij bovendien geen expeditie-vergoeding in rekening gebracht. De opdrachten van [gedaagde partij] hadden daarbij expliciet betrekking op ‘vervoer’ en richtten zich tot specifieke chauffeurs en transportroutes. 4.5. De kantonrechter oordeelt op grond van het over een weer gestelde dat de overeenkomst tussen partijen als expeditie-overeenkomst moet worden gekwalificeerd. Als onbetwist moet worden aangenomen dat [eisende partij] het vervoer niet zelf heeft uitgevoerd. [eisende partij] heeft niet gesteld dat dit als zodanig onderwerp van bespreking is geweest, maar heeft slechts gesteld, en niet onderbouwd, dat het de bedoeling van partijen is geweest een vervoersovereenkomst te sluiten, hetgeen door [gedaagde partij] is betwist. Daarbij heeft [eisende partij] de overeenkomsten in ieder geval zelf aldus begrepen dat het vervoer door een derde partij kon worden verricht. De stelling dat steeds een vervoersovereenkomst moet worden aangenomen wanneer de opdrachtnemer zich niet uitdrukkelijk als expediteur presenteert, is door [gedaagde partij] betwist. De jurisprudentie waarnaar [eisende partij] in dit verband verwijst ziet, naar de kantonrechter begrijpt, ook met name op situaties waarin de opdrachtnemer zich tegen aansprakelijkheid als vervoerder wil verweren met een beroep op haar hoedanigheid van expediteur. In dit geval is echter sprake van een spiegelbeeldige situatie waarin [eisende partij] juist wil betogen dat zij vervoerder is geweest, zulks met het oog op een voor haar daaraan verbonden gunstiger verjaringstermijn. Het enkele feit dat er geen expeditie-vergoeding bij [gedaagde partij] in rekening is gebracht, betekent nog niet dat van een (onder)expeditie-overeenkomst geen sprake is. Het door [eisende partij] gestelde acht de kantonrechter al met al onvoldoende om te kunnen aannemen dat partijen hebben beoogd met elkaar vervoersovereenkomsten - in de zin van het CMR-Verdrag - te sluiten. De conclusie is dan ook dat op de vorderingen van [eisende partij] de verjaringstermijn van negen maanden van artikel 8:1740 lid 1 BW van toepassing zijn, ingaande op dag na de datum van aflevering van de betreffende goederen. Wanneer zijn de verjaringstermijnen van de facturen gaan lopen? 4.6. [eisende partij] (conclusie van repliek rn. 4.14 en 4.18) en [gedaagde partij] (conclusie van antwoord rn. 2.4 en 2.5) hebben toegelicht welke data van aflevering en aanvangsdata voor de diverse verjaringstermijnen voor de opdrachten van [gedaagde partij] in aanmerking komen. Partijen noemen daarbij dezelfde data (met aantekening dat [gedaagde partij] heeft aangegeven dat factuur 6 betrekking heeft op 2 transportorders, waarvan er slechts een door [eisende partij] is genoemd en dat [eisende partij] bij factuur 9 vijf transportorders noemt en [gedaagde partij] slechts vier). Daarbij heeft [eisende partij] in haar overzichten tevens de einddata van de afzonderlijke verjaringstermijnen opgenomen, maar deze einddata zijn gebaseerd op de - hiervoor de kantonrechter verworpen - stelling van [eisende partij] dat een verjaringstermijn van één jaar, ingaande op de dag na de datum van aflevering, van toepassing zou zijn. Bij toepassing van de juiste, hiervoor van toepassing geachte verjaringstermijn van negen maanden, eveneens ingaande op de dag na de datum van aflevering, resteert (met inachtneming van de factuurnummers, waarbij correctiefactuur 4 ziet op factuur 3, en de volgorde daarvan zoals die onder r.o. 2.2. zijn benoemd) het volgende overzicht, dat verder tot uitgangspunt dient: Factuur Transport order Datum van aflevering Aanvangsdatum verjaring Einddatum verjaring behoudens stuiting 1 28R/09/2021 68544 02-09-2021 03-09-2021 03-06-2022 2 38R/09/2021 68861 16-09-2021 17-09-2021 17-06-2022 3 4 87/10/2021 K4/10/2021 69244 07-10-2021 08-10-2021 08-07-2022 5 67R/12/2021 70838 06-12-2021 07-12-2021 07-09-2022 6 15R/01/2022 72030 ?* 12-01-2022 31-01-2022 13-01-2022 01-02-2022 13-10-2022 01-11-2022 7 24R/02/2022 73389 23-02-2022 24-02-2022 24-11-2022 8 25R/02/2022 73360 23-02-2022 24-02-2022 24-11-2022 9 62R/02/2022 73213 73237 73325 73343 73439** 17-02-2022 18-02-2022 21-02-2022 22-02-2022 24-02-2022 18-02-2022 19-02-2022 22-02-2022 23-02-2022 25-02-2022 18-11-2022 19-11-2022 22-11-2022 23-11-2022 25-11-2022 10 12R/03/2022 73850 73812 73947 04-03-2022 07-03-2022 08-03-2022 05-03-2022 08-03-2022 09-03-2022 05-12-2022 08-12-2022 09-12-2022 11 81/03/2022 72839 04-02-2022 05-02-2022 05-11-2022 * = alleen genoemd door [gedaagde partij] ** = alleen genoemd door [eisende partij] Is sprake geweest van (tijdige) stuiting van de vorderingen van [eisende partij] ? 4.7. Tussen partijen is in geschil of en op welke wijze de vorderingen van [eisende partij] zijn gestuit, waarbij als zodanig niet in geschil is dat dit naar Nederlands recht moet worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in artikel 3:317 BW. Volgens [eisende partij] heeft zij de volgende stuitingshandelingen verricht:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.