RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/221 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut (gemachtigde: mr. A.G. Sol en mr. B.P. van der Togt). Samenvatting
- Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor de vergoeding van bijkomende kosten bij de schadeafhandeling aan zijn woning. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe één beroepsgrond aan. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.
- De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Instituut de aanvraag voor bijkomende kosten terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.
- Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf
- Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of eiser de gerechtvaardigde verwachting heeft mogen ontlenen aan de door het Instituut verstrekte informatie dat aan hem een (aparte) vergoeding van bijkomende kosten zou worden toegekend. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop
- Eiser heeft op 29 juni 2024 een aanvraag ingediend voor de vergoeding van bijkomende kosten bij schadeafhandeling door het Instituut. Het Instituut heeft deze aanvraag met het besluit van 25 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 november 2024 op het bezwaar van eiser is het Instituut bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.
- Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Instituut heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.
- De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het Instituut. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 3.
- Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). Op 29 juni 2024 heeft hij een aanvraag gedaan voor een vaste vergoeding voor mijnbouwschade aan zijn woning. Op dezelfde dag heeft eiser een aanvraag gedaan voor vergoeding van bijkomende kosten. 3.
- Op 29 juni 2024 heeft het Instituut de ontvangst van beide aanvragen in twee afzonderlijke brieven bevestigd. In de brief met ontvangstbevestiging over de aanvraag van de vaste vergoeding, is de volgende passage opgenomen: “De vaste vergoeding van 10.000 euro is een eenmalige vergoeding. Die is bedoeld voor alle fysieke schade, bijkomende kosten, materiële gevolgschade en overlast. (…)” Bij de ontvangstbevestiging zit een bijlage ‘Informatiesheet vaste vergoeding’. Hierin wordt benoemd dat het gaat om een eenmalige vergoeding, waarmee fysieke schade, bijkomende kosten, materiële gevolgschade en overlast worden vergoed. 3.
- Op 16 juli 2024 heeft het Instituut besloten om aan eiser een vaste vergoeding van € 10.000,- toe te kennen. In dit besluit staat vermeld welke kosten vergoed worden met de eenmalige vergoeding. Ook de bijkomende kosten staan in dit overzicht genoemd. 3.
- Op 16 juli 2024 heeft eiser ter afhandeling van de toekenning van de vaste vergoeding een vaststellingsovereenkomst geaccepteerd. 3.
- Bij besluit van 25 juli 2024 heeft het Instituut besloten de aanvraag voor bijkomende kosten af te wijzen. Dit besluit is op 30 juli 2024, nadat eiser telefonisch contact met het Instituut had opgenomen, digitaal geplaatst in ‘Mijn Dossier’ en per post aan eiser toegezonden. Eiser heeft het besluit per post ontvangen op 31 juli
- 3.
- Op 1 augustus 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit tot afwijzing van de aanvraag voor bijkomende kosten. Eiser stelt in bezwaar dat het Instituut bij hem de verwachting heeft gewekt dat de aanvraag voor bijkomende kosten zou worden toegekend en verwijst naar meerdere bijgevoegde bijlagen, waaruit hij dit heeft kunnen en mogen opmaken. 3.
- Het Instituut heeft in bezwaar besloten om het besluit van 25 juli 2024 in stand te laten en stelt zich daarbij op het standpunt dat richting eiser duidelijk gecommuniceerd is dat bij de vaste vergoeding van € 10.000,- ook de bijkomende kosten zijn inbegrepen. Vertrouwensbeginsel
- Eiser stelt dat het Instituut bij hem de verwachting heeft gewekt dat zijn aanvraag voor bijkomende kosten toegekend zou worden. Eiser wijt dit aan de rommelige communicatie van de kant van het Instituut, die het Instituut ook heeft erkend. Daartoe acht eiser van belang dat het, nadat hij de aanvraag voor de vaste vergoeding had ingediend, voor hem technisch gezien nog steeds mogelijk was om via ‘Mijn Dossier’ een aanvraag voor vergoeding van bijkomende kosten te doen. Uit de informatie in ‘Mijn Dossier’ kon worden opgemaakt dat de aanvraag toegekend was. Zo stond onder het kopje ‘besluit’ dat het concreet aangevraagde bedrag was toegekend. De naam van het document in het kopje daaronder luidde ‘Bevestiging bijkomende kosten’. Voorts stonden op de algemene informatiepagina in ‘Mijn Dossier’ de volgende passages: “U krijgt uw gemaakte bijkomende kosten alleen vergoed als uw aanvraag tot schadevergoeding wordt toegewezen en de schade dus erkende mijnbouwschade is.” en “Maar ook als u al een besluit op deze aanvraag heeft gehad, kunt u nog een vergoeding voor bijkomende kosten aanvragen.” Het Instituut heeft niet expliciet gewaarschuwd dat bij het tekenen van de vaststellingsovereenkomst geen aanvraag voor bijkomende kosten meer kon worden ingediend. Eiser voelt zich in die zin misleid. Als burger moet je er op kunnen vertrouwen dat dit niet gebeurt als er niet expliciet voor wordt gewaarschuwd. Het is onaanvaardbaar dat zijn aanvraag voor de bijkomende kosten is afgewezen gezien de blunders die zijn gemaakt op het terrein van communicatie. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij gecompenseerd dient te worden voor zijn inspanningen, extra kosten en de verwarring die het directe gevolg zijn van onzorgvuldige wijze van communiceren door het Instituut. 4.
- Het Instituut stelt zich op het standpunt dat eiser, gezien de afspraken en voorwaarden zoals die zijn neergelegd in de aanvraag voor de vaste vergoeding, de vaststellingsovereenkomst en het besluit betreffende de vaste vergoeding, nooit de gerechtvaardigde verwachting of het vertrouwen kan hebben gehad dat zijn aanvraag voor bijkomende kosten zou worden gehonoreerd. Uit alle drie deze documenten volgt uitdrukkelijk en duidelijk dat de vaste vergoeding een eenmalige en finale vergoeding is, onder meer voor de bijkomende kosten. 4.
- De rechtbank begrijpt dat eiser een beroep doet op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel eiser aannemelijk moet maken dat van de kant van het Instituut toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het Instituut in een concreet geval een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen. 4.
- De rechtbank is van oordeel dat van een toezegging of uitlating van de kant van het Instituut, waaruit eiser redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat hem naast de honorering van de aanvraag voor de vaste vergoeding, tevens een vergoeding voor bijkomende kosten zou worden toegekend, geen sprake is. Hieronder zal de rechtbank toelichten hoe zij tot dit oordeel komt.Vaststellingsovereenkomst 4.3.
- Eiser heeft op 16 juli 2024 een vaststellingsovereenkomst geaccepteerd in het kader van de toekenning van de vaste vergoeding van € 10.000,- aan eiser. Vaststellingsovereenkomsten zijn geregeld in boek 7:900 e.v. Burgerlijk Wetboek. In de onderhavige vaststellingsovereenkomst staat opgenomen dat de toekenning van de vaste vergoeding “een eenmalige en finale vergoeding voor alle schade, bijkomende kosten, materiële gevolgschade en overlast” betreft. Uit deze zin kan niet worden geconcludeerd dat het Instituut toezeggingen of uitlatingen heeft gedaan waaruit redelijkerwijs kon worden afgeleid dat naast de vaste vergoeding ook aanspraak kon worden gemaakt op de bijkomende kosten; integendeel, met het aangaan van de vaststellingsovereenkomst, heeft eiser geaccepteerd dat aan hem een eenmalige, finale vergoeding werd toegekend, waarvan ook de bijkomende kosten onderdeel uitmaakten. Communicatie vaste vergoeding 4.3.
- De rechtbank acht voorts van belang dat het Instituut in de brieven en besluitvorming over de vaste vergoeding eiser ook duidelijk en concreet geïnformeerd heeft dat de bijkomende kosten onderdeel uitmaakten van de vaste vergoeding van € 10.000,-. Het feit dat de mogelijkheid om een aanvraag voor vergoeding van bijkomende kosten voor eiser na de aanvraag procedure voor de vaste vergoeding technisch gezien openstond, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, temeer niet omdat het openstaan van deze mogelijkheid niet betekent dat een aanvraag ook toegekend zal worden. Communicatie ‘Mijn dossier’ 4.3.
- De door eiser aangehaalde informatie in ‘Mijn Dossier’ geeft ook geen aanleiding voor een ander oordeel. Boven het door eiser genoemde kopje ‘Besluit’ in ‘Mijn Dossier’ staat namelijk een nog groter kopje ‘Aanvraag vergoeding bijkomende kosten’. Hieruit kon eiser opmaken dat in het onderstaande kader informatie opgenomen was over zijn aanvraag voor vergoeding van bijkomende kosten. Dat dit bedrag in zijn geheel zou worden toegewezen, volgt niet enkel uit het woord ‘Besluit’. Weliswaar valt daaruit op te maken dat er een besluit is genomen, maar hij kon daaraan op dat moment, alvorens dit document te openen, niet het vertrouwen ontlenen dat het een toekennend besluit betrof nu hij nog niet van de inhoud van het besluit zelf kennis had genomen. Dat van een toekennend besluit sprake was is ook verder niet gesteld of gebleken. 4.3.
- Ook het feit dat op dezelfde pagina in ‘Mijn Dossier’ in het kader ‘Documenten en brieven’ een document is opgenomen met als titel ‘Bevestiging bijkomende kosten.pdf’, kan eiser niet baten. Hij heeft niet aangegeven dat de inhoud van dit document een toewijzend besluit behelst en hij kon daar ook niet op vertrouwen, nu het enkele feit dat het woord ‘bevestiging’ wordt gebruikt, niet zonder meer een toewijzing van de aanvraag impliceert. Dit laat bijvoorbeeld de mogelijkheid onverlet dat het hier een ontvangstbevestiging van zijn aanvraag zou kunnen betreffen. Dat eiser – zonder van de inhoud van het betreffende document kennis te nemen - in verwarring is geraakt en hij ervan uitging dat hem de bijkomende kosten waren toegekend, is onvoldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. 4.3.
- De informatie waarnaar eiser verwijst – onder punt 1, 2 en 3 van bijlage 2 bij zijn bezwaar - op de informatiepagina in ‘Mijn Dossier’ betreft algemene informatie waarin het Instituut toelicht wat de voorwaarden zijn voor het toekennen van een vergoeding van bijkomende kosten en toelicht dat een aanvraag om bijkomende kosten ook, los van de aanvraag voor schadevergoeding, kan worden gedaan. Eiser heeft aan deze algemene informatie niet het vertrouwen kunnen ontlenen, ook niet in onderling verband bezien, dat de vergoeding voor bijkomende kosten (naast de vaste vergoeding) toegekend zou worden, zeker niet gezien de concrete informatie die aan eiser verstrekt is in de aanvraagprocedure over de vaste vergoeding. Communicatie bestreden besluit 4.3.
- De rechtbank is voorts van oordeel dat het feit dat het bestreden besluit pas aan eiser is toegezonden nadat hij hier zelf over gebeld heeft, weliswaar slordig is van het Instituut, maar dat dit niet van zodanige aard is dat hij hieraan het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hem een vergoeding voor bijkomende kosten toegekend zou worden. Dat er geen besluit toegezonden werd, terwijl dit wel aan eiser gecommuniceerd was, hoefde immers niet te betekenen dat er een voor eiser positief besluit genomen was. Hetgeen eiser ter zitting naar voren heeft gebracht over de wijze van communiceren door het Instituut kan hem gelet op het vorenstaande niet baten. Geen opgewekt vertrouwen 4.
- Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt op grond van voorgaande niet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Instituut terecht tot afwijzing van de aanvraag tot vergoeding van bijkomende kosten overgegaan is. Reeds hierom is er ook geen aanleiding hem extra kosten te vergoeden, zoals hij ter zitting nog heeft verzocht. Geen hoorzitting
- Eiser stelt daarnaast dat hij nooit aangegeven heeft dat hij geen hoorzitting wilde, maar dat hij de keus hiertoe bij het Instituut heeft gelaten. 5.
- De rechtbank is van oordeel dat ook deze beroepsgrond niet slaagt. De rechtbank overweegt dat eiser de keuze bij het Instituut heeft gelaten en dat hij niet heeft gesteld dat hij benadeeld is doordat hij zijn bezwaar niet mondeling heeft kunnen toelichten tijdens de hoorzitting. Het is de rechtbank voorts ook niet gebleken dat hij daardoor is benadeeld. Ter zitting heeft eiser voorts een mondelinge toelichting kunnen geven en heeft hij de kans gehad de voor hem van belang zijnde zaken naar voren te brengen. Conclusie en gevolgen Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Schuiling, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 mei
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.