beslissing RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Wrakingskamer zaaknummer: C/18/240409 / KG RK 24-351 Beslissing van 28 november 2024 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van SJT Equipment B.V. gevestigd te Assen, (gemachtigde: [naam gemachtigde]), hierna te noemen: verzoekster, strekkende tot de wraking van mr. M.E. van Rossum, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. 1De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 21 november 2024, met daarin de wrakingsgronden; de schriftelijke reactie van de rechter van 21 november
- 2Het wrakingsverzoek 2.1 Het verzoek strekt tot wraking van de kantonrechter, die belast is met de behandeling van de procedure bekend onder zaaknummer 11134248 \ CV EXPL 24-
- 2.2 Verzoekster heeft blijkens het proces-verbaal aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat het gaat om de competentie van de kantonrechter. Omdat de vordering meer bedraagt dan € 25.000,- is de kantonrechter niet competent en moet de zaak worden doorverwezen naar de civiele rechtbank. Gelet hierop is er, aldus verzoekster, sprake van partijdigheid. 2.3 De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. 3De beoordeling 3.1 Naar het oordeel van de wrakingskamer is sprake van een kennelijk ongegrond verzoek en daarom laat de wrakingskamer een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, tweede lid, sub b, van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank. Hierna legt de wrakingskamer uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen. 3.2 Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden. 3.3 Aan het wrakingsverzoek is ten grondslag gelegd dat verzoekster meent dat de kantonrechter niet bevoegd is nu de vordering boven de € 25.000,- is. 3.3.1 Zoals hiervoor al aangegeven wordt bij de beoordeling van het wrakingsverzoek tot uitgangspunt genomen dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten de handelwijze van de rechter niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid. 3.3.3 Naar het oordeel van de wrakingskamer is niet komen vast te staan dat de (hoge) drempel voor het aannemen van partijdigheid is gehaald. Hiertoe overweegt de rechtbank allereerst dat volgens de wet de kantonrechter ambtshalve moet nagaan of hij absoluut bevoegd is om over de zaak te oordelen. Vervolgens wijst de wrakingskamer verzoekster erop dat de juistheid van een rechterlijke beslissing alleen kan worden beoordeeld als daartegen een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) is aangewend. De wrakingsprocedure is daarvoor niet bestemd, omdat het daarin uitsluitend gaat over de (schijn van) vooringenomenheid van de rechter. Alleen als de beslissing gelet op de motivering of de wijze van totstandkoming zo onjuist of onbegrijpelijk is dat deze uitsluitend door vooringenomenheid kan worden verklaard, is er grond voor wraking. Dit laatste is naar het oordeel van de wrakingskamer in het onderhavige geval niet aannemelijk geworden. Hierbij betrekt de wrakingskamer dat verzoekster onvoldoende concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit de vooringenomenheid van de rechter, of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid. 3.4 Gelet op het vorenstaande is de wrakingskamer van oordeel dat het verzoek kennelijk ongegrond is. 3.5 In dezelfde zaak, met zaaknummer 11134248 \ CV EXPL 24-2395, heeft verzoekster de behandelend rechter eerder gewraakt. Bij beslissing van 20 september 2024 is dat wrakingsverzoek ongegrond geoordeeld. Omdat door verzoekster het middel van wraking nu binnen korte tijd tweemaal lichtvaardig, want zonder enige grondslag is ingezet, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van misbruik van recht. De rechtbank zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking van de rechter belast met de behandeling van deze zaak (zaaknummer 11134248 \ CV EXPL 24-2395) niet in behandeling wordt genomen. 4De beslissing De wrakingskamer: verklaart het verzoek tot wraking ongegrond; bepaalt dat de procedure met zaaknummer 11134248 \ CV EXPL 24-2395 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking; beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan: verzoekster; de gewraakte rechter; en de betrokken partijen; bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van de rechter in de procedure met nummer 11134248 \ CV EXPL 24-2395 niet in behandeling wordt genomen. Deze beslissing is gegeven door mr. Th. A. Wiersma, voorzitter, mr. M.A.M. Wolters en mr. L.T. de Jonge, rechters in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.I. Havinga en in openbaar uitgesproken op 28 november
- de griffier de voorzitter (de griffier is verhinderd deze beslissing mede te ondertekenen) Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.