RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Groningen Zaaknummers: C/18/241707 / JE RK 25-19 en C/18/242376 / JE RK 25-74 Datum uitspraak: 18 maart 2025 Beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing en een ondertoezichtstelling in de zaken over [naam kind] , die is geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ( [land] ), en die hierna " [naam kind] " wordt genoemd. De kinderrechter wijst als belanghebbenden aan: [naam moeder] , die woont in [woonplaats] , en die hierna "de moeder" wordt genoemd, advocaat: mr. M.J. Flach, die kantoor houdt in Groningen, [naam vader] , die woont in [woonplaats] ( [land] ), en die hierna "de vader" wordt genoemd, advocaat: mr. M.J. Flach, die kantoor houdt in Groningen, de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis, die is gevestigd in Groningen, en die hierna "de GI" wordt genoemd, de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Nederland, locatie Groningen, die hierna "de Raad" wordt genoemd. Het verdere verloop van de procedure Op 24 februari 2025 heeft de kinderrechter, voor zover hier van belang, een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] verleend tot en met 18 maart 2025, een deskundigenonderzoek naar de leeftijd van [naam kind] gelast en iedere verdere beslissing aangehouden. De kinderrechter heeft een voortzetting van de mondelinge behandeling en een nieuw gesprek met [naam kind] bepaald op 18 maart 2025. Daarbij heeft hij de Raad en de GI gelast om hem uiterlijk acht dagen voor de mondelinge behandeling te informeren, conform hetgeen daarover in de beschikking is overwogen, en bepaald dat de deskundige na het onderzoek zo snel mogelijk, maar in ieder geval op uiterlijk 17 maart 2025, zo nodig verkort, schriftelijk aan de rechtbank rapporteert. Op 4 maart 2025 heeft de rechtbank een brief van de Raad ontvangen. Op 10 maart 2025 heeft de rechtbank een raadsrapport van de Raad ontvangen. Op 13 maart 2025 heeft de rechtbank de rapportage van de deskundige ontvangen. Op 14 maart 2025 heeft de rechtbank een brief van de GI ontvangen. Op 18 maart 2025 heeft de kinderrechter de zaken gelijktijdig mondeling behandeld. De kinderrechter heeft toen gesproken met: de ouders, hun advocaat, [naam vertegenwoordiger] , die de GI vertegenwoordigt en [naam vertegenwoordiger] en [naam vertegenwoordiger] , die de Raad vertegenwoordigen. Ten behoeve van de ouders was een tolk aanwezig. De kinderrechter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling met [naam kind] gesproken over de verzoeken. Aan dat gesprek heeft vanaf een zeker moment haar begeleidster vanuit de instelling waar zij verblijft, deelgenomen. De personalia en de naam van de instelling zijn bij de rechtbank bekend, maar worden overigens geheimgehouden. De kinderrechter heeft direct na de mondelinge behandeling uitspraak gedaan en aangekondigd dat hij de gronden waarop zijn uitspraak rust, zal uitwerken in deze vandaag te geven beschikking. De verdere beoordeling De inleiding De kinderrechter moet beslissen op het verzoek van de GI om voor [naam kind] een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, dus tot 20 maart 2025. Daarnaast moet de kinderrechter beslissen op het verzoek van de Raad om [naam kind] definitief onder toezicht van de GI te stellen voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing in een 24-uurs voorziening voor haar te verlenen voor de duur van zes maanden. Een definitieve beslissing heeft de kinderrechter niet genomen en kan hij nog steeds niet nemen. Dat komt omdat hij steeds opnieuw niet juist en niet volledig wordt voorgelicht door de betrokken instanties, zodat niet met een mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat [naam kind] onder aangevoerde redenen in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat haar ouders de zorg zij nodig heeft niet voldoende accepteren of kunnen benutten. De kinderrechter stelt in dit verband vast dat hij in de tussenbeschikking van 24 februari 2025 op de voet van artikel 21 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) heeft gelast dat de betrokken instanties stellingen nader toelichten en bepaalde, concreet benoemde, stukken in het geding brengen. De betrokken instanties hebben geweigerd die stellingen toe te lichten en die stukken in het geding te brengen. Los en onafhankelijk daarvan blijft onduidelijk en tot op dit moment onmogelijk, om vast te stellen of [naam kind] een veertienjarig meisje is, zoals de ouders stellen, of een vierentwintig jaar oude vrouw, die in verband met het vergroten van de kans op een verblijfsvergunning hier ten lande is gepresenteerd als een veertienjarig meisje. De kinderrechter legt hierna uit welke informatie hij nodig heeft, waarom hij zich zorgen maakt over het feit dat onderdelen van de Nederlandse overheid zich niet houden aan wat de kinderrechter in een rechterlijke uitspraak gelast, waarom het tot zover onmogelijk is de leeftijd van [naam kind] vast te stellen en wat dit allemaal voor het verdere verloop van de procedure betekent. De leeftijd van [naam kind] heeft van aanvang van deze procedure af gesteld dat zij een vierentwintigjarige, gehuwde, vrouw is, die door haar vader in verband met het verkrijgen van een verblijfsstatus is gepresenteerd als een veertienjarige dochter. De kinderrechter heeft in de gesprekken die hij met [naam kind] heeft gevoerd, waarvan één in aanwezigheid van een orthopedagoge, niet kunnen vaststellen hoe oud [naam kind] is. Hij heeft zelfs niet kunnen vaststellen of de ene mogelijkheid meer aannemelijk is dan de andere. Verificatoire bescheiden ontbreken. Omdat [naam kind] volhardt in haar stellingen heeft zij meegewerkt aan een medisch onderzoek, dat op 11 maart 2025 is uitgevoerd door deskundigen van het Beatrix Kinderziekenhuis van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Van dat onderzoek is een verslag opgemaakt dat aan de kinderrechter is toegestuurd. In dat verslag is neergelegd hoe het onderzoek vorm en inhoud heeft gekregen en tot welke conclusie de deskundigen zijn gekomen. Ook deze deskundigen kunnen niet vaststellen hoe oud [naam kind] is en kunnen evenmin aan de hand van hun bevindingen vaststellen of het meer waarschijnlijk is dat zij minder- dan wel meerderjarig is. In het gesprek met de kinderrechter voorafgaand aan de laatste mondelinge behandeling zijn de resultaten van het medisch onderzoek met [naam kind] besproken. Ook toen heeft zij volhard in haar stelling dat zij een vierentwintig jaar oude, gehuwde, vrouw is. Zij heeft gedetailleerd verklaard over haar levensloop en daarbij zodanig concrete informatie verstrekt over bijvoorbeeld werkervaring, ziekenhuisbezoeken en schoolgang dat opnieuw niet kan worden uitgesloten dat [naam kind] niet veertien, maar vierentwintig jaar oud is. Voor zover de kinderrechter daarbij heeft voorgehouden dat, gelet op de leeftijd van de moeder, de door [naam kind] gestelde leeftijd impliceert dat haar moeder zeer jong was toen zij van haar zou zijn bevallen, heeft [naam kind] erop gewezen dat in haar land van herkomst het mogelijk is dat haar moeder de besproken leeftijd had toen zij is gehuwd en van [naam kind] is bevallen. De vaste begeleidster van [naam kind] heeft toegelicht dat zij maar ook anderen in de instelling waar [naam kind] verblijft, er geen twijfel over hebben dat [naam kind] een vierentwintig jaar oude vrouw is. De vaste begeleidster heeft aan de hand van concrete feiten en omstandigheden toelicht waarom zij die overtuiging heeft. [naam kind] blijft stellig volhouden dat zij vierentwintig jaar oud is en wijst er ook op dat zij het niet juist vindt dat er kinderbeschermingsmaatregelen tegen haar wil worden genomen, omdat ze niet minderjarig is. [naam kind] wil de vrijheid hebben die haar toekomt en ook contact hebben, zo niet afreizen, naar de man met wie zij stelt te zijn gehuwd. [naam kind] heeft de kinderrechter voorgehouden dat de kinderrechter contact met deze man kan opnemen door middel van (beeld)bellen en dat deze man ook in staat is om documenten te tonen waaruit het bestaan van het door haar gestelde huwelijk kan blijken en/of haar paspoort. Gelet op de bij de vaststelling van de leeftijd betrokken belangen, is tijdens de mondelinge behandeling besproken en uiteindelijk ook afgesproken dat de kinderrechter in aanwezigheid van de advocaat van de ouders, een vertegenwoordiger van de Raad en de jeugdbeschermer, zal beeldbellen op een nader te bepalen datum en tijd. Uit het voorgaande volgt dat nog niet definitief kan worden beslist op de voorliggende verzoeken, die ertoe strekken [naam kind] lange tijd onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen. Als het ervoor moet worden gehouden dat [naam kind] niet minderjarig is, zijn de maatregelen immers niet op de wet te gronden. Hierin is echter niet de enige belemmering gelegen om tot een definitieve beslissing te komen. Dat hangt samen met wat ter onderbouwing van de verzoeken tot zover is aangevoerd. De gronden waarop de verzoeken rusten De verzochte kinderbeschermingsmaatregelen zijn genomen op grond van een voorondersteld risico op eergerelateerd geweld. Aan die veronderstelling is in deze procedure geen feitenspecifieke onderbouwing gegeven. In de eerdere beschikkingen van 28 januari 2025 en 24 februari 2025 is de kinderrechter daarop uitvoerig ingegaan, zodat hij hier volstaat met een verwijzing naar die beschikkingen. De kinderrechter stelt vast dat de bewering van de betrokken autoriteiten (de Raad en de GI) dat er een serieus te nemen risico bestaat op eergerelateerd geweld, direct leidt tot het besef van urgentie en de wil om in te grijpen om dat geweld te voorkomen. Ook deze kinderrechter voelt de druk om maatregelen te nemen om maar uit te sluiten dat [naam kind] slachtoffer kan worden van eergerelateerd geweld, hoewel tot op de dag van vandaag er geen enkele concrete onderbouwing aan het gestelde risico is gegeven. Het is om die reden dat de kinderrechter in de tussenbeschikking van 24 februari 2025 heeft gelast dat de beschikbare informatie met hem wordt gedeeld, zodat hij vanuit zijn functie kan beoordelen of er een risico is dat moet worden meegewogen bij de beoordeling van de voorliggende verzoeken. In de tussenbeschikking is in dat kader het volgende opgenomen: "De kinderrechter gelast daarom dat de Raad en de GI een uitdrukkelijke opgave doen van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.