RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Groningen Zaaknummer: 11113471 \ CV EXPL 24-3003 Vonnis van 17 december 2024 in de zaak van [eiser], handelend onder de naam AH Garage, wonende te [woonplaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: LAVG, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats 2], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], procederend in persoon. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties- de conclusie van antwoord met producties- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek met producties- de akte uitlating producties 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- Op maandag 24 april 2023 is [gedaagde] met haar auto, een Mini Countryman, naar het garagebedrijf van [eiser] gegaan, omdat de versnellingsbak van deze auto veel lawaai maakte. 2.2 [eiser] heeft aangeboden om het defect te repareren en partijen zijn vervolgens een overeenkomst van opdracht aangegaan. De aan [eiser] verstrekte opdracht hield aanvankelijk in dat [eiser] de versnellingsbak zou repareren, maar later is de omvang van de opdracht uitgebreid. De banden waren aan vervanging toe, de olie moest worden ververst en de remblokken moesten worden vervangen. Partijen hebben afgesproken dat er voor de reparatie een bedrag ter hoogte van € 2.500,00 in rekening gebracht zou worden. 2.3 [eiser] heeft de werkzaamheden uitgevoerd en heeft de auto op 6 mei 2023 weer aan [gedaagde] meegegeven. Bij het ophalen van de auto heeft [eiser] aan [gedaagde] verteld dat de totale kosten van de reparatie € 3.143,82 bedragen. [gedaagde] heeft op dat moment een bedrag van € 2.500,00 aan [eiser] overhandigd en heeft daarbij aan [eiser] te kennen gegeven dat ze de rest op een later tijdstip zou betalen. 2.4 Op 26 mei 2023 heeft [gedaagde] aan [eiser] een bericht gestuurd via WhatsApp met de volgende inhoud: “Hoeveel krijg je ook alweer van mij?”. [eiser] heeft nog diezelfde dag als volgt op dit bericht gereageerd: “Hoi ik denk 650 maar ik ga mandag nakijken”. 2.5 Op 5 juli 2023 is de factuur van de reparatie door [eiser] opgemaakt. Het factuurbedrag is € 2.598,20 exclusief BTW en € 3.143,82 inclusief BTW. Bij brief van 19 juli 2023 heeft [eiser] [gedaagde] aangemaand om het resterende bedrag van € 643,82 te betalen. 2.6 Bij brief van 27 juli 2023 heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt tegen de aanmaning. In deze brief heeft zij het standpunt ingenomen dat tussen partijen is afgesproken dat de kosten voor de reparatie € 2.500,00 inclusief BTW zouden bedragen en dat zij bij het ophalen van de auto geen discussie met [eiser] is aangegaan omdat zij bang was voor escalatie. 2.7 Bij brief van 21 november 2023 is inhoudelijk gereageerd door de gemachtigde van [eiser]. In deze brief is [eiser] als volgt geciteerd: “Alles is mondeling in de garage overlegt. Zo ook de prijs voor dit alles. De prijs die ik heb aangegeven, was € 2500 exclusief BTW. (…) Mevrouw heeft mondeling toestemming gegeven en dient nu eigenlijk alleen nog de BTW te voldoen.” [eiser] heeft [gedaagde] in deze brief nogmaals gesommeerd om het resterende bedrag, vermeerderd met incassokosten en rente te voldoen. [gedaagde] heeft aan deze sommatie geen gehoor geven. Ook de twee aanmaningen die nadien zijn verzonden namens [eiser] (gedateerd op 5 en 25 januari 2024) hebben niet tot een betaling geleid. 3Het geschil 3.
- [eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 771,18, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2024 en proceskosten. 3.
- [gedaagde] voert verweer en stelt dat zij haar verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht is nagekomen. [gedaagde] concludeert dan ook tot afwijzing van de vorderingen van [eiser]. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- Tussen partijen is niet in geschil dat er een overeenkomst tot aanneming van werk tot stand is gekomen tussen partijen en dat [eiser] de verbintenis tot reparatie van de auto juist is nagekomen. [gedaagde] betwist niet dat [eiser] recht heeft op betaling van de overeengekomen reparatiekosten, maar partijen zijn het niet eens over de vraag welk bedrag partijen zijn overeengekomen. 4.2 De kantonrechter stelt vast dat de gedaagde partij een consument is en dat daarom bij de beoordeling ambtshalve aan het dwingende consumentenrecht moet worden getoetst, waaronder de informatieplichten als bedoeld in Boek 6, Titel 5, Afdeling 2B van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het is om die reden aan de eisende partij om te stellen en te onderbouwen dat zij aan die informatieplichten heeft voldaan. Als sprake is van een voldoende ernstige schending van zo’n informatieplicht moet de kantonrechter een sanctie toepassen. De rechtbanken hebben naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad een sanctierichtlijn opgesteld. 4.3 Uit de stellingen en stukken van partijen leidt de kantonrechter af dat de vordering van de eisende partij ziet op een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. De zaak moet daarom beoordeeld worden aan de hand van de maatstaf van artikel 6:230l BW. In dat kader begrijpt de kantonrechter de stelling van [gedaagde] zo dat zij niet is geïnformeerd over de totale prijs als bedoeld in artikel 6:230l onder c BW. Op grond hiervan moet de handelaar de consument op duidelijke en begrijpelijke wijze informatie geven over de totale prijs van de zaken of diensten, met inbegrip van alle belastingen, of, als door de aard van de zaak of de dienst de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs moet worden berekend. [eiser] heeft in dit verband gesteld dat de prijzen van de werkzaamheden voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst(en) bij [gedaagde] bekend waren middels een mondelinge mededeling. De kantonrechter volgt deze stelling niet. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is voldoende gebleken dat [eiser] dit heeft nagelaten, omdat uit de stukken blijkt dat [eiser] niet duidelijk met [gedaagde] heeft besproken wat de totale prijs (dus de prijs inclusief BTW) van de reparatie zou zijn. Daarmee is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter de informatieplicht van artikel 6:230l sub c BW geschonden. 4.4 Ingeval van schending van bovengenoemde informatieplicht is de sanctie dat [gedaagde] de overeenkomst geheel kan vernietigen op grond van artikel 3:40 lid 2 BW. Als [gedaagde] hiervoor kiest, heeft dat als gevolg dat de overeenkomst tussen partijen nooit heeft bestaan, dat er door beide partijen niet meer nagekomen hoeft te worden en dat de al verrichte prestaties onverschuldigd zijn gedaan en ongedaan gemaakt moeten worden. Concreet betekent dit dat [gedaagde] het bedrag dat in deze procedure door [eiser] is gevorderd niet hoeft te betalen en dat zij het bedrag dat zij al heeft betaald op 6 mei 2023 onverschuldigd heeft betaald. Omdat het voor [gedaagde] niet mogelijk is om de door [eiser] verrichte prestatie (het repareren van de auto) ongedaan te maken, heeft [eiser] in deze situatie recht op een redelijke vergoeding. 4.5 Als [gedaagde] ervoor kiest om de overeenkomst niet geheel te laten vernietigen, zal de kantonrechter – als hij tot het oordeel komt dat er sprake is van een schending van bovengenoemde informatieplicht - op grond van de sanctierichtlijn ambtshalve een sanctie opleggen aan [eiser]. Dit heeft tot gevolg dat [gedaagde] een korting krijgt. 4.6 [eiser] zal in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte uit te laten over de schending van de informatieverplichting uit hoofde van artikel 6:230l sub c BW en de sanctie die zou moeten volgen, waarna [gedaagde] bij antwoordakte mag reageren en zich mag uitlaten over de sanctie. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
- bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 14 januari 2025 voor uitlating door [eiser]. 5.2 houdt verder iedere beslissing aan; Dit vonnis is gewezen door mr. B. Veenema, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 december
- Zie landelijk procesreglement voor rolzaken kanton, paragraaf 3.
- Zie het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677 Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieplichten.