RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18/349577-24 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 28 mei 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 mei
(2015), waardoor dit niet in het nadeel van de verdachte zal meewegen in de bepaling van de straf. Ook heeft de rechtbank het reclasseringsrapport van 8 mei 2025 in aanmerking genomen. Bij een veroordeling schat de reclassering het recidiverisico in als laag. Daarbij maakt zij wel de kanttekening dat een langdurige stressvolle situatie kan bijdragen aan het verhogen van het risico op een geweldsuitbarsting door verdachte en derhalve kan worden gezien als katalysator. Verder ziet de reclassering dat verdachte een stabiele leefsituatie heeft en zijn bij hem geen aanwijzingen gevonden voor psychopathalogie. Als beschermende factor ziet de reclassering dat verdachte tijdens zijn voorlopige hechtenis contact heeft gezocht met een psycholoog en gedurende enige tijd gesprekken met deze psycholoog heeft gevoerd. Daarnaast is hij na zijn voorlopige hechtenis in gesprek gegaan met de burgemeester en politie van [plaatsnaam] . Tevens staat verdachte open voor mediation. Uitgaande van een onderliggend conflict waar partijen zelfstandig onvoldoende uitkomen, is de reclassering van mening dat afspraken tussen verdachte en aangever wenselijk zijn. Wellicht dat er in een latere fase alsnog kan worden ingezet op een vorm van conflictbemiddeling. Omdat verdachte en aangever beiden op [plaatsnaam] woonachtig en werkzaam zijn, ziet de reclassering uitvoering van een contact- en gebiedsverbod als niet uitvoerbaar. Tot slot wordt bij een veroordeling door de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd. Op te leggen straf Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, de oplegging van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur daarvan heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest zoals bepleit door de verdediging doet geen recht aan de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder deze is begaan. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank in strafverzwarende zin rekening gehouden met het feit dat verdachte ter terechtzitting geen blijk heeft gegeven van inzicht in zijn verwijtbaar handelen, dat hij geen empathie heeft getoond voor het slachtoffer en dat de gevolgen voor het slachtoffer fysiek en psychisch enorm heftig zijn geweest. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Het voorwaardelijke strafdeel dient daarbij als waarschuwing aan verdachte, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet. Benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 74.143,47 van materiële schade en 50.000,00 van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen, met uitzondering van de kosten die zien op hulpmiddelen en overige kosten van 1.183,85, de overnachtingskosten voor zover deze zien op de huur van het appartement van 4.975,00 en de kosten van het verlies van zelfwerkzaamheid van 55.038,
- De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze posten niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, omdat deze kosten nader civielrechtelijk onderzoek vergen. Voor wat betreft de immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van 7.500,00 als voorlopige schatting kan worden toegewezen en dat het overige deel niet- ontvankelijk zou moeten worden verklaard. De officier van justitie heeft gevorderd het bedrag van in totaal 20.446,26 toe te wijzen vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft primair betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding, omdat deze vanwege de omvang en de hoeveelheid verschillende posten een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de vordering gedeeltelijk niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten aanzien van de materiële vordering heeft de raadsman naar voren gebracht dat deze grotendeels is gestoeld op feitelijke en medische onjuistheden. Alleen de kosten die zijn gemaakt als gevolg van het fysieke letsel, de hoofdwond van de benadeelde partij, komen voor vergoeding in aanmerking. De kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt in verband met zijn neurologische klachten houden geen rechtstreeks verband met het strafbare feit en komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de kosten met betrekking tot het verlies van zelfwerkzaamheid van 55.038,36 heeft de raadsman eveneens betoogd dat dit vanwege de complexiteit van de post een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De materiële kosten dienen derhalve eventueel met uitzondering van de littekencrème van 10,79 niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voor wat betreft de immateriële schadevergoeding heeft de verdediging aangevoerd dat dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd is, omdat slechts de psychische gevolgen ten aanzien van de hoofdwond voor vergoeding in aanmerking komen. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat uitgaande van het fysieke letsel de immateriële vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van 500 tot 1.000 en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De raadsman heeft daarbij verzocht de benadeelde partij, gelet op artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering, te veroordelen in de kosten die door de verdediging ten behoeve van de schadevordering zijn gemaakt. Oordeel van de rechtbank Materiële schade Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezen verklaarde feit. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat ook de opname van de benadeelde partij in het ziekenhuis en het revalidatiecentrum een rechtstreeks gevolg zijn van dit feit. De rechtbank zal de materiële vordering toewijzen tot een bedrag van 12.831,
- Dit bedrag betreft het totaal van de volgende schadeposten: ziekenhuis- en revalidatiedaggeldvergoeding ( 853,-), medische kosten (totaal 830,79), reiskosten ( 1.400,06), parkeerkosten ( 222,40), boottickets ( 2.408,51), overnachtingen tijdens ziekhuisperiode ( 840,-), overnachtingen tijdens periode in revalidatiecentrum ( 1.926,50) en begeleidingskosten ( 4.350,-). De overige schadeposten vergen naar het oordeel van de rechtbank nader civielrechtelijk onderzoek en dit is een onevenredige belasting van het strafgeding. De rechtbank verklaart de vordering met betrekking tot deze schadeposten daarom niet-ontvankelijk. Immateriële schade De benadeelde partij heeft daarnaast 50.000,00 aan immateriële schade gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten. Aangezien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen heeft hij op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (verder BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij pijn heeft gehad en letsel heeft opgelopen. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat ook de psychische en neurologische klachten van de benadeelde partij een rechtstreeks gevolg zijn van het subsidiair bewezen verklaarde en derhalve zijn toe te rekenen aan het handelen van verdachte. Hoewel op basis van medisch onderzoek niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat deze klachten zijn ontstaan door de klap met de zaklamp, ziet de rechtbank, anders dan de raadsman, hiervoor geen andere oorzaak. De rechtbank zal in de hoogte van het schadebedrag rekening houden met het fysieke letsel, de psychische klachten en de neurologische klachten van het slachtoffer. Gelet hierop zal de rechtbank het bedrag naar billijkheid begroten op 10.000,
- De rechtbank zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. Met betrekking tot het verzoek van de raadsman om de benadeelde partij te veroordelen in de door de verdachte gemaakte kosten ten behoeve van het schadevordering, oordeelt de rechtbank als volgt. Nu de rechtbank de vordering deels toewijst, ziet de rechtbank aanleiding om beide partijen in hun eigen proceskosten te veroordelen. Het verzoek van de raadsman wordt derhalve afgewezen. Inbeslaggenomen goederen Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen zaklamp gevorderd. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van de inbeslaggenomen zaklamp. Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een zaklamp, vatbaar voor verbeurdverklaring nu het feit met dit voorwerp is begaan en deze toebehoort aan verdachte. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 302 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden. Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht. Ten aanzien van de vordering benadeelde partij Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen: - een bedrag van 22.831,26 (zegge: tweeëntwintigduizend achthonderdeenendertig euro en zesentwintig eurocent). Dit bedrag bestaat uit 12.831,26 materiële schade en 10.000,00 immateriële schade; - de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening. Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten dragen. Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 22.831,26 (zegge: tweeëntwintigduizend achthonderdeenendertig euro en zesentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening. Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 149 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden. Verklaart verbeurd het in beslag genomen en niet teruggegeven goed van de beslaglijst, te weten: 1 STK Zaklamp (goednummer: PL0100- 2024297480 -1769683 ). Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. G.C. Koelman en mr. H.P. Eckert, rechters, bijgestaan door mr. J.R. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 mei
- Mr. Koelman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
- Forensisch Geneeskundig Letselverslag opgemaakt door drs. E.I. Hofstra d.d. 5 december 2024 (p. 106 e.v.) en LOEF Forensisch medische letselrapportage met benoeming door drs. G. Reijnen en L. van den Berg d.d. 27 maart
- 2 LOEF Forensisch medisch letselrapportage d.d. 27 maart 2025.