Rechtbank Noord-Nederland – ECLI:NL:RBNNE:2025:1911
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/292 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2025 in de zaak tussen [eiser 1] , uit IJhorst[eiser 2] , uit Zuidwolde, eisers (gemachtigde: mr. M.B.W. Litjens), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Wolden, hierna te noemen het college (gemachtigde: P. Scharenborg).
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk is verklaard.
1.1.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 december 2022. In dat besluit is beslist op het bezwaarschrift van eisers, dat zich richtte tegen een opgelegde last onder dwangsom. Die last was opgelegd vanwege de bamboegewassen op het perceel van eisers. Eisers kwamen in bezwaar op voor de volgens hen van rechtswege verleende omgevingsvergunning. In het bestreden besluit van 22 november 2023 heeft het college het bezwaarschrift van eisers daartegen niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] , zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.
Totstandkoming van het besluit 2. Rondom de woning van eiser ( [eiser 2] ) op [adres] [nummer] te Zuidwolde werd door eiser ( [eiser 1] ) bamboe gekweekt. De bamboe is intussen verwijderd.
2.1.
Eisers hebben bij brief van 5 mei 2021 een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor houtteelt, sier- en fruitteelt en overige teeltvormen (bamboe).
2.2.
Bij e-mail van 24 juni 2021 heeft de coördinator omgevingsvergunningen het volgende aan eisers geschreven: “(…). Ik verzoek u om de aanvraag ‘aanleggen van houtteelt, sier- en fruitteelt en/of overige opgaande teeltvormen (Z.279739) via de mail in te trekken.
Als u de tekening van de kwekerij met de loods en tunnelkas klaar heeft maken wij een afspraak om een nieuwe aanvraag digitaal in te dienen.”
2.3.
Eisers hebben de aanvraag omgevingsvergunning ingetrokken. Bij brief van 7 juli 2021 heeft het college de intrekking daarvan bevestigd.
2.4.
In het besluit van 15 december 2021 is aan eisers een last onder dwangsom opgelegd. Dit was gericht op het staken en gestaakt houden van de bamboegewassen die waren geplant ten behoeve van de bamboekwekerij. Eisers zijn hiertegen in bezwaar gegaan.
2.5.
In de brief van 21 april 2022 van eisers aan het college staat – onder meer – het volgende vermeld: “Bamboeplanten en andere gewassen Cliënten hebben bij de hiervoor genoemde brief van 5 mei reeds verzocht om een vergunning voor de beplanting. Cliënten handhaven deze aanvraag.”
2.6.
In de beslissing op bezwaar van 1 december 2022 is beslist op het bezwaar van eisers, dat zich richtte tegen de handhavingsprocedure. Eisers hebben deze beslissing mede opgevat als een impliciete weigering van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het aanleggen van bamboe.
2.7.
Eisers hebben op 6 januari 2023 tegen die vermeende weigering van hun vergunningsaanvraag een bezwaarschrift ingediend.
2.8.
In het bestreden besluit van 22 november 2023 heeft het college het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard.
Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt het beroep van eisers tegen het bestreden besluit waarin zij niet-ontvankelijk zijn verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
Wat heeft het college beslist?
Procesbelang 6. Volgens het college hebben eisers geen procesbelang. Volgens het college beogen eisers namelijk met de procedure te bereiken dat hun grond in planologisch opzicht kan worden gebruikt voor een bamboekwekerij. Het geschil draait volgens het college echter om de vraag of een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend voor de activiteit ‘het uitvoeren van een werk of werkzaamheden’ (voor het planten van bamboe). Met die vergunning kan het beoogde doel volgens het college niet worden bereikt. Eisers hebben daarom geen procesbelang.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het betoog van het college niet. Het klopt dat het geschil zich toespitst op de vraag of eisers een aanvraag omgevingsvergunning hebben ingediend voor de activiteit ‘het uitvoeren van een werk of werkzaamheden’ (voor het kweken van bamboe). Dat de veronderstelde aanvraag omgevingsvergunning ziet op die activiteit is niet in geschil. Het college heeft het procesbelang van eisers voor dat onderdeel ook niet betwist. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat eisers daarom wel een procesbelang hebben. De omgevingsvergunning voor de activiteit ‘uitvoeren van een werk of werkzaamheden’ voor het kweken van bamboe is volgens eisers van rechtswege verleend. Daar komen eisers in deze beroepsprocedure voor op. De consequentie hiervan zou kunnen zijn dat het college eisers ten onrechte heeft verplicht om de bamboe op het perceel te verwijderen. Ook daarom hebben eisers nog een procesbelang.
Overgangsrecht; is de Omgevingswet van toepassing?
Intrekking aanvraag en nieuwe aanvraag omgevingsvergunning?
12.1.
De rechtbank overweegt over de brief van 21 april 2022 het volgende. In de brief wordt gewezen op het bezwaarschrift dat is ingediend tegen de opgelegde last onder dwangsom en op het feit dat er eerder een situatietekening is ingediend. Verder wordt gewezen op een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid uit het bestemmingsplan. Daarnaast wordt verwezen naar de ‘eerder ingediende aanvraag van 5 mei 2021’. Uit de inhoud van de brief valt niet af te leiden dat beoogd wordt daarmee een nieuwe aanvraag omgevingsvergunning in te dienen. Naar het oordeel van de rechtbank wordt met ‘zelfstandig stuk’ een apart document bedoeld en is de brief van 21 april 2022 dat niet. Het college had dit daarom ook niet zo hoeven opvatten. Ook hierom slaagt het betoog niet.
Conclusie en gevolgen 14. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van gemaakte proceskosten.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Schür, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.K. Veenstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Eisers verwijzen naar de uitspraak ABRvS 31 januari 2006, ECLI:NL:RVS:2007:AZ7456, r.o. 2.5.
Dat volgt uit artikel 8:55f Awb.
Namelijk in artikel 4.2, eerste lid van het Besluit omgevingsrecht.
ABRvS 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:829, r.o. 3.5.
Vgl. bijvoorbeeld ABRvS 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2945, r.o. 2.4.