← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2025:2200

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18.152238.22 beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 23 mei 2025 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in de zaak tegen [veroordeelde] veroordeelde, geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] wonende te [adres] . Procesverloop De officieren van justitie hebben d.d. 2 november 2022 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 476.036,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.152238.22 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel. Er heeft een schriftelijke ronde plaatsgevonden. De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de conclusie van eis van de officier van justitie van 13 november

  1. De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 11 april
  2. Bij de behandeling zijn de veroordeelde en zijn raadsman mr. R.H. Bouwman, advocaat te Amsterdam, gehoord. Het openbaar ministerie is vertegenwoordigd door mr. J. Houwink en mr. G. Veenstra. Standpunt van de officieren van justitie De officieren van justitie hebben ter terechtzitting de vordering aangepast en gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat en de betalingsverplichting moet worden opgelegd tot een bedrag van 461.798,
  3. Dat betreft het wederrechtelijk verkregen voordeel verkregen uit de transporten 1, 2, 4 en
  4. Voor wat betreft transport 5 hebben de officieren van justitie opgemerkt dat het voordeel is ontstaan uit andere feiten ex art. 36e, tweede lid Sr, omdat er voldoende aanwijzingen zijn dat de 48 kilogram cocaïne na 14 mei 2020 is geëxporteerd/verkocht. Het wederrechtelijk verkregen voordeel voor wat betreft transport 6 moet op nihil worden gesteld, omdat er na aftrek van de inkoopkosten een negatief bedrag overblijft. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat veroordeelde geen inkomsten heeft gegenereerd met de transporten. Subsidiair heeft hij voor wat betreft de transporten 1 en 2 aangevoerd dat niet kan worden uitgegaan van een pondspondsgewijze verdeling, omdat de rol van veroordeelde veel kleiner was dan de rol van de medeplegers. Ten aanzien van transport 4 blijkt nergens uit dat veroordeelde 20% van de verdiensten zou hebben verkregen voor het fungeren als safehouse. Voor transport 5 is veroordeelde vrijgesproken, dus kan er geen maatregel worden opgelegd. Ten aanzien van transport 6 geldt dat de kosten de opbrengsten overstijgen. Bewijsmiddelen De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen: de in het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 8 september 2023 in de onderliggende strafzaak opgenomen bewijsmiddelen; de rapporten berekening wederechtelijk verkregen voordeel per delict met bijlagen, met nummers JM1320 , JM1335 en JM1321 , opgenomen in het dossier van de Politie Noord-Nederland met nummer 2020225040 (onderzoek Zebra). Beoordeling De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 8 september 2023 in de zaak met parketnummer 18.152238.22 onder meer veroordeeld ter zake van het meermalen medeplegen van in- en uitvoer van harddrugs en softdrugs, oftewel het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A en 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van die door hem gepleegde strafbare feiten. De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de verdeelsleutel en vervolgens het wederrechtelijk verkregen voordeel per transport bespreken. Voor zover de rechtbank tot toewijzing van de vordering komt, neemt zij de rapporten wederrechtelijk verkregen voordeel per delict als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. De rechtbank acht deze berekeningswijze, die overigens niet door de verdediging is bestreden, in beginsel betrouwbaar. Verdeelsleutel Veroordeelde heeft samen met anderen van strafbare feiten geprofiteerd. Voor wat betreft de transporten 1 en 2 valt aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting echter geen indicatie te ontlenen voor de verdeling van de opbrengst. Veroordeelde heeft geen inzicht gegeven in de (onderlinge) verdeling van het behaalde voordeel en ook overigens zijn er geen concrete aanknopingspunten voorhanden voor een afwijkende verdeelsleutel tussen veroordeelde en zijn mededaders dan op basis van gelijke verdeling. Dit zou slechts anders zijn indien de veroordeelde aannemelijk zou hebben gemaakt dat feitelijk van een andere verdeling moet worden uitgegaan. De rechtbank zal daarom het wederrechtelijk verkregen voordeel bij deze transporten pondspondsgewijs toerekenen. Voor transport 4 geldt dat er uit de berichten die verdachten elkaar stuurden concrete aanwijzingen volgen om een afwijkende verdeelsleutel aan te nemen. De rechtbank heeft in de hoofdzaak over de rolverdeling onder meer overwogen dat veroordeelde verantwoording aflegde aan [medeverdachte 1] en de opslag in een stashlocatie verzorgde. [medeverdachte 1] was deels eigenaar en had een organiserende rol bij het transport. [medeverdachte 2] heeft als rechterhand van [medeverdachte 1] eveneens een organiserende rol gehad. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verdeelsleutel zoals opgenomen in het rapport en de vordering redelijk. Voor transport 4 geldt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel voor 20% aan veroordeelde wordt toegerekend, voor 40% aan [medeverdachte 1] en 40% aan [medeverdachte 2] . De verdeelsleutel voor de transporten 5 en 6 behoeft geen bespreking, omdat de rechtbank de vordering voor wat betreft die transporten zal afwijzen. Transport 1 (Nederland Noorwegen) Ten aanzien van transport 1 is het volgende bewezenverklaard. De uitvoer van: 8 kilogram cocaïne 40.000 pillen (XTC) 30 kilogram MDMA 60 kilogram amfetamine 2 kilogram methamfetamine 15,5 kilogram hasjiesj De opbrengsten zijn als volgt: 8 kilogram cocaïne 196.048,40 - 40.000 pillen (XTC) 38.566,52 30 kilogram MDMA 203.850,00 60 kilogram amfetamine 100.420,00 2 kilogram methamfetamine 94.121,77 15,5 kilogram hasjiesj 102.986,65 Totaal: 735.993,34 Uit het rapport volgt dat de kosten 1.725,00 betreffen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is dus 735.993,34 - 1.725,00 = 734.268,
  5. Bij dit transport wordt een pondspondsgewijze verdeling aangehouden, verdeeld over vier betrokkenen. Veroordeelde heeft een wederrechtelijk voordeel verkregen van 25% van 734.268,34, te weten (afgerond) 183.567,
  6. Transport 2 (Nederland Unterhaching 1) Ten aanzien van transport 2 is het volgende bewezenverklaard. De uitvoer van: 4 kilogram cocaïne 6 liter amfetamine-olie 1,45 kilogram hennep Niet is bewezen dat alle drugs zoals opgenomen in het rapport is uitgevoerd. De rechtbank neemt de bewezenverklaring als uitgangspunt en komt tot de volgende opbrengsten: 4 kilogram cocaïne 139.650,00 6 liter amfetamine-olie 7.650,00 1,45 kilogram hennep 12.850,00 Totaal: 160.150,00 De (inkoop)kosten zijn als volgt: 4 kilogram cocaïne 111.400,00 6 liter amfetamine-olie 4.620,00 1,45 kilogram hennep 5.655,00 kosten chauffeur 2.306,00 Totaal: 123.981,00 Het wederrechtelijk verkregen voordeel is dus 160.150,00 - 123.981,00 = 36.169,
  7. Bij dit transport wordt een pondspondsgewijze verdeling aangehouden, verdeeld over vier betrokkenen. Veroordeelde heeft een wederrechtelijk voordeel verkregen van 25% van 36.169,00, te weten (afgerond) 9.042,
  8. Transport 4 (Barcelona Utrecht) Ten aanzien van transport 4 is de invoer van 527 kilogram hennep en 108 kilogram hasjiesj bewezenverklaard. Uit de berichten is gebleken dat 127 kilogram hennep van een ander was dan veroordeelde en medeveroordeelden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , daarom wordt voor de nettowinst gerekend met 400 kilogram hennep. Berekening 527 kilogram hennep: Verkoop hennep 2.055.300,00 Inkoop hennep 921.723,00 - Kosten 7.851,00 - Nettowinst 1.125.726,00 De nettowinst voor 400 kilogram hennep is 1.125.726,00 / 527 x 400 = 854.440,
  9. Berekening 108 kilogram hasjiesj: Verkoop hasjiesj 310.500,00 Inkoop hasjiesj 188.892,00 - Nettowinst 121.608,00 Uit het rapport volgt dat de kosten voor de loods, de huur van de bus, verhuisdozen en de chauffeur in totaal 7.851,00 betreffen. De rechtbank gaat ervan uit dat dit de kosten betreffen van zowel de hennep als de hasjiesj. Op pagina 22 van het rapport staat weliswaar dat de kosten voor de hasjiesj 2.497,20 betreffen, maar uit de berekening zoals opgenomen op pagina 21 van het rapport blijkt dat het de kosten voor transport 5 zijn. Nu de kosten al zijn meegenomen in de berekening van de nettowinst van de hennep, laat de rechtbank de kosten voor de hasjiesj buiten beschouwing. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is dus 854.440,00 + 121.608,00 = 976.048,
  10. Voor wat betreft de verdeling sluit de rechtbank aan bij het rapport en de vordering in die zin dat het wederrechtelijk verkregen voordeel voor 20% aan veroordeelde wordt toegerekend. Veroordeelde heeft een wederrechtelijk voordeel verkregen van 20% van 976.048,00, te weten (afgerond) 195.209,
  11. Transport 5 (Utrecht Spanje) Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het transport van 48 kilogram cocaïne van Utrecht naar Spanje niet is doorgegaan. Veroordeelde is vrijgesproken van verlengde uitvoer van 48 kilogram cocaïne en veroordeeld voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen. De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Op grond van artikel 36e, tweede lid Sr kan ook wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, worden ontnomen. Buiten redelijke twijfel moet vaststaan dat de betrokkene die andere strafbare feiten heeft gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat veroordeelde die andere strafbare feiten heeft gepleegd. Uit het dossier blijkt niet wat er met de cocaïne is gebeurd. Het is onduidelijk of er een transport heeft plaatsgevonden en wie daar eventueel voordeel uit zou hebben genoten. De rechtbank zal de vordering voor het deel dat ziet op transport 5 afwijzen. Transport 6 (Nederland Unterhaching 2) Transport 6 behoeft geen nadere bespreking nu de officieren van justitie de vordering hebben gewijzigd in die zin dat de vordering op nihil wordt gesteld. Conclusie Al het voorgaande leidt tot de volgende berekening van het geschat wederrechtelijk verkregen voordeel: Transport 1 183.567,00 Transport 2 9.042,00 Transport 4 195.209,00 Totaal 387.818,00 De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde 387.818,00 voordeel heeft genoten. Betalingsverplichting Er zijn geen redenen om de op te leggen betalingsverplichting op een ander bedrag vast te stellen dan het hierboven genoemde voordeel. Toepassing van de wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing De rechtbank: Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 387.818,
  12. Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 387.818,00 (zegge: driehonderdzevenentachtigduizend achthonderdachttien euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen. Wijst de vordering van de officieren van justitie voor het overige af. Deze uitspraak is gegeven door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. H. Brouwer en mr. M.B.W. Venema, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 mei 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.