RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/4210 uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 december 2024 in de zaak tussen [verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen. Inleiding
- In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het plaatsen van een dakopbouw aan de [adres] in [woonplaats]. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Beoordeling door de voorzieningenrechter
- Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Toetsingskader
- Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 187,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn moet zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Heeft verzoekster het griffierecht tijdig betaald?
- De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 31 oktober 2024 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 2 november 2024 om 14:34 uur is bezorgd en dat voor ontvangst daarvan is getekend. Verzoekster heeft het griffierecht niet op tijd betaald. Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
- Verzoekster heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Conclusie en gevolgen
- Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Steenbergen, griffier. De uitspraak uitgesproken in het openbaar op 5 december
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.